Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA8926
ECLI: ECLI:NL:RBAMS:2000:AA8926
Instantie: Rechtbank Amsterdam
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 00/3025 NABW
Datum uitspraak: 4 september 2000
Wetsartikelen: artt. 14a en 65 Abw (= – en 17 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: boete; sanctie; schending inlichtingenverplichting; niet verschijnen op heronderzoeksgesprek; bewijslast verzending en ontvangst oproeping; poststuk; beëindiging bijstand; terugvordering; niet-tijdig bezwaar
Essentie: Onterecht opgelegde boete wegens tweemaal niet verschijnen op een heronderzoeksgesprek, omdat de gemeente niet kan bewijzen dat de twee oproepingen daadwerkelijk zijn verzonden en ontvangen, welke oproepingen betrokkene stelt niet te hebben ontvangen. De beëindiging en terugvordering van de bijstand kan niet meer ongedaan worden gemaakt, daar betrokkene tegen de betreffende besluiten geen bezwaar heeft gemaakt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Amsterdam AWB 00/3025 NABW




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser;

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Diemen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 25 april 2000, nummer 01 BG710/000338.




2. Ontstaan en loop van het geding


Bij brief van 26 januari 2000 is eiser door verweerder in kennis gesteld van het voornemen om aan eiser een administratieve boete op te leggen, aangezien eiser niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting op grond van artikel 65, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) door tweemaal niet te reageren op een oproep om te verschijnen op een heronderzoeksgesprek.
Bij besluit van 9 februari 2000 heeft verweerder aan eiser een boete opgelegd van ƒ275,-.
Tegen dit besluit heeft eiser op 28 februari 2000 een bezwaarschrift ingediend.
Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard en het besluit van 9 februari 2000 gehandhaafd.
Tegen dit besluit heeft eiser bij beroepschrift van 24 mei 2000 bij deze rechtbank beroep ingesteld.
Het beroep is op 4 september 2000 ter openbare zitting van deze rechtbank behandeld. Eiser is in persoon verschenen. Verweerder is niet verschenen.




3. Motivering


Eiser heeft vanaf 1 september 1998 een bijstandsuitkering op grond van de Abw ontvangen.
Bij brief van 16 augustus 1999 is eiser door verweerder opgeroepen voor een heronderzoeksgesprek bij verweerders sociale dienst op 31 augustus 1999. Eiser is op dit gesprek niet verschenen. Vervolgens heeft de sociale dienst eiser bij brief van 31 augustus 1999 nogmaals opgeroepen voor een heronderzoeksgesprek op 9 september 1999. Op dit gesprek is eiser evenmin verschenen.
Aangezien eiser tweemaal niet op het heronderzoeksgesprek is verschenen, heeft verweerder vervolgens bij besluit van 10 september 1999 de bijstandsuitkering van eiser per 1 augustus 1999 beëindigd. Bij besluit van 28 september 1999 heeft verweerder de bijstandsuitkering van eiser over de maand augustus 1999 teruggevorderd. Eiser heeft tegen deze twee besluiten bezwaar gemaakt. Verweerder heeft dit bezwaar ongegrond verklaard en beide primaire besluiten gehandhaafd. Eiser heeft hiertegen geen beroep ingesteld.
Het geschil spitst zich toe op de vraag of verweerder terecht op grond van artikel 14a van de Abw aan eiser een boete van ƒ275,- heeft opgelegd.
Eiser heeft aangevoerd dat hij de oproepen voor een heronderzoeksgesprek niet heeft ontvangen. De oorzaak hiervan kan liggen in het feit dat eiser in een studentenflat woont en een gemeenschappelijke brievenbus heeft. Verder pasten de sleutels van de andere brievenbussen eveneens op deze brievenbus. Eiser heeft in augustus en september 1999 meerdere poststukken niet ontvangen. Ter zitting heeft eiser verklaard dat hij tegen de besluiten van verweerder om zijn uitkering te beëindigen en terug te vorderen geen beroep heeft ingesteld. Om principiële redenen heeft eiser wel tegen het bestreden besluit beroep ingesteld omdat hij geen leugenaar is, aldus eiser.
Verweerder heeft in zijn verweerschrift betoogd dat de gevolgen van een niet optimale postontvangst voor risico van eiser dienen te komen en eiser hiervoor een oplossing dient te vinden. Aangezien eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de besluiten van verweerder met betrekking tot de beëindiging en terugvordering van zijn bijstandsuitkering, maakt verweerder hieruit op dat eiser zich kan vinden in de beëindiging en terugvordering, aldus verweerder.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Verweerder heeft verwezen naar het feit dat eiser geen beroep heeft ingesteld tegen de beslissingen op bezwaar van verweerder met betrekking tot de beëindiging en de terugvordering van de bijstandsuitkering van eiser. Deze beslissingen zijn eveneens gegrond op het voornoemde feit dat eiser tweemaal niet op een heronderzoeksgesprek is verschenen en eiser derhalve niet heeft voldaan aan zijn inlichtingenverplichting ingevolge artikel 65 van de Abw.
De rechtbank begrijpt dat verweerder zich hier beroept op het feit dat deze laatste twee beslissingen en de daaraan ten grondslag liggende feiten inmiddels formele rechtskracht hebben verkregen, zodat deze feiten in de onderhavige procedure eveneens als vaststaand dienen te worden aangenomen.
De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij het bestreden besluit aan eiser de punitieve sanctie van een boete heeft opgelegd, welke sanctie kan worden aangemerkt als een criminal charge in de zin van artikel 6, eerste lid, van het Europees verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).
Gelet op het recht op een eerlijk proces, zoals neergelegd in artikel 6, eerste lid, van het EVRM en de daaraan in de jurisprudentie ontleende rechten voor de verdediging, is de rechtbank van oordeel dat de aan het bestreden besluit ten grondslag liggende feiten en omstandigheden in de onderhavige procedure opnieuw door de rechtbank dienen te worden beoordeeld en vastgesteld.
Voorts vloeit uit het punitieve karakter van de opgelegde sanctie voort dat op verweerder de bewijslast rust om aannemelijk te maken dat eiser zijn inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw heeft geschonden door tweemaal niet op een heronderzoeksgesprek te verschijnen.
Aangezien eiser heeft ontkend dat hij de twee oproepen voor het heronderzoeksgesprek heeft ontvangen en verweerder in deze procedure niet heeft aangetoond dat deze oproepen daadwerkelijk aan eiser zijn verzonden en door hem zijn ontvangen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet in zijn bewijs is geslaagd. Derhalve kan het feit dat eiser de oproepen niet heeft ontvangen niet aan hem worden tegengeworpen.
Hieruit vloeit voort dat eiser evenmin kan worden verweten dat hij niet op de heronderzoeksgesprekken is verschenen. Dit betekent dat in het geval van eiser geen sprake is van een schending van de inlichtingenplicht ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw, zodat verweerder op grond van artikel 14a van de Abw niet kon overgaan tot het opleggen van een administratieve boete aan eiser. Derhalve zal het beroep gegrond worden verklaard.
De rechtbank zal, gelet op het bepaalde in artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), zelf in de zaak voorzien. Aangezien eiser - zoals hierboven is overwogen - de oproepen voor de heronderzoeksgesprekken niet heeft ontvangen en dit gebrek bij de heroverweging van het bestreden besluit niet meer kan worden gerepareerd, zal tevens de primaire beschikking van 9 februari 2000 worden ingetrokken.
Op grond van het bepaalde in artikel 8:74, eerste lid, van de Awb, dient het door eiser gestorte griffierecht van ƒ60,- te worden vergoed. De rechtbank ziet geen aanleiding tot een proceskostenveroordeling op grond van artikel 8:75 van de Awb, aangezien niet is gebleken van proceskosten aan de zijde van eiser die voor vergoeding in aanmerking komen.
De rechtbank beslist als volgt.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
trekt in het besluit van verweerder van 9 februari 2000;
bepaalt dat de gemeente Diemen het gestorte griffierecht van ƒ60,- (zegge: zestig gulden) aan eiser vergoedt.

Gewezen door mr. H.C. Naves, rechter, in tegenwoordigheid van mr. J.E.R. Osinga als griffier en uitgesproken in het openbaar op 4 september 2000.

De griffier, De rechter,




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan binnen zes weken na toezending van deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep te Utrecht.