Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA5419
ECLI: ECLI:NL:RBMAA:2000:AA5419
Instantie: Rechtbank Maastricht
Soort procedure: voorlopige voorziening
Zaaknummer: 00/187 NABW VV SEE
Datum uitspraak: 3 maart 2000
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; gelijkstelling met Nederlander
Essentie: Onterechte afwijzing bijstand, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a. dient te worden gelijkgesteld met een Nederlander.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank Maastricht 00/187 NABW VV SEE




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Maastricht, Dienst Sociale en Economische Zaken, verweerder.



Toepassing van artikel 8:81 van de Awb wordt verzocht ten aanzien van het besluit van verweerder van 3 februari 2000, kenmerk 41617800.
Datum van zitting: 29 februari 2000.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit heeft verweerder besloten verzoekers aanvraag om uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) af te wijzen.

Tegen dit besluit is namens verzoeker bij schrijven van 14 februari 2000 een bezwaarschrift op grond van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingediend bij verweerder. Tevens heeft verzoeker zich gewend tot de president van de rechtbank met het verzoek ter zake een voorlopige voorziening te treffen ex artikel 8:81 van de Awb.

De door verweerder ter uitvoering van artikel 8:83 van de Awb ingezonden stukken zijn in afschrift aan verzoekers gemachtigde gezonden.

Het verzoek is behandeld ter zitting van 29 februari 2000, waar namens verzoeker is verschenen mr. H. Klein Hesselink, advocaat te Terneuzen.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mw. M. Overhof en dhr. L.G.M. Olislagers, beiden werkzaam bij de gemeente Maastricht.




II. Overwegingen


In artikel 8:81 van de Awb is bepaald dat indien tegen een besluit, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt, de president van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening kan treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover de toetsing aan het in dit artikel neergelegde criterium meebrengt dat een beoordeling van het geschil in de hoofdzaak wordt gegeven, heeft het oordeel van de president een voorlopig karakter en is dat niet bindend in die procedure.

De president concludeert dat aan de eerste twee in artikel 8:81 van de Awb geformuleerde formele vereisten is voldaan, nu verzoeker een bezwaarschrift heeft ingediend tegen het besluit ter zake waarvan de voorlopige voorziening wordt gevraagd en de rechtbank te Maastricht bevoegd moet worden geacht om van de (eventuele) hoofdzaak kennis te nemen.

Omtrent de geformuleerde voorwaarden van de vereiste onverwijlde spoed oordeelt de president dat gelet op hetgeen van de kant van verzoeker omtrent zijn financiële positie is uiteengezet voldoende aannemelijk is geworden dat verzoeker thans in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Aangezien deze vaststelling nog niet zonder meer betekent dat een voorlopige voorziening dient te worden getroffen, zal vervolgens een voorlopig oordeel worden gegeven over de rechtmatigheid van verweerders besluit. Leidt dit voorlopig oordeel in onderhavig geval tot een negatief resultaat, dan is er sprake van onverwijlde spoed die noopt tot het treffen van een voorziening.

Dienaangaande is overwogen als volgt.

Verzoeker heeft, zo is gebleken, in het verleden een bijstandsuitkering ontvangen van de gemeente X. Op 8 december 1999 heeft verzoeker, na in detentie te hebben verbleven, een aanvraag om een bijstandsuitkering ingediend bij verweerder.
Aan verzoeker, van Ethiopische nationaliteit, is op 28 augustus 1992 een vergunning tot verblijf (VTV) verleend, met ingangsdatum 27 mei 1991.
De geldigheidsduur van de vergunning is jaarlijks verlengd, laatstelijk tot 27 mei 1999.
Op 9 september 1999 heeft verzoeker bij de Korpschef van de politieregio Limburg-zuid een aanvraag ingediend om verlenging van de geldigheidsduur van de aan hem verleende VTV.
Bij besluit van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 28 januari 2000 is besloten de aanvraag niet in te willigen.
Tegen dit besluit is namens verzoeker bij brief van 14 februari 2000 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 3 februari 2000, verzonden op 7 februari 2000, heeft verweerder besloten verzoekers aanvraag om een bijstandsuitkering af te wijzen.

Daartoe heeft verweerder overwogen dat verzoeker geen recht heeft op een uitkering ingevolge de Abw, omdat is gebleken dat hij pas op 9 september 1999 - dat wil zeggen na het verstrijken van de geldigheidsdatum van zijn vorige verblijfsdocument en dus niet tijdig - een verzoek tot verlenging van het betreffende verblijfsdocument heeft ingediend.

Namens verzoeker is aangevoerd - kort samengevat - dat:
- de aanvraag (om voortgezet verblijf) verschoonbaar niet op tijd is ingediend;
- op grond van de parlementaire geschiedenis (van met name het Besluit gelijkstelling [zie Besluit gelijkstelling vreemdelingen Wwb, Ioaw, Ioaz, Wvg en Wwik, red.]) recht op uitkering bestaat;
- de weigering van bijstand gezien het advies van de ACV (Adviescommissie voor vreemdelingenzaken) d.d. 28 december 1999 en de aangekondigde beleidswijziging van de Staatssecretaris niet houdbaar is;
- de weigering van bijstand in strijd met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) is.

De president dient een voorlopig oordeel te geven over de vraag of verweerder terecht de bijstandsaanvraag van verzoeker heeft afgewezen, omdat hij niet tijdig om voortgezette toelating heeft verzocht als bedoeld in artikel 7, derde lid, onderdeel b, van de Abw.

Dienaangaande is overwogen als volgt.

Artikel 7 van de Abw luidt als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef, en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het besluit) luidt als volgt:
-1. Voor de toepassing van de Algemene bijstandswet, de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte werkloze werknemers en de Wet inkomensvoorziening oudere en gedeeltelijk arbeidsongeschikte gewezen zelfstandigen wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. voor de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating;
of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vreemdelingenwet, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-2. De gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Artikel 1b van de Vreemdelingenwet (Vw) luidt als volgt:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
-1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
-2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
-3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
-4. binnen de termijn, bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden;
-5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan, vastgesteld bij beschikking ingevolge deze wet.

Vaststaat dat verzoekers vergunning tot verblijf (VTV) geldig was tot en met 27 mei 1999 en dat verzoeker eerst op 9 september 1999 een aanvraag heeft ingediend om verlening van de geldigheidsduur van de aan hem verleende VTV.

Gelet op het bepaalde in artikel 1, eerste lid, onderdeel a, van het het besluit moet onder "tijdig" als bedoeld in artikel 7:3, onderdeel b, van de Awb worden verstaan: vóór de beëindiging van het verblijf.

Bij zijn Circulaire van 27 oktober 1998 heeft de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid (SoZaWe [SZW, red.]) het bovenstaande als volgt genuanceerd:

"Het Besluit gelijkstelling (...) regelt dat slechts bijstand kan worden verleend indien een vreemdeling vóór het expireren van de vorige verblijfsvergunning een verlengingsaanvraag bij Justitie heeft ingediend.
Bedoelde regeling was afgestemd op een per 1 juli 1998 ingegane wijziging van de wijze van uitvoering van de Vreemdelingenwet, die inhield dat te laat ingediende aanvragen van voortgezet verblijf voor de toepassing van de Vreemdelingenwet in het vervolg worden beschouwd als aanvragen om eerste toelating.
Een redelijke uitleg van het Besluit gelijkstelling (...) brengt naar mijn oordeel met zich mee dat in een dergelijk overgangsgeval, waarin de vreemdeling vóór 1 juli 1998 en binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning voortgezet verblijf heeft aangevraagd, dit besluit toepassing vindt. In een dergelijk geval kan derhalve zo nodig een uitkering worden verleend krachtens de Abw, de Ioaw of de Ioaz."

Aldus heeft de Staatssecretaris van SoZaWe voor wat de aanspraken [betreft, red.] van vreemdelingen die op 1 juli 1998 in procedure waren over voortgezette toelating aansluiting gezocht bij de vóór 1 juli 1998 krachtens de toenmalige Vreemdelingencirculaire gevoerde praktijk, waarbij een binnen zes maanden na het verstrijken van de geldigheidsduur van de eerdere verblijfsvergunning ingediende aanvraag geacht wordt nog tijdig te zijn ingediend.

Ten aanzien van op of na 1 juli 1998 ingediende aanvragen om voortgezet verblijf zijn de beleidsregels ter uitvoering van de Vreemdelingenwet aangescherpt. Sinds 1 juli 1998 worden alle niet vóór het einde van de toelating ingediende verzoeken om voortgezette toelating in beginsel (behoudens verschoonbaarheid) aangemerkt als een verzoek om eerste toelating. Met ingang van 11 december 1998 wordt in dergelijke gevallen bovendien het wettelijk MVV-vereiste (het vereiste dat ziet op het in het land van herkomst aanvragen van een machtiging tot voorlopig verblijf) tegengeworpen, tenzij het te laat aanvragen van voortgezette toelating verschoonbaar is, dan wel het een vreemdeling betreft die in aanmerking komt voor een vrijstelling of voor de toepassing van de hardheidsclausule.

Bij brief van 31 januari 2000 heeft de Staatssecretaris van Justitie echter mede naar aanleiding van een door de ACV [Adviescommissie voor Vreemdelingenzaken, red.] op 28 december 1999 uitgebracht "Algemeen advies inzake het MVV-vereiste met betrekking tot verzoeken om voortgezette toelating" aan de Tweede Kamer meegedeeld te hebben gekozen voor een algehele vrijstelling van het wettelijk MVV-vereiste bij voortgezet verblijf, ongeacht de termijn waarbinnen het verlengingsverzoek is ingediend. De Staatssecretaris schrijft voorts voornemens te zijn beleidsmatig reeds vooruit te lopen op de voorgestelde wijziging van artikel 52a van het Vreemdelingenbesluit.

Het voorgaande betekent dat de Staatssecretaris met ingang van 1 februari 2000 "te laat" ingediende aanvragen om voortgezette toelating zal toetsen aan de criteria voor voortgezet verblijf in plaats van aan de criteria voor eerste toelating, waarbij de vreemdeling dient te beschikken over een MVV.

De president is voorshands van oordeel dat voormelde beleidswijziging van de Staatssecretaris, gelet op de door de Koppelingswet gerealiseerde nauwe samenhang tussen Vreemdelingenwet en de voor vreemdelingen relevante bepalingen in de Abw, gevolgen dient te hebben voor de uitleg van het besluit.
De ratio voor het stoppen c.q. niet verlenen van bijstand die is gelegen in het feit dat de vreemdeling Nederland dient te verlaten teneinde in het land van herkomst een MVV aan te vragen, is immers tengevolge van de beleidswijziging van de Staatssecretaris komen te vervallen.
Dit betekent dat de president voorshands van oordeel is dat het besluit zo zou moeten worden uitgelegd dat ook een vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf heeft gehouden in de zin van artikel 1b, eerste lid, van de Vw (zoals verzoeker) en die een - te late - aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating voor de toepassing van de Abw, in beginsel met een Nederlander gelijkgesteld dient te worden.

Op grond van voorgaande overwegingen is de president voorshands van oordeel dat verweerder ten onrechte heeft besloten dat verzoeker op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, aanhef en onder b, van de Abw geen recht heeft op bijstand.
De president schorst dan ook verweerders besluit van 3 februari 2000 tot zes weken nadat op het bezwaarschrift is beslist.

Voorts wijst de president het verzoek om voorlopige voorziening toe en draagt verweerder op verzoeker onverwijld voorschotten te verlenen op een mogelijk toe te kennen uitkering ingevolge de Abw naar de voor verzoeker van toepassing zijnde norm tot zes weken nadat op het bezwaar zal zijn beslist.

De president heeft hierbij overwogen dat verzoeker verweerder weliswaar nog geen postcontract voor Mariastraat 13 (het adres van 't Koffiehonk van het Leger des Heils) heeft verstrekt, maar dat de gemachtigde van verzoeker ter zitting heeft toegezegd dit op zeer korte termijn te zullen regelen.
De president acht het voorshands aannemelijk dat verzoeker op korte termijn in staat zal zijn voornoemd postcontract aan verweerder te verstrekken en zo deze formele belemmering voor het verstreken van uitkering weg te nemen.

Voorts acht de president termen aanwezig om verweerder met toepassing van de artikelen 8:75 en 8:84, vierde lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die verzoeker in verband met de behandeling van dit verzoek redelijkerwijs heeft moeten maken.
Deze proceskostenveroordeling heeft betrekking op de kosten van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, waarvan het bedrag wordt vastgesteld overeenkomstig het tarief, als bedoeld in artikel 2, eerste lid, onderdeel a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht.
De president kent daarbij ter zake van de verrichte proceshandelingen 2 punten met elk een waarde van ƒ710,- toe voor de indiening van het verzoekschrift en de verschijning ter zitting en bepaalt het gewicht van de zaak, gelet op de aard en de inhoud van het geschil, op gemiddeld (wegingsfactor 1).
Het te vergoeden bedrag voor verleende rechtsbijstand bedraagt derhalve 2 x ƒ710,- x 1 = ƒ1420,-.

Nu aan verzoeker ter zake van dit verzoek een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient het bedrag van de kosten ingevolge artikel 8:75, tweede lid, van de Awb te worden betaald aan de griffier van deze rechtbank.

Op grond van het bepaalde in de artikelen 8:75, 8:82 en 8:84 van de Awb wordt als volgt beslist.




III. Beslissing


De president van de arrondissementsrechtbank te Maastricht:

1.  wijst het verzoek om voorlopige voorziening toe en schorst het besluit van 3 februari 2000 tot zes weken nadat op het bezwaar is beslist;
2.  bepaalt dat aan verzoeker onverwijld voorschotten worden verstrekt in het kader van de Abw tot zes weken na de beslissing op bezwaar;
3.  bepaalt dat aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ60,- wordt vergoed door de gemeente Maastricht;
4.  veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van verzoeker begroot op ƒ1420,-, zijnde de kosten van rechtsbijstand, te betalen door de gemeente Maastricht aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Maastricht.

Aldus gedaan door mr. R.E. Bakker in tegenwoordigheid van mr. E.W. Seylhouwer als griffier en in het openbaar uitgesproken op 3 maart 2000 door mr. Bakker voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. E. Seylhouwer w.g. R.E. Bakker




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.