Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA4022
ECLI: ECLI:NL:RBGRO:1999:AA4022
Instantie: Rechtbank Groningen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 98/762 NABW V12
Datum uitspraak: 13 augustus 1999
Wetsartikelen: art. 39 Abw (= 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; woonkostentoeslag; verhuisplicht; woonlasten boven maximumhuurgrens; eigen woning
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag na eindiging van de (redelijke) overbruggingsperiode om te voldoen aan de verhuisplicht wegens woonlasten boven de maximumhuurgrens.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Groningen AWB 98/762 NABW V12




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiser A] en [eiseres B], wonende te [woonplaats], eisers,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Veendam, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 1 juli 1998, nr. 543 BB/NG, het bezwaar van eisers van 17 februari 1998 tegen hun besluit van 15 januari 1998 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemd besluit hebben verweerders aan eisers een uitkering op grond van de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijke arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz) toegekend en voorts de door eisers aangevraagde bijzondere bijstand op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) in de vorm van een woonkostentoeslag toegekend per 1 augustus 1997, doch deze beëindigd per 1 maart 1998.

Eisers hebben tegen dit besluit bij beroepschrift van 1 augustus 1998, op nader in het beroepschrift aangegeven gronden, beroep ingesteld tegen de beëindiging van de woonkostentoeslag.

Verweerders hebben op 15 september 1998 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 10 augustus 1999. Voor eisers is aldaar A verschenen. Verweerders hebben zich ter zitting niet doen vertegenwoordigen.




2. Rechtsoverwegingen



2.1. Feiten

Eisers waren tot augustus 1998 eigenaren van de woning aan de [...]straat 66 te C.

Zij hebben in januari 1997 bij verweerders een aanvraag om bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend. Bij besluit van 3 februari 1997 is per 22 augustus 1996 tot 1 maart 1997 een woonkostentoeslag toegekend. Tevens is bij dat besluit gesteld: "Doordat de woonlasten de maximale huurgrens overschrijden wordt aan u de zgn. verhuisplicht opgelegd. Dit houdt in dat u woonruimte dient te zoeken die is afgestemd op uw inkomen". Eisers hebben tegen dat besluit geen rechtsmiddelen aangewend.

Per 1 augustus 1997 hebben eisers bij verweerders een aanvraag ingediend om een uitkering ingevolge de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen (Ioaz), tevens is een woonkostentoeslag aangevraagd.

Bij besluit van 15 januari 1998 wordt aan eisers met ingang van 1 augustus 1997 een uitkering ingevolge de Ioaz toegekend, voorts is een woonkostentoeslag toegekend per 1 augustus 1997, doch deze beëindigd per 1 maart 1998. Ten aanzien van die beëindiging is in het besluit overwogen: "Vanaf 1 maart 1998 wordt aan u geen woonkostentoeslag meer verstrekt op grond van het feit dat de kosten van de woning boven de maximale huurgrens liggen en aan u reeds bij beschikking van 3 februari 1997 de verhuisplicht is opgelegd".

Tegen dit besluit hebben eisers op 17 februari 1998 een bezwaarschrift ingediend, voor zover daarbij de woonkostentoeslag niet ook na 1 maart 1998 wordt toegekend.

Bij het thans bestreden besluit hebben verweerders het bezwaar van eisers ongegrond verklaard. Eisers kunnen zich met dat besluit niet verenigen en hebben in beroep aangevoerd dat de in het besluit van 3 februari 1997 gestelde verhuisplicht onvoldoende is gemotiveerd, dat er geen termijn is genoemd en dat verweerders er ten onrechte van uitgegaan zijn dat die verhuisplicht nog gold voor eisers. Voorts hebben zij aangevoerd dat hun woonlasten ten tijde van het bestreden besluit de huurgrens niet overstijgen.



2.2. Ten aanzien van het geschil



2.2.1. de omvang van het geschil

De rechtbank stelt vast dat eisers in beroep slechts grieven hebben aangevoerd tegen de in het bestreden besluit neergelegde beëindiging van de woonkostentoeslag per 1 maart 1998. Het tussen partijen bestaande geschil beperkt zich derhalve tot dat aspect.



2.2.2. beoordeling van het geschil

Op grond van artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over voldoende middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien recht op bijstand van overheidswege. Ingevolge artikel 39, eerste lid, Abw heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht. Het is voor de verlening van bijzondere bijstand geen vereiste dat men algemene bijstand ontvangt. Ook degene die, uit andere bron dan de Abw, beschikt over een inkomen dat naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet toereikend is ter voorziening in bepaalde bijzondere noodzakelijke kosten kan een beroep op bijstand doen.

De rechtbank overweegt allereerst het volgende.

Aan eisers is bij besluit van 3 februari 1997 een verhuisplicht opgelegd. Tegen dit besluit hebben eisers geen rechtsmiddelen aangewend, zodat dat besluit in rechte onaantastbaar is geworden. De grieven van eisers treffen derhalve geen doel voor zover zij zich richten tegen de bij dat besluit opgelegde verhuisplicht (of de motivering daarvan).

Naar het oordeel van de rechtbank moet het eisers sedert de ontvangst van het besluit van 3 februari 1997 genoegzaam duidelijk geweest zijn dat de toegekende woonkostentoeslag diende ter overbrugging en voor een bepaalde periode gedurende welke eisers op een goedkopere wijze dienden te voorzien in woonruimte. Reeds uit het opleggen van de verhuisplicht hebben eisers kunnen afleiden dat verweerders niet opnieuw een woonkostentoeslag zouden toekennen. De rechtbank volgt eisers dan ook niet in hun stelling dat verweerders niet hebben mogen verwijzen naar de bij besluit van 3 februari 1997 opgelegde verhuisplicht. Evenmin valt in te zien waarom - zoals eisers hebben gesteld - de verhuisplicht sinds 1 maart 1997 niet meer gold omdat zij vanaf dat moment niet meer bijstandsbehoeftig waren.

De rechtbank overweegt voorts dat de termijn die eisers is gegeven om goedkopere woonruimte te vinden haar niet onredelijk voorkomt. Door aan eisers, ondanks de reeds in februari 1997 opgelegde verhuisplicht, een woonkostentoeslag toe te kennen voor de periode van 1 augustus 1997 tot 1 maart 1998 hebben verweerders eisers geenszins tekort gedaan.

Aan het voorgaande kan niet afdoen dat de woning van eisers niet op korte termijn kon worden verkocht, nu eisers hun woning pas geruime tijd na het opleggen van de verhuisplicht te koop hebben aangeboden.

Eisers stelling met betrekking tot de hoogte van de woonlasten ten tijde van het bestreden besluit laat de rechtbank onbesproken nu reeds op grond van de eerder opgelegde verhuisplicht per 1 maart 1998 kon worden beëindigd.

Vorenstaande overwegingen leiden tot het oordeel dat het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan. Het beroep is derhalve ongegrond.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.



Aldus gegeven door mr. M.W. de Jonge, rechter, en in het openbaar door haar uitgesproken op 13 augustus 1999, in tegenwoordigheid van H.H. Janssens als griffier.

De griffier, wnd., De rechter,




Afschrift verzonden op: 13 augustus 1999.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.