Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AA9801
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:2000:AA9801
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 00/796 NABW
Datum uitspraak: 23 januari 2000
Wetsartikelen: art. 113 Abw (= 9 Wwb)
Trefwoorden: arbeidsverplichtingen; ontheffing; vrijstelling; medisch onderzoek; keuring; advies; verlies van procesbelang
Essentie: Niet-ontvankelijkverklaring beroep wegens verlies van procesbelang, omdat de gemeente inmiddels aan het bezwaar is tegemoet gekomen door - naar aanleiding van medisch advies - betrokkene wederom volledig te ontheffen van de arbeidsverplichtingen.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Zutphen 00/796 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Zutphen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 27 juni 2000.




2. Feiten


Eiseres ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw).
Bij besluit van 29 maart 2000 heeft verweerder besloten aan eiseres, die tot dat moment volledig was ontheven van die verplichtingen, de verplichtingen op te leggen als bedoeld in artikel 113, eerste lid, van de Abw. Tegen dat besluit heeft eiseres bezwaar gemaakt.
Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder dit bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard en besloten eiseres “niet de volledige arbeidsverplichting op te leggen, maar tot september 2000 te beginnen met een oriëntatiefase in overleg met de trajectconsulent”.




3. Procesverloop


Namens eiseres heeft mw. mr. A. van Bon-Moors, advocaat te Nijmegen, beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden. Desgevraagd heeft verweerder deze stukken nadien aangevuld.

Het beroep is behandeld ter zitting van 9 januari 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mw. mr. Van Bon-Moors voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heren B.H.P.G. Buiting en A.G. Roesink.




4. Gronden


De rechtbank overweegt het volgende.

Naar ter zitting namens verweerder is toegelicht houdt het bestreden besluit in een gedeeltelijke ontheffing van de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw.
De periode tot de zomervakantie 2000 is aangemerkt als oriëntatiefase, waarin van eiseres slechts werd verlangd dat zij het vrijwilligerswerk dat zij als handwerkbegeleidster voor maximaal 4 uur per week reeds verrichtte op de vrije school “[school]” te [woonplaats] zou voortzetten. In september 2000 zou een evaluatie plaatsvinden en vervolgens zou een nieuw traject worden vastgelegd.
Ter zitting is gebleken dat die beoogde evaluatie, evenals nadere besluitvorming, is uitgebleven in afwachting van door verweerder inmiddels gevraagd medisch advies.

Desgevraagd is daarop namens verweerder ter zitting verklaard dat het bestreden besluit aldus moet worden begrepen dat vanaf september 2000 geldt dat eiseres (weer) volledig is ontheven van de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw.
Verder is namens verweerder verklaard dat eiseres zich tot september 2000 heeft gehouden aan de ingevolge het bestreden besluit voor haar geldende verplichtingen.

Gelet daarop komt de rechtbank tot de conclusie dat eiseres, die blijkens haar beroep meent volledig vrijgesteld te moeten worden van de verplichtingen van artikel 113, eerste lid, van de Abw, geen procesbelang meer heeft bij een inhoudelijke beoordeling van dat beroep.

Bezwaren tegen het door verweerder mogelijk in de toekomst (weer) geheel of gedeeltelijk opleggen van de arbeidsverplichting dienen in het kader van de daartoe strekkende toekomstige besluitvorming aan de orde te komen.

Het beroep moet daarom niet-ontvankelijk worden verklaard.

Het griffiegeld zal door verweerders gemeente aan eiseres dienen te worden vergoed, nu het instellen van het beroep noodzakelijk is geweest om duidelijkheid te verkrijgen omtrent de precieze strekking van verweerders besluitvorming. Om dezelfde reden is er aanleiding om verweerder te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken. Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd.

Het vorenstaande leidt tot de slotsom dat beslist moet worden als hierna is aangegeven.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep niet-ontvankelijk;
- bepaalt dat de gemeente Zutphen het betaalde griffierecht van ƒ60,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van ƒ1420,-, te betalen door de gemeente Zutphen.

Aldus gegeven door mr. L.J.P. Lambooij en in het openbaar uitgesproken op 23 januari 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.