Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA8538
ECLI: ECLI:NL:RBALM:2000:AA8538
Instantie: Rechtbank Almelo
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 00/15 NABW Q1 A
Datum uitspraak: 20 oktober 2000
Wetsartikelen: artt. 9 en 113 Abw (= 13 en 9 Wwb) / 1 Gw / 3:2, 3:46 en 8:72 Awb
Trefwoorden: vakantie; gebruikelijke vakantieduur; ontheffing arbeidsverplichtingen; jonger dan 57,5 jaar; gelijkheidsbeginsel; zorgvuldigheid; motivering; dwangsom
Essentie: Onterechte afwijzing verzoek om als belanghebbende jonger dan 57,5 jaar met behoud van uitkering dertien weken voor vakantie in het buitenland te mogen verblijven, omdat de ontheffing van de arbeidsverplichtingen van betrokkene niet in aanmerking is genomen, noch is gemotiveerd - gelet op het doel van de leeftijdsgrens - waarom ondanks de ontheffing toch geen toestemming kan worden verleend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Almelo 00/15 NABW Q1 A




U I T S P R A A K




in het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 25 november 1999, kenmerk 980422.




2. Feiten en het verloop van de procedure


Eiser heeft per 1 januari 1995 van verweerder een uitkering ontvangen krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww), naderhand krachtens de Algemene bijstandswet (Abw), naar de norm voor een alleenstaande.
Op 12 mei 1998 heeft eiser bij verweerder een verzoek ingediend om toestemming te krijgen voor een verblijf in het buitenland voor de duur van meer dan vier weken met behoud van uitkering. Bij besluit van 3 juli 1998 is het verzoek van eiser door verweerder afgewezen. Eiser heeft bij bezwaarschrift van 28 juli 1998 bezwaar gemaakt tegen de afwijzing van zijn verzoek. Bij brief van 10 augustus 1998 heeft verweerder aan eiser medegedeeld dat het bezwaarschrift voor advies naar de Commissie voor bezwaar en beroep, kamer Sociale Zaken, was gezonden. Daarna heeft eiser geen bericht meer van verweerder ontvangen.
Op 13 april 1999 heeft eiser door middel van het indienen van een beroepschrift met bijlagen beroep ingesteld tegen het niet tijdig beslissen door verweerder op zijn bezwaarschrift. Bij uitspraak van deze rechtbank van 8 oktober 1999 is dit beroep gegrond verklaard en is verweerder opgedragen binnen zeven weken na datum van de uitspraak een beslissing op bezwaar te nemen, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom.
Bij besluit van 25 november 1999 heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.
Eiser heeft zich niet met dit besluit kunnen verenigen en heeft daartegen beroep ingesteld. Het beroepschrift is op 6 januari 2000 ter griffie van de rechtbank ingekomen. Bij brief van 21 februari 2000 heeft eiser nadere stukken ingediend en de gronden van beroep aangevuld.
Verweerder heeft op 2 mei 2000 de op het geding betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter openbare zitting van de rechtbank van 27 september 2000, waar eiser zonder bericht van verhindering niet is verschenen, terwijl verweerder zich heeft doen vertegenwoordigen door C. Jeurink, ambtenaar van de gemeente Enschede.




3. Overwegingen


In geschil is de vraag of het besluit van verweerder van 25 november 1999, waarbij de bezwaren van eiser tegen de weigering van toestemming om meer dan vier weken met behoud van uitkering in het buitenland te mogen verblijven, ongegrond zijn verklaard, in rechte in stand kan blijven. De rechtbank overweegt als volgt.

In artikel 7, eerste lid van de Abw is bepaald dat iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht heeft op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw heeft geen recht op bijstand degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt in het buitenland. Ingevolge het derde lid kan de minister regels stellen omtrent hetgeen wordt verstaan onder de gebruikelijke vakantieduur.
Ter uitvoering hiervan is de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw vastgesteld. Artikel 1 hiervan bepaalt dat onder gebruikelijke vakantieduur wordt verstaan dertien weken per kalenderjaar voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is en vier weken per kalenderjaar voor de overige belanghebbenden.

In artikel 113 van de Abw, waarin de verplichtingen met betrekking tot de inschakeling in de arbeid zijn opgenomen, is in het vierde lid bepaald dat de minister regels kan stellen aangaande het toepassen dan wel niet toepassen van één of meer verplichtingen, genoemd in het eerste lid, ten aanzien van één of meer categorieën belanghebbenden. Ter uitvoering hiervan is de Regeling vrijstelling verplichtingen Abw tot stand gekomen. Artikel 1 van deze regeling, zoals deze luidde ten tijde hier van belang, bepaalt dat van de verplichtingen op grond van artikel 113, eerste lid, onderdeel a tot en met f. van de Abw belanghebbenden ouder dan 57,5 jaar zijn vrijgesteld. In het tweede lid van dit artikel is bepaald dat burgemeester en wethouders, na daartoe de Arbeidsvoorzieningsorganisatie te hebben gehoord, in een bijzonder geval van het eerste lid kunnen afwijken.
Ten aanzien van degenen die op grond van artikel 113, vierde lid van de Abw zijn vrijgesteld van bepaalde verplichtingen gericht op arbeidsinschakeling kan, blijkens de parlementaire geschiedenis, in voorkomende gevallen een iets langer verblijf in het buitenland worden toegestaan.

Aan deze vrijstelling lag de overweging ten grondslag dat onder de zich destijds voordoende arbeidsmarktomstandigheden wederinpassing in het arbeidsproces van de groep werklozen van 57,5 jaar of ouder in het algemeen niet mocht worden verwacht. Naar aanleiding van verzoeken uit de samenleving om de vakantieduur voor bijstandsgerechtigden van 57,5 jaar of ouder te verruimen, is de hiervoor genoemde Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw vastgesteld.

Vaststaat dat eiser de leeftijd van 57,5 jaar nog niet heeft bereikt en dat hij om sociale redenen is vrijgesteld van de sollicitatieverplichting op grond van artikel 113 van de Abw.

Hij verkeert derhalve in een gelijke situatie als een persoon van 57,5 jaar of ouder die is ontheven van de verplichtingen als bedoeld in artikel 113 van de Abw, te meer daar gesteld noch gebleken is dat de mogelijkheid bestaat dat aan de ontheffing van de sollicitatieverplichting een eind zal komen.

In de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw is een onderscheid gemaakt naar leeftijd. Niet ieder leeftijdsonderscheid levert discriminatie op in de zin van artikel 1 van de Grondwet. Het onderscheid maken naar leeftijd is geoorloofd als daarvoor redelijke en objectieve gronden bestaan. Er moet dus gekeken worden naar het doel van dit onderscheid.

Het doel van de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw is, zo volgt uit hetgeen hiervoor reeds is overwogen, om bijstandsgerechtigden die 57,5 jaar of ouder zijn en op grond daarvan zijn ontheven van de verplichtingen met betrekking tot de arbeidsinschakeling, een langere periode van verblijf in het buitenland toe te staan dan bijstandsgerechtigden die wel moeten voldoen aan voornoemde verplichtingen. Uit de toelichting op deze regeling blijkt dat met een verblijf van dertien weken in het buitenland door iemand van 57,5 jaar of ouder de doelmatige controle op het recht op bijstand en het territorialiteitsbeginsel niet in het geding komen.

Verweerder heeft het verzoek van eiser om met behoud van uitkering dertien weken in het buitenland te mogen verblijven, afgewezen op de enkele grond dat hij de leeftijd van 57,5 nog niet had bereikt. Verweerder heeft daarbij geen rekening gehouden met de vrijstelling van de sollicitatieverplichting, noch aangegeven waarom dit er in het geval van eiser toch toe moet leiden dat hem geen verblijf van dertien weken in het buitenland met behoud van uitkering kan worden toegestaan. Gelet op het doel van de leeftijdsgrens had verweerder dit wel behoren te doen.

De rechtbank is op grond van het vorenstaande van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en gemotiveerd en wegens strijd met het bepaalde in de artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vernietigd dient te worden. Zij zal het beroep daarom gegrond verklaren.

Nu eiser geen kosten van rechtsbijstand of reiskosten gemaakt heeft, kan een veroordeling ter zake achterwege blijven.

Beslist wordt daarom als volgt:




4. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank Almelo,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
draagt verweerder op een nieuwe beslissing op het bezwaar van eiser te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is bepaald;
bepaalt dat verweerder aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad ƒ60,- vergoedt, door de gemeente Enschede te betalen aan eiser.

Gewezen en in het openbaar uitgesproken op 20 oktober 2000 door mr. K.J. Haarhuis in tegenwoordigheid van G. Kootstra als griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak staat binnen zes weken na verzending hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.