Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB0596
ECLI: ECLI:NL:RBSGR:2000:AB0596
Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 99/12344 ABW
Datum uitspraak: 8 december 2000
Wetsartikelen: artt. 30, 57, 58 en 59a ABW (= 65, 81, 82 en 84 Abw) (= 17, 58, 58 en 59 Wwb) / 32 en 69 Abw (= 24 en 54 Wwb) / 8:69 Awb
Trefwoorden: inkomsten; WW-uitkering; ZW-uitkering; schending inlichtingenverplichting; terugvordering; gezamenlijke huishouding met illegale vreemdeling; hoofdelijke aansprakelijkheid
Essentie: Terechte terugvordering van bijstand wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid en WW- en ZW-uitkering, met dien verstande dat eisers partner over de periode dat zij nog illegale vreemdeling was niet mede hoofdelijk aansprakelijk kan worden gesteld, aangezien zij in die periode niet bijstandsgerechtigd was. Terecht zijn haar inkomsten in die periode slechts in aanmerking genomen voor zover daarmee het gezamenlijke inkomen de gehuwdennorm te boven ging.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank 's-Gravenhage AWB 99/12344 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], verder te noemen eiser, en [eiseres], verder te noemen eiseres, beiden wonende te [woonplaats],

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verder te noemen verweerster.




1. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 16 oktober 1998 heeft verweerster het recht op bijstand over de periode van 18 oktober 1993 tot en met 31 januari 1998 op grond van artikel 69, derde lid, Algemene bijstandswet (Abw) herzien. De als gevolg van de herziening te veel betaalde bijstand ad ƒ80.331,41 heeft verweerster op grond van artikel 81 Abw teruggevorderd.

Bij brief van 30 oktober 1998 en nader aangevuld bij brief van 24 december 1998 hebben eiser en eiseres bezwaar gemaakt tegen het besluit van 16 oktober 1998.

Bij besluit van 5 november 1999, verzonden op 23 november 1999, heeft verweerster de bezwaren van eiser en eiseres gericht tegen het besluit van 16 oktober 1998 ongegrond verklaard onder wijziging van de wettelijke grondslagen van het besluit.

Tegen dit besluit hebben eiser en eiseres bij brief van 30 december 1999, en van gronden voorzien bij brief van 21 maart 2000, beroep ingesteld.

Het beroep is op 23 november 2000 ter zitting behandeld.
Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mevrouw mr. M.J. Zennipman.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer G.R.L. Berkes.




2. Motivering


De rechtbank staat voor de vraag of verweerster op goede gronden, zoals deze gewijzigd zijn in het besluit op bezwaar van 5 november 1999, is overgegaan tot terugvordering van ƒ80.331,41 aan verleende bijstand op zowel eiser als op eiseres.

Verweerster heeft aan het bestreden besluit, samengevat, het volgende ten grondslag gelegd. Over de periode 18 oktober 1993 tot en met maart 1997 is gebleken dat eiseres inkomsten uit arbeid heeft ontvangen.
Daarnaast is gebleken dat eiser over de periode 14 februari 1994 tot 14 juli 1997 inkomsten uit een uitkering ingevolge de Werkloosheidswet (WW) ontving en over de periode 14 juli 1997 tot 20 april 1998 inkomsten uit een uitkering ingevolge de Ziektewet (ZW).

Verweerster stelt dat eiser bovengenoemde inkomsten van hemzelf en van eiseres tot 5 februari 1998 niet heeft gemeld en hiermee niet heeft voldaan aan de inlichtingenplicht zoals gesteld in artikel 30, tweede lid, Algemene Bijstandswet (ABW) en artikel 65, eerste lid, Abw. Hierdoor is over de periode van 18 oktober 1993 tot en met 31 januari 1998 een bedrag van in totaal ƒ80.331,41 te veel aan bijstand toegekend. Dit bedrag wordt op grond van de artikelen 57, onderdeel a en d, 58 en 59a ABW en 81, 82 en 84 Abw van eiser en eiseres teruggevorderd.

Hiertegen is namens eiser in beroep, samengevat, het volgende naar voren gebracht. Eiser is van mening dat hij terecht in de veronderstelling verkeerde volledige en juiste gegevens te hebben overgelegd. Eiser verkeerde in de veronderstelling dat zijn uitkering werd verrekend tussen Cadans en de DSZW [Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidprojecten, red.] en voorts dat de WW en ZW niet onder de noemer inkomsten vielen. Daarnaast meende hij dat de inkomsten van zijn partner/eiseres niet meetelde aangezien zij illegaal was en hij een uitkering naar de norm van een alleenstaande ontving. Eiser is voorts van mening dat hem niet kan worden verweten onjuiste inlichtingen te hebben verstrekt nu hij de vragen over zijn partner/eiseres, mede door zijn taalprobleem, niet heeft ingevuld. Eiser is van mening dat het op de weg van de DSZW had gelegen om te vragen waarom deze vragen niet werden ingevuld. Eiser is van mening dat ten onrechte de partner/eiseres over de gehele periode als mede hoofdelijk aansprakelijk wordt beschouwd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Met betrekking tot de inkomsten van eiseres over de periode 18 oktober 1993 tot en met maart 1997 merkt de rechtbank het volgende op.
Eiser en eiseres vormden ten tijde van de bijstandverlening een gezamenlijke huishouding. Bij de vaststelling of een belanghebbende in bijstandsbehoevende omstandigheden verkeert zoals neergelegd in artikel 1, eerste en tweede lid, ABW dient rekening te worden gehouden met alle middelen waarover het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Dit beginsel blijft overeind staan ook in het onderhavige geval waarbij eiseres op grond van het ontbreken van een verblijfsvergunning geen recht op bijstand had. In het geval zij over inkomsten ging beschikken, diende hier bij de bijstandverlening rekening mee te worden gehouden. Eiser diende dit op grond van de inlichtingenplicht zoals gesteld in artikel 30, tweede lid, ABW en artikel 65, eerste lid, Abw te melden. Onder de werking van de (oude) ABW is dit uitgangspunt terug te vinden in de Circulaire van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 28 mei 1991, nr. SZ/BV/UKB/MZM/5518, inzake bijstandverlening aan vreemdelingen. In deze circulaire wordt ingegaan op de afstemming van de bijstand bij een gezamenlijke huishouding met een illegale vreemdeling of asielzoeker. De afstemming houdt in dat aan de rechthebbende partner bijstand wordt toegekend naar de norm van een alleenstaande dan wel alleenstaande ouder en dat met het inkomen van de illegale of asielzoekende partner rekening wordt gehouden voor zover dat inkomen ten goede komt aan de bijstandsgerechtigde. Hiervan kan in de regel worden uitgegaan indien en voor zover het gezamenlijke inkomen het normbedrag voor een echtpaar overschrijdt. Zie hiertoe ook de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 20 juni 1995 ABW 1994/588. Onder de (nieuwe) Abw is dit uitgangspunt terug te vinden in artikel 32.

Uit gedingstuk B61 blijkt dat verweerster bovengenoemde systematiek heeft toegepast bij de berekening van de te veel verstrekte bijstand. Het deel van de inkomsten van eiseres dat het verschil tussen de bijstandsnorm van eiser en de gezinsnorm voor een echtpaar vormde, is hiermee buiten beschouwing gebleven. Het meerdere diende te leiden tot een lagere bijstandverlening aan eiser. Nu dit niet is gebeurd doordat deze inkomsten niet zijn opgegeven, vordert verweerster terecht dit deel van de verleende bijstand van eiser terug.

Ten aanzien van de inkomsten van eiser over de periode 14 juli 1997 tot en met 31 januari 1998.
Eiser heeft inkomsten uit WW- en ZW-uitkering ontvangen welke hij niet heeft opgegeven opdat hiermee bij de bijstandverlening rekening kon worden gehouden. De door eiser aangevoerde bezwaren dat hij meende te voldoen aan de inlichtingenplicht en dat voor zover dit niet het geval was dit mede veroorzaakt werd door een taalprobleem kan de rechtbank niet volgen mede gelet op de voorgeschiedenis van eiser waarbij hij onder andere in 1993 reeds werd geconfronteerd met het niet opgeven van inkomsten uit arbeid, hetgeen leidde tot een terugvordering. Daarnaast heeft eiser aangevoerd in de veronderstelling te verkeren dat de inkomsten uit WW en ZW met de bijstand werden verrekend. Ook voor deze veronderstelling kan de rechtbank geen rechtvaardigingsgrond vinden aangezien dit onverlet laat dat eiser de inkomsten op grond van de inlichtingenplicht diende te vermelden en dit heeft nagelaten.

Verweerster heeft derhalve terecht de te veel verstrekte bijstand op grond van artikel 57 aanhef en onder a en d, in relatie met artikel 30, tweede lid, ABW alsmede artikel 58 ABW van eiser teruggevorderd over de periode dat de (oude) ABW van toepassing was. Voor de periode dat de (nieuwe) Abw van toepassing was, heeft verweerster de periode tot 1 juli 1997 de te veel betaalde bijstand terecht teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid, Abw in relatie met artikel 65, eerste lid, Abw alsmede artikel 82 Abw. Voor de periode van 1 juli 1997 tot en met 31 januari 1998 is de bijstand terecht herzien op grond van artikel 69, derde lid, Abw en de te veel betaalde bijstand teruggevorderd op grond van artikel 81, eerste lid, Abw. Ten aanzien van de door verweerster gehanteerde rechtsgrond van artikel 82, tweede lid, Abw merkt de rechtbank op dat het besluit duidelijkheid zou moeten geven voor welk deel van de vordering deze rechtsgrond wordt gehanteerd, dit mede vanwege de rechtsgevolgen inzake de verjaringstermijn. Bovendien ziet de rechtbank niet in wat artikel 81, tweede lid, Abw toevoegt aan het besteden besluit naast de reeds gehanteerde rechtsgrond van artikel 81, eerste lid, Abw. De rechtbank ziet dan ook aanleiding om met toepassing van artikel 8:69, tweede lid, Awb, de rechtsgrond van artikel 81, tweede lid, Abw te laten vervallen.

Met betrekking tot de toepassing van artikel 59a ABW en 84 Abw waarmee eiseres hoofdelijk aansprakelijk is gesteld ten aanzien van de gehele vordering overweegt de rechtbank het volgende.

Vanaf 13 oktober 1997 wordt de bijstand aan eiser en eiseres als gezinsbijstand naar de norm van een echtpaar verstrekt. Het deel van de vordering dat ziet op de ten onrechte verstrekte bijstand van 13 oktober 1997 tot en met 31 januari 1998 kan terecht met toepassing van artikel 84, eerste en derde lid, Abw van eiseres worden teruggevorderd.

De rechtbank is echter van mening dat eiseres niet hoofdelijk aansprakelijk gesteld kan worden voor het deel van de vordering van ten onrechte verleende bijstand over de periode 18 oktober 1993 tot 13 oktober 1997 aangezien het bepaalde in artikel 59a ABW en 84 Abw op haar niet van toepassing is.

De rechtbank komt tot dat oordeel aangezien eiseres over de desbetreffende periode geen recht op bijstand had. De terugvorderingsgrondslag van artikel 59a ABW en 84 Abw werden ingevoerd vanuit de overweging dat het als onredelijk werd ervaren dat een verzwegen partner de terugvorderingsdans ontspringt, terwijl hij wel heeft meegeprofiteerd van de ten onrechte verstrekte bijstand (Wet van 15 april 1992, Stb. 1992, 193, inwerkingtreding 1 augustus 1992, toelichting in Nota naar aanleiding van het eindverslag, II 1988-1989, 20598, nr. 9 p. 16 [lees: nota naar aanleiding van het verslag, Kamerstukken II 1988-1989, 20 598, nr. 9, blz. 16, red.]). In dit geval kan niet gesteld worden dat eiseres gedurende de periode van 18 oktober 1993 tot 13 oktober 1997 van de bijstand heeft meegeprofiteerd. De rechtbank is uit de totstandkomingsgeschiedenis evenwel niet gebleken dat de bepalingen van genoemde artikelen zo uitgelegd dienen te worden dat zij mede betrekking hebben op het onderhavige geval. Voor een dergelijke extensieve uitleg ziet de rechtbank geen ruimte en concludeert zij dat de Abw niet voorziet in een terugvordering op eiseres gedurende de periode dat zij geen recht op bijstand had.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep gegrond te worden verklaard wegens strijd met artikel 59a ABW en 84 Abw voor zover het besluit betrekking heeft op eiseres en ongegrond voor zover het besluit betrekking heeft op eiser.
Verweerster dient een nieuw besluit op bezwaar te nemen rekening houdend met hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De president ziet aanleiding om verweerder met toepassing van artikel 8:75 Awb te veroordelen in de door verzoeker in verband met de behandeling van het beroep gemaakte kosten. Deze kosten zijn op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op ƒ1420,-. Daarbij is 1 punt toegekend voor het indienen van een beroepsschrift door een advocaat en 1 punt voor de aanwezigheid ter zitting van de advocaat, met een wegingsfactor voor de zaak van 1 (gemiddeld), terwijl de waarde per punt ƒ710,- bedraagt.

Aangezien ten behoeve van verzoeker een toevoeging is afgegeven, dient ingevolge het tweede lid van artikel 8:75 Awb de betaling van bovengenoemd bedrag te geschieden aan de griffier van deze rechtbank. Het door verzoeker betaalde griffierecht dient aan hemzelf te worden vergoed.




3. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het besluit voor zover het bepaalt dat eiseres hoofdelijk aansprakelijk is voor de terugvordering over de periode van 18 oktober 1993 tot 13 oktober 1997;
veroordeelt verweerder tot vergoeding van de proceskosten van verzoeker ten bedrage van ƒ1420,-, onder aanwijzing van de gemeente Den Haag als de rechtspersoon die dit bedrag aan de griffier van de rechtbank dient te betalen;
gelast dat de gemeente Den Haag als de rechtspersoon aan verzoeker het door hem betaalde griffierecht vergoedt;

Aldus gegeven door mr. T.M.A. Claessens en in het openbaar uitgesproken op 8 december 2000, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.