Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA4624
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:1999:AA4624
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: voorlopige voorziening
Zaaknummer: 99/1027 NAWB 58
Datum uitspraak: 8 november 1999
Wetsartikelen: artt. 42 en 47 Abw (= 31 en 32 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; fictief inkomen; beëindiging bijstand; onbetaalde arbeid; vrijwilligerswerk; ideële stichting
Essentie: Terechte beëindiging bijstand wegens het (als voorzitter van een ideële stichting voor hulp aan dak- en thuislozen) onbetaald, voltijds verrichten van productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt (fictief inkomen).

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank Zutphen 99/1027 NABW 58




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 16 augustus 1999, waarbij verzoekers uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ingaande 1 augustus 1999 is beëindigd.




2. Procesverloop


Verzoeker heeft bij brief van 15 september 1999 een bezwaarschrift bij verweerder ingediend. Bij faxbericht van 19 oktober 1999 is verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 5 november 1999, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. P. Langbroek, advocaat te Apeldoorn. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door A. Speijers.




3. Motivering


3.1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

3.2. Verzoeker ontvangt van de zijde van verweerder een Abw-uitkering. Sedert geruime tijd houdt verzoeker zich bezig met belangeloze hulpverlening aan, en opvang van, dak- en thuislozen in Apeldoorn. Verzoeker stelt in dit verband onder meer woonruimte beschikbaar in een tweetal door hem gehuurde panden in Apeldoorn, begeleidt personen bij het aanvragen van uitkeringen, beheert uitkeringsgelden en verricht zogeheten "straatwerk". Genoemde activiteiten heeft verzoeker op 19 april 1999 ondergebracht in de Stichting Sjekina, waarvan hij onbezoldigd voorzitter is.

3.3. Ingevolge het tweede lid van artikel 26 van de Abw wordt de hoogte van de algemene bijstand bepaald door het verschil tussen het inkomen en de bijstandsnorm. Tot de middelen als bedoeld in artikel 7 van de Abw worden op grond van artikel 42 van die wet gerekend alle vermogens- en inkomensbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. In artikel 47 van de Abw is bepaald dat onder inkomen (onder meer) wordt verstaan inkomen uit of in verband met arbeid.

3.4. Verweerder heeft de beëindiging van verzoekers uitkering (onder meer) gebaseerd op de grond dat verzoeker op grond van zijn activiteiten als voorzitter van de Stichting Sjekina niet als werkloze werknemer kan worden aangemerkt. Tijdens de behandeling ter zitting heeft verweerder dit standpunt aldus verduidelijkt dat verweerder de activiteiten van verzoeker aanmerkt als productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt. Verweerder stelt zich op het standpunt dat het verrichten van dergelijke activiteiten in de weg staat aan verdere bijstandverlening.

Naar voorlopig oordeel moet verweerder in dit standpunt worden gevolgd. Blijkens verzoekers verklaring ter zitting dient te worden aangenomen dat verzoeker op professionele wijze vorm geeft aan de hulpverlening aan dak- en thuislozen, welke activiteiten blijkens die verklaring een (meer dan) volledige dagtaak in beslag nemen. Soortgelijke activiteiten als door verzoeker verricht, plegen in gemeenten als Rotterdam en Utrecht te worden verricht door bezoldigde straatwerkers/hulpverleners, aldus verzoeker.

Naar voorlopig oordeel kunnen verzoekers activiteiten, hoewel daaraan het ideële karakter niet kan worden ontzegd, gelet op de wijze waarop verzoeker aan die activiteiten vorm heeft gegeven en gelet op het aanzienlijke tijdsbeslag dat daarmee is gemoeid, niet worden gekwalificeerd als vrijwilligerswerk, maar moet verweerder gevolgd worden in zijn standpunt dat sprake is van productieve arbeid die in het maatschappelijk verkeer een economische waarde vertegenwoordigt.

Dat verzoeker genoemde activiteiten onbeloond verricht, doet aan het voorgaande niet af. In het kader van de toepassing van de artikelen 42 en 47 van de Abw dienen weliswaar in beginsel daadwerkelijk verworven inkomsten uitgangspunt te zijn, het hanteren van een fictief inkomen is naar voorlopig oordeel aanvaardbaar te achten in situaties waar productieve werkzaamheden van economische waarde worden verricht zonder dat daar een (reële) beloning tegenover staat. Verweerders standpunt dat verzoeker geacht kan worden met de door hem verrichte fulltimearbeid ten minste een inkomen ter hoogte van de toepasselijke bijstandsnorm te verdienen, is in het licht van het vorenstaande niet onjuist te achten.

3.5. Gelet op het hierboven overwogene zal de beëindiging van eisers Abw-uitkering in een bodemprocedure naar verwachting stand kunnen houden. Derhalve bestaat er geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening zoals verzocht.

3.6. Er bestaat geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb.




4. Beslissing


De president van de rechtbank,

recht doende:

- wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers, fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 8 november 1999 in tegenwoordigheid van de griffier.



Afschrift verzonden op: