Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA8961
ECLI: ECLI:NL:RBSGR:2000:AA8961
Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 99/3825 ABW
Datum uitspraak: 19 januari 2000
Wetsartikelen: artt. 14, 42, 47, 65 en 106 Abw (= 18, 31, 32, 17 en 55 Wwb)
Trefwoorden: inkomsten; uitgesteld inkomen; koopsompolis met lijfrenteclausule; ontslag; afkopen; afkoopsom; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; afzien van maatregel
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand, omdat de vanwege ontslag overeengekomen koopsompolis met lijfrenteclausule - vergelijkbaar met een in contanten uitbetaalde schadeloosstelling wegens ontslag - uitgesteld inkomen vertegenwoordigd dat kan worden afgekocht. Schending van de inlichtingenverplichting heeft i.c. niet tot een maatregel geleid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank 's-Gravenhage 99/3825 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) inzake:

[eiseres], geboren [...] 1943, wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen 

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rijnsburg, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Het besluit van verweerder van 23 maart 1999, kenmerk 91870288/sszw.




2. Zitting


Datum: 23 december 1999.
Eiseres is niet verschenen.
Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door R. van Hest, ambtenaar bij de gemeente Rijnsburg.




3. Feiten


Eiseres is op 1 januari 1974 in dienst getreden als gezinshelpster bij bejaarden, thans genoemd thuishulp A, bij (thans) de Stichting Z, gevestigd te Y (hierna: de Stichting). Laatstelijk was eiseres werkzaam gedurende 18 uur per week.

Aan eiseres is met ingang van 4 juni 1982 een aanvullende uitkering krachtens de toenmalige op de (oude) Algemene Bijstandswet (ABW) gebaseerde Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) toegekend.

In verband met de inwerkingtreding per 1 januari 1996 van de (nieuwe) Algemene bijstandswet (Abw) heeft op 23 januari 1996 een herbeoordeling van het recht van eiseres op bijstand plaatsgevonden. Blijkens de naar aanleiding hiervan door een medewerker van de afdeling Sociale Zaken (afdeling SZ) opgestelde rapportage heeft eiseres in dat kader aangegeven dat zij binnenkort stopt met werken omdat zij bepaalde taken volgens de Stichting niet meer naar behoren uitvoert.

In de rapportage is vermeld dat eiseres de afdeling SZ op de hoogte zal houden en dat moet worden gelet op de inkomstenverklaringen. Tevens is een "heronderzoek inschrijving GAB" gepland in april 1996 en een regulier heronderzoek in januari 1997.

Vervolgens heeft verweerder bij besluit van 26 maart 1996 de Rww-uitkering van eiseres beëindigd en haar per 1 maart 1996 een uitkering op grond van de Abw toegekend naar de norm voor een alleenstaande.

Op 4 februari 1997 heeft een heronderzoek naar het recht van eiseres op bijstand plaatsgevonden. In de naar aanleiding hiervan opgestelde rapportage d.d. 5 februari 1997 is geconstateerd dat de in vorengenoemde rapportage d.d. 23 januari 1996 geplande heronderzoeken kennelijk niet zijn ingesteld. Uit het heronderzoek is naar voren gekomen dat het dienstverband van eiseres met de werkgever inmiddels is verbroken. Eiseres heeft daarbij gezegd dat er een procedure tegen de Stichting loopt. Zij heeft een groot pak met allerlei stukken met betrekking tot haar ontslag laten zien. Geconcludeerd is dat er een onderzoek zal moeten komen naar het ontslag en de gevolgen daarvan, waartoe ook opdracht is gegeven.

In een rapportage van 4 november 1997 is geconstateerd dat het in vorengenoemde rapportage d.d. 5 februari 1997 opgedragen onderzoek naar het ontslag van eiseres door een misverstand niet is uitgevoerd en dat dat alsnog moet gebeuren. Hiertoe is eiseres bij brief d.d. 26 november 1997 uitgenodigd voor een gesprek op 2 december 1997 met een bijstandsmaatschappelijk werker. Dit heeft ertoe geleid dat eiseres stukken met betrekking tot de beëindiging van het dienstverband aan de afdeling SZ heeft overgelegd en dat door de afdeling SZ aanvullende gegevens zijn opgevraagd bij de werkgever en een financieel adviesbureau. Onder deze stukken bevindt zich een brief van de Stichting d.d. 16 februari 1996, waarbij deze met gebruikmaking van de daartoe door de directeur van het Arbeidsbureau Y verleende toestemming vorengenoemde arbeidsverhouding met eiseres met ingang van 6 juli 1996 heeft beëindigd. Uit bedoelde stukken blijkt dat de Stichting in dat verband met eiseres is overeengekomen dat:
- ten gunste van haar bij Nationale-Nederlanden Levensverzekering Maatschappij NV (hierna: NN) een koopsompolis met lijfrenteclausule ter waarde van ƒ25.000,- zal worden afgesloten, welke ingaande 1 maart 2008 bij het bereiken van de leeftijd van 65 jaar tot uitkering komt;
- een koopsompolis ad ƒ8917,04 ter afdekking van pensioenverlies zal worden afgesloten; en
- een bedrag van ƒ5000,- netto aan haar zal worden overgemaakt.

Bij besluit d.d. 13 oktober 1998 heeft verweerder, voor zover hier van belang, aan eiseres meegedeeld dat:
- de koopsompolis ad ƒ8917,04 buiten beschouwing zal worden gelaten, aangezien dit is gericht op het bieden van compensatie van gederfd aanvullend pensioen na het bereiken van de 65-jarige leeftijd;
- het contant betaalbaar gestelde bedrag ad ƒ5000,- wordt aangemerkt als een immateriële schadevergoeding als bedoeld in artikel 52, eerste lid, onderdeel e, van de Abw en derhalve eveneens buiten beschouwing zal worden gelaten;
- de koopsompolis ter waarde van ƒ25.000,- wordt aangemerkt als een middel in de zin van artikel 42 van de Abw en, nu zij inkomenskarakteristieken in zich draagt, gezien artikel 47 van de Abw, bij de beoordeling van het recht op bijstand volledig in ogenschouw dient te worden genomen.

Op grond hiervan heeft verweerder bij genoemd besluit aan de verdere verlening van bijstand de voorwaarde verbonden dat eiseres binnen één maand na dagtekening van deze beschikking tot afkoop van de koopsompolis ad ƒ25.000,- overgaat en de daaruit ontvangen gelden, na aftrek van de over de afkoop verschuldigde belastinggelden, aan verweerder ter beschikking stelt ter verrekening van de aan eiseres verstrekte bijstand.
Voorts heeft verweerder in genoemd besluit geconstateerd dat eiseres in het verleden de op grond van de ABW, c.q. Abw, op haar rustende inlichtingenverplichting niet correct is nagekomen en overwogen dat verweerder aanleiding heeft gezien, gegeven de individuele omstandigheden, geen maatregel op grond van artikel 14 van de Abw toe te passen.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief d.d. 24 november 1998 bezwaar gemaakt bij verweerder. Omtrent dit bezwaar is eiseres gehoord door de Onafhankelijke Adviescommissie voor de behandeling van bezwaar- en beroepschriften (de commissie) op 4 januari 1998. Deze commissie heeft op 11 januari 1998 aan verweerder geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren en het besluit d.d. 13 oktober 1998 te handhaven. De commissie heeft in haar advies overwogen dat de vraag bestaat of het van behoorlijk bestuur getuigt om, gegeven de omstandigheden van het geval, 2,5 jaar na dato bij de beoordeling van het verdere recht van eiseres op bijstandverlening alsnog consequenties te verbinden aan de financiële aanspraken die in 1996 door de voormalig werkgever aan eiseres zijn verleend. Gelet op hetgeen ter hoorzitting naar voren is gekomen, acht de commissie het niet onaannemelijk dat ten tijde van het ontslag van eiseres door de gemeente is nagelaten op basis van de toen bekende gegevens over het ontslag alsnog een zelfstandig onderzoek uit te voeren. Indien de gemeente dit onderzoek reeds in juli 1996 had gepleegd, had naar het oordeel van de commissie voorkomen kunnen worden dat 2,5 jaar later alsnog de koopsompolis ten bedrage van ƒ25.000,- van eiseres wordt teruggevorderd.

Bij het bestreden besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard.
In dat besluit heeft verweerder naar aanleiding van de hiervoor weergegeven overwegingen van de commissie zich op het standpunt gesteld dat er geen redenen aanwezig zijn om aan te nemen dat hem onbehoorlijk bestuur kan worden verweten. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de zakelijke weergave van het verhandelde ter hoorzitting geen getrouw en volledig beeld geeft van die hoorzitting en dat verweerder van mening blijft dat eiseres niet tijdig de benodigde informatie heeft verstrekt.

Tegen het bestreden besluit heeft eiseres bij brief d.d. 3 mei 1999 beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend en de op de zaak betrekking hebbende stukken ingezonden.




4. Bewijsmiddelen


De gedingstukken en het verhandelde ter zitting.




5. Motivering


Het bestreden besluit strekt tot handhaving van het primaire besluit d.d. 13 oktober 1998, waarbij verweerder aan (voortzetting) van de aan eiseres op grond van de Abw verleende bijstand de voorwaarde heeft verbonden dat zij binnen één maand na dagtekening van dat besluit tot afkoop van de koopsompolis ad ƒ25.000.- overgaat en de daaruit ontvangen gelden, na aftrek van de over de afkoop verschuldigde belastinggelden, aan verweerder ter beschikking stelt ter verrekening van de aan haar verstrekte bijstand. Naar verweerders gemachtigde ter zitting heeft bevestigd, heeft verweerder hierbij toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 106 van de Abw. Ingevolge die bepaling, voor zover hier van belang, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand verplichtingen verbinden die strekken tot vermindering of beëindiging van de bijstand.

Dit geding is toegespitst op de vraag of verweerder vorengenoemde voorwaarde terecht onder toepassing van voormeld artikel 106 aan de (voortzetting van de) bijstand aan eiseres heeft verbonden. Anders dan eiseres gezien het beroepschrift blijkbaar veronderstelt, is geen sprake van een besluit waarbij de bijstandsuitkering van eiseres met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw is herzien op de grond dat zij de ingevolge artikel 65, eerste lid, van die wet op haar rustende inlichtingenplicht niet is nagekomen. Hetgeen eiseres in dat verband in beroep naar voren heeft gebracht, vat de rechtbank aldus op dat zij zich op het standpunt stelt dat zij in verband met de omzetting van haar Rww-uitkering in een uitkering op grond van de Abw alle met de beëindiging van haar dienstbetrekking verband houdende bescheiden aan de afdeling SZ heeft overgelegd en dat verweerder derhalve handelt in strijd met de rechtszekerheid door 2,5 jaar later vorengenoemde voorwaarde alsnog aan de haar toegekende bijstand te verbinden.

Blijkens de gedingstukken en het verhandelde is verweerder van mening dat de in geding zijnde voorwaarde strekt tot vermindering van de aan eiseres toegekende bijstand, zodat, gelet op artikel 106 van de Abw, de bevoegdheid aanwezig was om deze voorwaarde aan het verlenen van bijstand aan eiseres te verbinden. Hiertoe heeft verweerder overwogen dat de door de Stichting ten behoeve van eiseres afgesloten koopsompolis met lijfrenteclausule ter waarde van ƒ25.000,- uitgesteld inkomen als bedoeld in artikel 47, tweede lid, van de Abw vertegenwoordigt, dat op grond van die bepaling in aanmerking moet worden genomen naar de periode waarin dit is verworven. Verweerder meent dat sprake is van een vergoeding door de Stichting aan eiseres wegens door haar tengevolge van de beëindiging van de dienstbetrekking gederfd loon. Verweerder meent steun voor dit standpunt te kunnen ontlenen aan de voorwaarden waaronder de koopsom blijkens de polis is afgesloten en aan een brief van de Belastingdienst d.d. 14 maart 1996. Verweerder acht het niet onredelijk van eiseres te vergen dat zij tot afkoop van de polis overgaat.
Indien de tot afkoop strekkende verplichting niet zou worden opgelegd, zou eiseres zich na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar, in een periode waarin zij niet langer is aangewezen op bijstand, middelen verwerven die gerelateerd zijn aan een ten tijde van de bijstandverlening verbroken dienstbetrekking en zich aldus in de toekomst verrijken ten koste van de gemeenschap.
Ook overigens heeft verweerder geen redenen gezien op grond waarvan zou moeten worden afgezien van het verbinden van de in geding zijnde voorwaarde aan het verlenen van bijstand aan eiseres.

De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de onderhavige koopsom ad ƒ25.000,- met lijfrenteclausule uitgesteld arbeidsinkomen, verband houdend met de beëindigde dienstbetrekking bij de Stichting, vertegenwoordigt, welk inkomen op grond van artikel 47, tweede lid, van de Abw in aanmerking moet worden genomen.
Terecht heeft verweerder daartoe betekenis toegekend aan de brief van de Belastingdienst aan de Stichting d.d. 14 maart 1996 en de voorwaarden waaronder de koopsompolis met lijfrenteclausule is afgesloten. Uit genoemde brief blijkt immers dat de Belastingdienst daarbij de op grond van die polis te zijner tijd aan eiseres toe te kennen periodieke uitkeringen op verzoek van de Stichting heeft aangemerkt als een aanspraak op periodieke uitkeringen ter vervanging van gederfd of te derven loon in de zin van artikel 11, eerste lid, onderdeel e, van de Wet op de loonbelasting 1994, onder de voorwaarde dat op de polis wordt aangetekend dat de uitkeringen worden aangemerkt als loon uit vroegere dienstbetrekking, niet zijnde pensioen of soortgelijke beloning. Een dergelijke voorwaarde is blijkens de gedingstukken feitelijk ook in de polisvoorwaarden opgenomen. De rechtbank merkt in dit verband verder nog op dat in de polisvoorwaarden tevens uitdrukkelijk is vermeld dat de verzekering verband houdt met een door verzekerde binnen het Rijk uitgeoefende dienstbetrekking. Op grond van deze feiten kan aan de waarde van de polis het karakter van inkomen in verband met arbeid, zijnde de dienstbetrekking van eiseres met de Stichting, naar het oordeel van de rechtbank niet worden ontzegd. Vaststaat dat de koopsompolis kan worden afgekocht: blijkens een brief van NN aan eiseres d.d. 5 juni 1998 bedraagt de afkoopwaarde per 1 april 1998 ƒ28.842,-. Nu het afkoopbedrag feitelijk eerst na daadwerkelijke afkoop en in dit opzicht derhalve achteraf, dat wil zeggen na de beëindiging van de dienstbetrekking met de Stichting, aan eiseres wordt uitbetaald, moet het als zodanig in verband met die dienstbetrekking tot uitkering komend inkomen als uitgesteld in de zin van artikel 47, tweede lid, van de Abw worden beschouwd.

Mede gelet op de hoogte van de afkoopwaarde van de polis, betekent dit derhalve dat bij verrekening van dit inkomen met de aan eiseres toegekende bijstand over de daarvoor op grond van evengenoemde bepaling in aanmerking te nemen periode eiseres geen recht kan doen gelden op bijstand, althans de bijstand dient te worden verminderd.

Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat de in geding zijnde voorwaarde strekt tot vermindering of beëindiging van de bijstand. Verweerder was derhalve op grond van artikel 106 van de Abw bevoegd de in geding zijnde voorwaarde te verbinden aan de voortzetting van de bijstand aan eiseres.

De rechtbank stelt voorts vast dat evengenoemde bevoegdheid, gelet op het bepaalde in artikel 106, voormeld, van discretionaire aard is. De wijze waarop verweerder van deze bevoegdheid gebruik maakt, dient derhalve door de rechtbank terughoudend te worden getoetst.

In hetgeen namens eiseres is aangevoerd en overigens uit de gedingstukken en het verhandelde ter zitting naar voren is gekomen, ziet de rechtbank onvoldoende grond voor het oordeel dat verweerder niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot het verbinden van de in geding zijnde voorwaarde aan het verlenen van bijstand aan eiseres.

Uit de hiervoor in rubriek 3 van deze uitspraak weergegeven rapportages blijkt dat de afdeling SZ herhaaldelijk heeft verzuimd uitvoering te geven aan geplande heronderzoeken. Deze nalatigheid kan kwalijk anders dan als onzorgvuldig worden gekwalificeerd. Indien de afdeling SZ de geplande heronderzoeken wel zou hebben ingesteld, zou het bestaan van de onderhavige koopsompolis wellicht eerder dan thans het geval is geweest aan het licht zijn gekomen en eiseres eerder met de gevolgen daarvan voor de voortzetting van de aan haar toegekende bijstand zijn geconfronteerd.

Eén en ander brengt naar het oordeel van de rechtbank echter niet met zich dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het rechtszekerheidsbeginsel door bij het bestreden besluit alsnog aan de bijstandverlening de in geding zijnde voorwaarde te verbinden. Hiertoe overweegt de rechtbank in de eerste plaats dat de Abw blijkens het bepaalde in artikel 47, tweede lid, verweerder in beginsel verplicht tot het in aanmerking nemen van uitgesteld inkomen als bedoeld in dat artikel. Naar het oordeel van de rechtbank is in dit geval geen sprake van zo uitzonderlijke omstandigheden dat op deze verplichting in het kader van de toepassing van artikel 106 van de Abw inbreuk zou moeten worden gemaakt. In dit verband merkt de rechtbank op dat haar met betrekking tot de onderhavige koopsompolis de vergelijking opdringt met een door de werkgever aan een ex-werknemer in contanten uitbetaalde schadeloosstelling wegens ontbinding van een arbeidsovereenkomst. Een dergelijke vergoeding moet als regel worden geacht te zijn bestemd voor de bestaansvoorziening na ontbinding van de arbeidsverhouding en als zodanig bij de beoordeling van het recht op bijstand worden betrokken. Niet valt in te zien waarom bij een constructie als de onderhavige betrokkene zou moeten worden bevoordeeld ten koste van een uitkering uit de algemene middelen in de vorm van een ongekorte bijstandsuitkering. Voorts neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres in het kader van het heronderzoek d.d. 23 januari 1996 weliswaar aan de afdeling SZ heeft gemeld dat zij binnenkort zou stoppen met werken, maar dat zij nadien verweerder niet uit eigen beweging tijdig op de hoogte heeft gehouden van de ontwikkelingen ter zake, c.q. de in dat verband met de Stichting gemaakte afspraken. Zij was op grond van artikel 65, eerste lid, van de Abw wel gehouden dit te doen. Vorengenoemde onzorgvuldigheid van verweerder ontslaat eiseres niet van de in dit artikel neergelegde inlichtingenplicht. Overigens heeft zij blijkens de rapportage d.d. 23 januari 1996 ook toegezegd dat zij de afdeling SZ op de hoogte zou houden met betrekking tot de beëindiging van haar dienstbetrekking bij de Stichting.

Anders dan eiseres heeft gesteld, is de rechtbank uit de gedingstukken niet gebleken dat eiseres overeenkomstig de op haar rustende inlichtingenplicht verweerder onverwijld op de hoogte heeft gesteld van de voor de vaststelling van haar recht op bijstand van belang zijnde gegevens met betrekking tot de in het kader van de beëindiging van haar dienstbetrekking gemaakte financiële afspraken.

De rechtbank ziet in de gedingstukken en het verhandelde ter zitting, waar eiseres, noch haar gemachtigde zijn verschenen, onvoldoende grond voor het oordeel dat eiseres in verband met haar beperkte geestelijke vermogens in het geheel niet begreep dat één en ander van belang zou zijn in het kader van de aan haar toegekende bijstand, althans dat zij buiten staat was te onderkennen dat zij er goed aan zou doen in verband met de gang van zaken rond de beëindiging van haar dienstverband zich met het oog op de beoordeling van het recht op bijstand ter behartiging van haar belangen te laten bijstaan door een derde. Hierbij is van belang dat zij zowel in het kader van de beëindiging van de dienstbetrekking als de bijstandverlening de hulp van ene mevrouw X heeft ingeroepen.
Overigens is hiermee niet gezegd dat, indien zou zijn komen vast te staan dat eiseres niet kan worden aangerekend dat zij bedoelde inlichtingen niet uit eigen beweging en tijdig heeft verschaft, dit zonder meer tot het oordeel zou hebben geleid dat verweerder niet in redelijkheid tot het verbinden van de in geding zijnde voorwaarde zou hebben kunnen besluiten, dan wel dat dit in strijd met de rechtszekerheid zou moeten worden geacht.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de rechtbank niet gebleken.




6. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.




7. Rechtsmiddel


Onverminderd het bepaalde in artikel 6:13 juncto artikel 6:24 Awb kunnen een belanghebbende en het bestuursorgaan tegen deze uitspraak binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep.




Aldus gegeven door mr. S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 19 januari 2000 in tegenwoordigheid van de griffier.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden: 21 januari 2000.