Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA8349
ECLI: ECLI:NL:RBALM:2000:AA8349
Instantie: Rechtbank Almelo
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 00/312 NABW Z1 A
Datum uitspraak: 5 oktober 2000
Wetsartikelen: artt. 55 en 58 ABW (= 78 en 82 Abw) (= 58 en 58 Wwb) / 1:3 en 6:11 Awb
Trefwoorden: vermogen; boedelscheiding; voorschot; echtscheiding; terugvordering; leenbijstand; geldlening; bezwaar; verschoonbare termijnoverschrijding
Essentie: Terechte terugvordering van (leen)bijstand wegens (verzwegen) vermogen uit boedelscheiding. Het feit dat het ontvangen vermogen eerst een voorschot betreft en er nog onzekerheid bestaat over het nog niet vaststaande aandeel in de boedelscheiding, staat aan terugvordering niet in de weg.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Almelo 00/312 NABW Z1 A




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: D. Greveling, werkzaam bij Greveling Rechtshulp te Hengelo,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Hengelo, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder d.d. 7 maart 2000, verzonden op 8 maart 2000.




2. De feiten en het verloop van de procedure


Bij besluit van 19 september 1995 heeft verweerder aan eiseres met ingang van 17 juli 1995 een periodieke uitkering op grond van de Algemene Bijstandswet (ABW) toegekend naar de norm voor een alleenstaande. Bij brief van gelijkluidende datum heeft verweerder eiseres meegedeeld dat de uitkering over de periode 17 juli 1995 tot aan de datum van de feitelijke ontbinding van het huwelijk van eiseres als boedelschuld zal worden ingebracht bij de boedelnotaris. Daarbij is voorts meegedeeld dat de uitkering die wordt verstrekt na de feitelijke ontbinding van het huwelijk van eiseres zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de boedelscheiding.
Bij besluit van 13 september 1995 is aan eiseres een uitkering toegekend in de vorm van een renteloze geldlening van ƒ3500,- voor de aanschaf van duurzame gebruiksgoederen. Ook bij dit besluit is eiseres meegedeeld dat de uitkering van haar zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de boedelscheiding.
Op 14 februari 1996 is de echtscheiding ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie (GBA).
De ABW-uitkering van eiseres is met ingang van 1 januari 1997 omgezet in een uitkering op grond van Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van een melding op 10 december 1996 dat eiseres zou samenwonen, is een onderzoek ingesteld. Uit het ingestelde onderzoek is vervolgens gebleken dat eiseres uit de verkoop van de echtelijke woning op 10 april 1996, respectievelijk 16 juli 1996, een bedrag van ƒ4370,28, respectievelijk ƒ8151,-, heeft ontvangen. Daarnaast heeft zij van haar ex-echtgenoot op 23 oktober 1996 ƒ7907,40 per kas ontvangen. Van deze ontvangsten heeft eisers geen melding gedaan aan verweerder.
Op 23 juni 1997 heeft eiseres bij de uitvoeringsinstelling GAK Nederland BV een arbeidsongeschiktheidsuitkering aangevraagd, die haar met terugwerkende kracht tot 23 juni 1996 is toegekend.
Bij besluit van 31 augustus 1998 heeft verweerder eiseres meegedeeld dat een bedrag van ƒ11.128,68 van haar wordt teruggevorderd. Daarbij is tevens meegedeeld dat dit besluit een uitvoering is van reeds in 1995 genomen terugvorderingsbesluiten, zodat geen bezwaar en beroep mogelijk is.
Op 12 februari 1999 heeft verweerder de kantonrechter te Enschede verzocht om een zogenaamde executoriale titel voor zijn vordering ad ƒ11.128,68 op eiseres. Bij beschikking van 28 juli 1999 heeft de kantonrechter de vordering vastgesteld op het vorengenoemde bedrag. Tegen deze uitspraak is eiseres in hoger beroep gegaan bij deze rechtbank, sector burgerlijke zaken. Bij beschikking van 3 november 1999 heeft de rechtbank de kantonrechter onbevoegd verklaard kennis te nemen van het verzoek van de gemeente d.d. 12 februari 1999.
Naar aanleiding van deze uitspraak heeft verweerder op 8 november 1999, verzonden op 16 november 1999, een nieuw besluit genomen. Bij dat besluit wordt evenals bij het besluit van 31 augustus 1998 een bedrag van ƒ11.128,68 van eiseres teruggevorderd, waarbij zij thans wel in de gelegenheid wordt gesteld om binnen zes weken na datum van verzending van dit besluit een bezwaarschrift in te dienen. Tevens heeft verweerder eiseres meegedeeld dat het eerdere op 31 augustus 1998 afgegeven besluit is komen te vervallen.
Namens eiseres is op 28 december 1999 een bezwaarschrift ingediend tegen verweerders besluit van 8 november 1999.
Eiseres is in de gelegenheid gesteld om haar bezwaren ter hoorzitting mondeling nader toe te lichten. Van deze gelegenheid is op 8 februari 2000 gebruik gemaakt.
Bij het bestreden besluit van 7 maart 2000 is het bezwaarschrift van eiseres ongegrond verklaard.
Blijkens het namens eiseres op 19 april 2000 ingediende beroepschrift kan zij zich niet verenigen met dit besluit.
Verweerder heeft op 16 mei 2000 een verweerschrift ingediend.
Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 14 september 2000, waar eiseres is verschenen bij haar gemachtigde, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door P. Paalman.




3. Overwegingen


In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 7 maart 2000, waarbij de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 8 november 1999 ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) wordt onder besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling. Voor het begrip rechtshandeling is kenmerkend dat het gaat om handelen gericht op rechtsgevolg.

Ingevolge artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaar- of beroepschrift zes weken.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:8, eerste lid, in verbinding met artikel 3:41 van de Awb, vangt die termijn aan met ingang van de dag na die waarop het besluit is toegezonden of uitgereikt aan de belanghebbende(n).
Op grond van het bepaalde in artikel 6:9, eerste lid, van de Awb is een bezwaar- of beroepschrift tijdig ingediend indien het vóór het einde van de termijn is ontvangen.
Op grond van het bepaalde in artikel 6:11 van de Awb blijft ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaar- of beroepschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

De rechtbank stelt vast dat verweerder op 8 november 1999 een tweede besluit, gelijkluidend aan het besluit van 31 augustus 1998, heeft genomen. Een zelfde nieuw besluit, met juiste rechtsmiddelenverwijzing, levert naar het oordeel van de rechtbank geen besluit op in de zin van artikel 1:3 van de Awb. Het is niet op enig ander zelfstandig rechtsgevolg gericht dan dat reeds was beoogd met het besluit van 31 augustus 1998.

Voor zover het beroepschrift van eiseres is gericht tegen de beslissing op bezwaar van 7 maart 2000, waarbij het bezwaarschrift van 28 december 1999 tegen het besluit van 8 november 1999 ongegrond is verklaard, dient het beroep gegrond te worden verklaard. Immers verweerder had het bezwaarschrift tegen dat besluit niet-ontvankelijk moeten verklaren.

Voor zover het bezwaarschrift van eiseres van 28 december 1999 is gericht tegen het besluit van 31 augustus 1998 is de rechtbank van oordeel dat hoewel dit niet is ingesteld binnen de termijn als bedoeld in artikel 6:7 Awb niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaarschrift achterwege dient te blijven. De door verweerder gezaaide verwarring door de mogelijkheid van bezwaar en beroep tegen het besluit van 31 augustus 1998 expliciet uit te sluiten, levert naar het oordeel van de rechtbank een verschoonbare termijnoverschrijding op.
Na de uitspraak van de rechtbank op 3 november 1999 had eiseres zo snel mogelijk - in het algemeen binnen een termijn van veertien dagen - alsnog bezwaar moeten instellen tegen het besluit van 31 augustus 1998. Door het schrijven van verweerder van 8 november 1999, verzonden op 16 november 1999, mocht zij echter verwachten de volle termijn te hebben en kan redelijkerwijs niet worden geoordeeld dat zij hiermee in verzuim is geweest.

Daarbij neemt de rechtbank mede in aanmerking dat namens eiseres ter zitting is verklaard dat zij het schrijven van verweerder van 8 november 1999 eerder had ontvangen dan de uitspraak van de rechtbank van 3 november 1999.

Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank met zijn schrijven van 8 november 1999 niet beoogd de werking van het terugvorderingsbesluit van 31 augustus 1998 ongedaan te maken, maar heeft uitsluitend beoogd de in de uitspraak van de rechtbank van 3 november 1999 aangegeven rechtsgang van bezwaar en beroep mogelijk te maken. Op grond daarvan kan niet worden geoordeeld dat het besluit van 31 augustus 1998 is ingetrokken.

De rechtbank overweegt dienaangaande als volgt.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Algemene Bijstandswet (ABW), zoals die luidde ten tijde hier in het geding, wordt aan iedere Nederlander die hier in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, bijstand verleend door burgemeester en wethouders.
Ingevolge artikel 4 ABW kan bijstand in de behoefte aan bedrijfskapitaal en aan duurzame goederen worden verleend in de vorm van een geldlening of borgtocht.
Ingevolge artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, ABW worden bij de beoordeling van de mate waarin een persoon beschikt over middelen onder meer buiten beschouwing gelaten een bescheiden vermogen dat geen bepaalde bestemming heeft.
Ingevolge artikel 55, eerste lid, ABW worden kosten van bijstand door de gemeente teruggevorderd in de gevallen en naar de regels van deze paragraaf [de betreffende paragraaf van de ABW, red.].
Ingevolge het derde lid kan van terugvordering geheel of gedeeltelijk worden afgezien indien gelet op de omstandigheden van persoon en gezin daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ingevolge artikel 58, tweede lid, ABW worden kosten van bijstand verleend over een periode gedurende welke middelen of aanspraken op middelen aanwezig zijn waarover nog niet kan worden beschikt, van de betrokkene teruggevorderd tot het bedrag waarover krachtens die middelen of aanspraken later wordt of kan worden beschikt.

Verweerder heeft bij besluiten van 13 september 1995, respectievelijk 19 september 1995, eiseres (bijzondere) bijstand toegekend, waarbij haar is meegedeeld dat deze bijstand van haar zal worden teruggevorderd op de haar toekomende gelden uit de boedelscheiding indien en voor zover het bedrag hiervan uitstijgt boven het vrij te laten vermogen, in casu ƒ9300,-.
Vaststaat dat aan eiseres uit de boedelscheiding in totaal ƒ20.428,68 is betaald. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder bij besluit van 31 augustus 1998 in totaal ƒ11.128,68 van eiseres teruggevorderd, zijnde de in de periode van 14 februari 1996 tot 23 juni 1996 uitgekeerde bijstand ad ƒ7731,68 en het resterende bedrag van de geldlening ad ƒ3397,-.
Eiseres stelt dat de aan haar betaalde bedragen van in totaal ƒ20.428,68 bij wege van voorschot op de boedelscheiding aan haar zijn betaald.
Daarbij is eiseres van mening dat de bijstand pas van haar kan worden teruggevorderd als de boedelscheiding heeft plaatsgevonden. Nu er nog geen boedelscheiding heeft plaatsgevonden, ontbreekt naar de opvatting van eiseres de daarvoor vereiste grondslag aan verweerders terugvorderingsbeslissing. Hiernaast heeft eiseres gesteld dat er sprake is van schulden in plaats van vermogen.
Verweerder is van mening dat de uitbetaalde bedragen zijn aan te merken als aan eiseres toekomende gelden uit de boedelscheiding. Volgens verweerder zijn het gelden voortkomende uit het huwelijk van eiseres met haar ex-echtgenoot die op voorhand reeds zijn verdeeld. Het feit dat de boedelscheiding nog niet totaal is geëffectueerd, doet volgens verweerder daaraan niet af.

Naar het oordeel van de rechtbank is voldoende vast komen te staan dat eiseres daadwerkelijk over de vorengenoemde vermogensbestanddelen kon beschikken en het bescheiden vermogen is overtroffen. Dat de boedelscheiding nog niet geëffectueerd, is doet aan het voorgaande niet af. De onzekerheid over het nog niet vaststaande aandeel in de boedelscheiding hoeft naar het oordeel van de rechtbank in de onderhavige situatie aan terugvordering niet in de weg te staan.
Daarbij is de rechtbank met verweerder van oordeel dat de gestelde schulden niet worden gestaafd door enig bewijsmateriaal.
Op grond van het vorenstaande is de rechtbank van oordeel dat verweerder op goede gronden ƒ11.128,68 aan bijstand van eiseres heeft teruggevorderd. Niet is gebleken van dringende redenen die aan de terugvordering in de weg zouden staan.

Op grond van het vorenoverwogene acht de rechtbank het, gelet op het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb, billijk verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres redelijkerwijs heeft moeten maken in verband met de behandeling van dit beroep, zijnde de kosten van rechtsbijstand ad ƒ1420,-.

Beslist wordt derhalve als volgt:




4. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank Almelo,

Recht doende:

verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit voor zover de bezwaren tegen het besluit van 8 november 1999 gegrond zijn verklaard;
verklaart eiseres niet-ontvankelijk in haar bezwaar tegen het besluit van 8 november 1999;
verklaart het beroep voor het overige ongegrond;
veroordeelt verweerder in de door eiseres gemaakte proceskosten, welke kosten worden bepaald op ƒ1420,-, door verweerders gemeente te betalen aan eiseres;
verstaat dat verweerders gemeente aan eiseres het griffierecht ad ƒ60,- vergoedt.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 5 oktober 2000 door mr. J.G.J. Roelvink, in tegenwoordigheid van J. Wenniger als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.