Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB0950
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:2001:AB0950
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: 99/1063 NABW 58
Datum uitspraak: 9 april 2001
Wetsartikelen: artt. 4, 4a en 7a ABW (= 21 en 22 Abw) (= 51 en – Wwb) / 1:3, 8:71 en 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand, aanschafkosten woonwagen en inrichtingskosten; geldlening; leenbijstand; niet-nakoming aflossingsverplichtingen; hoofdelijk medeschuldenaar; terugvordering; overeenkomst naar burgerlijk recht; civiel
Essentie: Onterechte terugvordering van de hoofdelijk medeschuldenaar, wegens niet-nakoming van de aflossingsverplichtingen, van leenbijstand voor de kosten van aanschaf en inrichting van een woonwagen, omdat, hoezeer ook door de gemeente aangegaan op grond van een bestuursrechtelijk besluit, elke geldlening een overeenkomst naar burgerlijk recht is en het bezwaar derhalve niet-ontvankelijk diende te worden verklaard.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Zutphen 99/1063 NABW 58




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiseres]. wonende te [woonplaats], eiseres,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Harderwijk, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 23 september 1999.




2. Feiten


Bij besluit van 5 maart 1975 is aan de (inmiddels overleden) echtgenoot van eiseres bijstand verleend in de vorm van een lening tegen 5% rente, ter voorziening in de aanschaf van een woonwagen ter vervanging van een bestaande woonwagen. De lening bedroeg in totaal een bedrag van ƒ23.300,-, te weten een bedrag van ƒ20.800,- ten behoeve van de aanschaf en een bedrag van ƒ2500,- voor de inrichting van de betreffende woonwagen. In verband daarmee is tussen de gemeente Harderwijk en de echtgenoot van eiseres op 9 april 1975 een overeenkomst, akte van geldlening geheten, gesloten, waarbij laatstgenoemde zich heeft verbonden tot terugbetaling van voornoemd geldbedrag. Tevens heeft eiseres zich bij die overeenkomst als hoofdelijk medeschuldenares verbonden tot terugbetaling van al hetgeen haar echtgenoot uit hoofde van vorenstaande overeenkomst aan verweerder verschuldigd is of zal worden.

Vervolgens heeft eiseres op enig moment vóór 1998 verweerder telefonisch laten weten dat de woonwagen medio 1997 was gesloopt en dat haar kinderen inmiddels voor haar een nieuwe woonwagen hadden aangeschaft. Verweerder is vervolgens gebleken dat eiseres inmiddels eigener beweging was gestopt met het aflossen van voornoemde geldlening en de woonwagen in strijd met het op 9 april 1975 overeengekomene niet aan verweerder ter vernietiging was overgedragen.

Bij brief van 10 februari 1999 is daarop het restant bedrag van de geldlening, te weten
ƒ17.569,60, van eiseres teruggevorderd op de grond dat de uit de geldlening voortvloeiende betalingsverplichtingen niet dan wel in onvoldoende mate zijn nagekomen. Het daartegen namens eiseres door mr. H.A. van der Kleij, advocaat werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Zwolle, ingediende bezwaarschrift gedateerd 3 maart 1999 heeft verweerder bij het bestreden besluit ongegrond verklaard.




3. Procesverloop


Namens eiseres heeft mr. Van der Kleij voornoemd beroep ingesteld op de in het aanvullend beroepschrift van 14 december 1999 vermelde gronden. Verweerder heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken en een verweerschrift ingezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van 28 maart 2001, waar eiseres in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van der Kleij voornoemd. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door de heer G.J. van Bussel, ambtenaar der gemeente.




4. Motivering


4.1. De rechtbank ziet aanleiding allereerst te beoordelen of verweerder het bezwaar van eiseres terecht ontvankelijk heeft geacht. In dit verband dient de vraag te worden beantwoord of verweerders beslissing in primo een besluit behelst in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

De rechtbank oordeelt in dit verband als volgt.

4.2. Op 5 maart 1975 heeft verweerder op grond van het toenmalige Besluit bijstandverlening woonwagenbewoners van 16 mei 1974 (Stb. 1974, 359; hierna: het besluit) aan de echtgenoot van eiseres bijstand in de vorm van een geldlening toegekend voor de aanschaf van een woonwagen.

Ingevolge artikel 12, eerste lid, van genoemd besluit dient de bijstand in de kosten van de aankoop van een woonwagen te worden verleend in de vorm van een geldlening, tenzij bijstand in de vorm van borgtocht mogelijk is. Op 9 april 1975 is in dit kader een overeenkomst tot geldlening gesloten, waarbij eiseres en haar echtgenoot zich jegens verweerder hoofdelijk hebben verbonden tot terugbetaling van een geldbedrag ad ƒ23.300,- in wekelijkse termijnen van ƒ10,- en de eigendom van de woonwagen aan verweerder is overgedragen onder gelijktijdige in bruikleen verschaffing van die woonwagen aan de echtgenoot van eiseres. Ingevolge punt 3 van de betreffende overeenkomst is de leensom of het onafgeloste gedeelte daarvan terstond opeisbaar bij wanbetaling of verzuim in de stipte voldoening van de overeengekomen aflossingen.

Naar het oordeel van de rechtbank dient deze in 1975 aangegane overeenkomst tot geldlening te worden gekwalificeerd als een overeenkomst naar burgerlijk recht. Dat deze overeenkomst is aangegaan op grond van een besluit ter uitvoering van de Algemene Bijstandswet (ABW) doet aan de kwalificatie van die overeenkomst niet af.

De rechtbank vindt voor dit oordeel steun in het arrest van de Hoge Raad van 26 maart 1999 (RSV 1999/197 en NJ 1999/445) waarin het navolgende is overwogen:

"Waar de Algemene Bijstandswet in de artikelen 4, 4a en 7a in de destijds geldende tekst sprak, en artikel 21 en 22 Abw thans spreken, van bijstand in de vorm van een geldlening, had en heeft zij het oog op de overeenkomst naar burgerlijk recht, hoezeer ook door de gemeente aangegaan op grond van een bestuursrechtelijk besluit, bij welke overeenkomst deze de betrokkene een som geld ter leen is verstrekt. De verbintenis van deze laatste om de door hem ter leen ontvangen som terug te betalen, moet dan ook worden gekwalificeerd als een uit een overeenkomst voortvloeiende verbintenis tot een geven zoals bedoeld in artikel 3:307 BW."

Aangezien de echtgenoot van eiseres in 1975 uit hoofde van voornoemde civielrechtelijke overeenkomst het nu verschuldigde bedrag heeft ontvangen, wordt naar het oordeel van de rechtbank ook de vraag of de in die overeenkomst genoemde betalingsverplichtingen zijn overtreden, alsmede de vraag of op die grond het onafgeloste gedeelte van de leensom terstond opeisbaar is geworden, beheerst door de regels van het civiele recht.

De omstandigheid dat met de inwerkingtreding van de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: Wet BMT) per 1 juli 1997 de mogelijkheid is geopend om verleende bijstand via de bestuursrechtelijke weg terug te vorderen, doet aan voornoemd oordeel niet af. Met de Wet BMT is immers niet beoogd de kwalificatie van een overeenkomst als de onderhavige te wijzigen. Deze kwalificatie dient naar het oordeel van de rechtbank bepalend te zijn voor het antwoord op de vraag volgens welke regels het terstond opeisbaar zijn van de leensom dient te worden beoordeeld.

In dit verband acht de rechtbank tevens van belang dat verweerders besluit tot bijstandverlening d.d. 5 maart 1975 niet de voorwaarden bevat op de overtreding waarvan verweerder de onderhavige besluitvorming baseert. Voorts is van belang dat de leenbijstand destijds uitsluitend aan de echtgenoot van eiseres is toegekend, hetgeen naar het oordeel van de rechtbank met zich meebrengt dat een terugvordering van die bijstand van eiseres primair zijn grondslag vindt in de hoofdelijke aansprakelijkheid waartoe eiseres zich middels de civielrechtelijke overeenkomst van 9 april 1975 heeft verbonden.

Het vorenoverwogene leidt de rechtbank tot het oordeel dat verweerders beslissing in primo geen (publiekrechtelijke) rechtshandeling inhoudt, zodat er - gelet op het bepaalde in artikel 1:3, eerste lid, van de Awb - geen sprake is van een besluit in de zin van dat artikel.

Ingevolge het bepaalde in artikel 8:1, eerste lid, juncto artikel 7:1, eerste lid, van de Awb kan slechts tegen een besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb bezwaar en beroep worden ingesteld. Verweerder heeft derhalve bij het bestreden besluit ten onrechte het bezwaar van eiseres ontvankelijk verklaard. Gelet hierop komt het bestreden besluit dan ook voor vernietiging in aanmerking. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zal de rechtbank het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk verklaren.

Onder verwijzing naar artikel 8:71 van de Awb wordt geoordeeld dat in het onderhavige geval uitsluitend een vordering bij de burgerlijke rechter kan worden ingesteld.

4.3.  De rechtbank ziet in het vorenoverwogene aanleiding verweerder te veroordelen in
de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

Met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht kent de rechtbank ter zake van verleende rechtsbijstand 2 punten toe, waarbij een wegingsfactor van 1 wordt gehanteerd. Voorts kent de rechtbank ter zake van reis- en verblijfkosten een bedrag van ƒ46,91 toe.




5. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit;
- verklaart het bezwaar van eiseres alsnog niet-ontvankelijk en bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde besluit;
- bepaalt dat de gemeente Harderwijk het betaalde griffierecht van ƒ60,- aan eiseres vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de kosten van rechtsbijstand van eiseres tot een bedrag van ƒ1420,-, te betalen door de gemeente Harderwijk aan de griffier van de rechtbank door storting op bankrekeningnummer 1923.25.922 ten name van DS 547 Arrondissement Zutphen te Zutphen, onder vermelding van het in de kop van deze uitspraak genoemde registratienummer;
- veroordeelt verweerder in de overige proceskosten van eiseres tot een bedrag van ƒ46,91, te betalen door de gemeente Harderwijk aan eiseres.

Aldus gegeven door mr. E.J.J.M. Weyers en in het openbaar uitgesproken op 9 april 2001 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.