Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA6590
ECLI: ECLI:NL:RBSGR:2000:AA6590
Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage
Soort procedure: voorlopige voorziening
Zaaknummer: AWB 00/5792 NABW
Datum uitspraak: 19 juli 2000
Wetsartikelen: art. 7 Abw (= 11 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beëindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; Turken
Essentie: Onterechte beëindiging bijstand, niet omdat betrokken vreemdeling hangende de bezwaarprocedure tegen de afwijzing van een aanvraag om verblijfsvergunning dient te worden gelijkgesteld met een Nederlander, maar omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid mag worden gemaakt naar nationaliteit.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/5792 NABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

tegen

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerder.




1. Gevraagde voorlopige voorziening


Een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 Awb is verzocht ten aanzien van het in bezwaar bestreden besluit van verweerder van 27 april 2000, documentnummer 383632, waarbij de uitkering van verzoeker ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan ingaande 25 mei 2000 is beëindigd.




2. Zitting


Het verzoek om een voorlopige voorziening is behandeld ter zitting van 10 juli 2000.
Verzoeker is verschenen, bijgestaan door zijn raadsvrouwe mr. T.E. van Dijk.
Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.




3. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening


Ingevolge artikel 8:81, eerste lid, Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de president daaromtrent een voorlopig karakter en is dat niet bindend voor de beslissing in die procedure.

De Staatssecretaris van Justitie heeft het administratief beroep van verzoeker - die al sedert 1988 verblijf in Nederland zou houden - gericht tegen de beschikking van 18 juli 1997 waarbij op de aanvraag om een vergunning tot verblijf met als doel klemmende redenen van humanitaire aard afwijzend is beslist, ongegrond verklaard bij beschikking van 20 juli 1999.
Verzoeker heeft tegen die beschikking beroep ingesteld bij de rechtbank.
Gedurende die procedure (geregistreerd onder nummer AWB 99/7302 VRWET) is verzoeker volgens het schrijven van bedoelde Staatssecretaris d.d. 20 juli 1999 op grond van artikel 22, eerste lid, Vreemdelingenwet uitstel van vertrek verleend gedurende de behandeling van het beroep.
De Staatssecretaris van Justitie heeft bij schrijven van 15 december 1999 (Crv nummer 802.618.4848) verzoeker tevens bericht dat zijn schriftelijke verzoek om toelating op grond van de tijdelijke witte-illegalenregeling is ontvangen en dat, zodra blijkt dat het verzoek aan alle voorwaarden van de tijdelijke regeling witte illegalen voldoet, het verzoek ter advisering zal worden voorgelegd aan de commissie van burgemeesters. Het is verzoeker toegestaan om de behandeling van dit verzoek in Nederland af te wachten.

Verweerder heeft aan verzoeker met ingang van 22 december 1997 ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan een uitkering ingevolge de Abw verstrekt.
Verweerder heeft deze uitkering met ingang van 1 augustus 1998 beëindigd en daartoe overwogen dat uit onderzoek is gebleken dat verzoeker vanaf 1 juli 1998, datum waarop de zogenoemde Koppelingswet in werking is getreden, niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van de Abw en tevens op grond van de nadere regelgeving niet gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander.
Verweerder heeft de uitkering van verzoeker na de uitspraak van de president van de rechtbank in de procedure onder nummer AWB 98/5394 NABW gecontinueerd.
Verweerder heeft die uitkering bij het thans in bezwaar bestreden besluit met ingang van 25 mei 2000 beëindigd.
Verweerder heeft daartoe bij het bestreden besluit overwogen:
"Vreemdelingen die rechtmatig in Nederland verblijven hebben in het algemeen recht op uitkering. Voor de Abw zijn dat vreemdelingen die onvoorwaardelijk zijn toegelaten in Nederland (of op grond van een verblijfsvergunning met een beperking) en EU-onderdanen die hier niet in strijd met Europese regels verblijven. Ook vreemdelingen die tijdig verlenging van de verblijfsvergunning hebben aangevraagd of tijdig bezwaar of beroep hebben ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating worden, op grond van nadere regelgeving, gelijkgesteld met een Nederlander.
Uit onderzoek is gebleken dat u niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van de Abw en tevens op grond van de nadere regelgeving niet gelijkgesteld kan worden aan een Nederlander.
Van toepassing zijn artikel 7, tweede lid, Abw, artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet en het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz."

Verzoeker heeft op de in het bezwaarschrift genoemde gronden bezwaar gemaakt tegen dit besluit.
Verzoeker heeft de gronden van het bezwaar in het verzoekschrift aangevuld en geadstrueerd met aanvullende stukken.

Met ingang van 1 juli 1998 is de Koppelingswet in werking getreden. Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de bijstandverlening aan vreemdelingen en de wijze van verificatie van de verblijfsrechtelijke status van vreemdelingen. Zo ook is artikel 7 Abw gewijzigd; dit luidt per 1 juli 1998 als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw).
-3. Bij algemene maatregel van bestuur (AMvB) kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 1b Vw luidt, voor zover in dit geding van belang:
Vreemdelingen genieten in Nederland slechts rechtmatig verblijf:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. (...);
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. (...);
5. (...).

De AMvB als bedoeld in artikel 7, onder 3 [derde lid, red.], is het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: het besluit).
In artikel 1, eerste lid, daarvan is - voor zover van belang - bepaald dat voor de toepassing van de Abw met een Nederlander wordt gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 Awb toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de gelijkstelling, bedoeld in het eerste lid, zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Als vaststaand moet worden aangenomen dat verzoeker aan het bepaalde in artikel 7, onder 2 [tweede lid, red.], van de Abw geen aanspraak op gelijkstelling met een Nederlander kan ontlenen. Er is immers geen sprake van rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.

Verzoeker kan evenmin aanspraak ontlenen op gelijkstelling met een Nederlander aan het bepaalde bij en krachtens artikel 7, onder 3 [derde lid, red.], van de Abw. De in die bepaling genoemde AMvB, te weten het hiervoor aangehaalde besluit, voorziet niet in een geval als dat van verzoeker, aangezien hij nimmer rechtmatig verblijf in Nederland in de zin artikel 1b, aanhef en onder 1 van de Vw heeft gehouden.

Verzoeker heeft aangevoerd dat een verblijfsrecht als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw aangemerkt moet worden als een "soortgelijke vergunning" als bedoeld in artikel 11.a van het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB), waarbij Turkije eveneens partij is en dat verzoeker daarom uit dien hoofde aanspraak heeft op een uitkering ingevolge de Abw.

Artikel 1 van het EVSMB bepaalt dat onderdanen van de verdragstaten die zich rechtmatig ophouden in één van de andere verdragstaten en die niet beschikken over voldoende middelen dezelfde aanspraak op sociale en medische bijstand hebben als eigen onderdanen.

Artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB bepaalt - voor zover hier van belang - dat het verblijf van een vreemdeling op het grondgebied van één der verdragsluitende partijen als rechtmatig in de zin van dit verdrag wordt beschouwd zolang te zijnen aanzien een verblijfs- of een soortgelijke vergunning van kracht is welke op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB wordt rechtmatig verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend.

De president is van oordeel dat het niet uitgesloten moet worden geacht dat de hoogste rechter in zaken als de onderhavige uiteindelijk tot het oordeel zal komen dat, indien er zich ten aanzien van een onderdaan van één van de verdragsluitende staten een situatie voordoet als bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw, er sprake is van een "soortgelijke vergunning" en derhalve van rechtmatig verblijf in Nederland in de zin van het EVSMB.

Geconcludeerd moet worden dat, nu uit de brief van de Staatssecretaris van Justitie van 20 juli 1999 volgt dat verzoeker uitstel van vertrek is verleend gedurende de behandeling van het beroep tegen de beslissing van 20 juli 1999 en het verzoeker op grond van de inhoud van de brief van de Staatssecretaris van Justitie d.d. 15 december 1999 is toegestaan om de behandeling van het verzoek om toelating op grond van de tijdelijke witte-illegalenregeling in Nederland af te wachten, er sprake is van de in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw bedoelde situatie dat uitzetting van verzoeker, in afwachting van de - definitieve - beslissing op een aanvraag om toelating op grond van een beschikking ingevolge de Vw achterwege dient te blijven.
Gelet hierop moeten de belangen van verzoeker bij het treffen van een voorziening als verzocht bijzonder groot worden geacht.
In aanmerking nemend de wederzijdse belangen is de president van oordeel dat het treffen van een voorlopige voorziening aangewezen is.

Voor zover verzoeker zich heeft beroepen op de uitspraak van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage van 28 oktober 1999 (nr. 98/8513 NABW), waarin is geoordeeld dat het in het kader van de toepassing van de Koppelingswet bij beëindiging van de bijstandsuitkering gemaakte onderscheid naar nationaliteit in strijd is met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten, overweegt de president dat verzoeker naar haar voorlopig oordeel is te vatten onder de in genoemde uitspraak van de rechtbank onderscheiden categorie 2 van vreemdelingen ten aanzien waarvan dat oordeel geldt.
Onder genoemde categorie wordt geschaard de groep vreemdelingen die, zoals in casu het geval, op het moment van de inwerkingtreding van de Koppelingswet op 1 juli 1998 bijstand ontving en voor wie de inwerkingtreding heeft geleid tot beëindiging van de bijstandsuitkering.

Het voorgaande leidt de president tot het oordeel dat het het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb voor inwilliging in aanmerking komt.
Derhalve ziet de president aanleiding het bestreden besluit te schorsen en te bepalen dat aan verzoeker met ingang van 25 mei 2000 bijstandsuitkering dient te worden toegekend, berekend naar de voor hem geldende norm.

De president ziet voorts aanleiding verweerder op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten. Het bedrag van de kosten wordt vastgesteld op 1 punt voor het verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in een zaak van gemiddeld gewicht (wegingsfactor 1, ƒ710,- per punt, in totaal ƒ1420,-).

Aangezien ten behoeve van verzoeker ter zake van dit verzoek een toevoeging is verleend krachtens de Wet op de rechtsbijstand, dient ingevolge artikel 8:85, tweede lid, Awb de betaling van dit bedrag te geschieden aan de griffier van deze rechtbank.




4. Beslissing


De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht toe in dier voege dat het besluit van verweerder van 27 april 2000 wordt geschorst onder de bepaling dat aan verzoeker een uitkering ingevolge de Abw naar de voor hem geldende norm wordt verstrekt met ingang van 25 mei 2000;
gelast dat de gemeente Den Haag als rechtspersoon aan verzoeker het door deze betaalde griffierecht, zijnde ƒ60,-, vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten ad ƒ1420,- onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als rechtspersoon die deze kosten aan de griffier dient te vergoeden.


Aldus gegeven door mr. E.R. Houweling, als fungerend president, en in het openbaar uitgesproken op 19 juli 2000, in tegenwoordigheid van de griffier.

Voor eensluidend afschrift, de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden: