Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB1019
ECLI: ECLI:NL:RBGRO:2001:AB1019
Instantie: Rechtbank Groningen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 00/810 NABW V06
Datum uitspraak: 9 april 2001
Wetsartikelen: artt. 14 en 59a ABW (= 63 en 84 Abw) (= 40 en 59 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: gezamenlijke huishouding; samenwoning; schending inlichtingenverplichting; terugvordering van hoofdelijk aansprakelijke; woonplaats; bevoegde gemeente
Essentie: Onterechte terugvordering van hoofdelijk aansprakelijk gestelde eiseres, omdat betrokkene waarmee eiseres een gezamenlijke huishouding zou hebben gevoerd in het geheel geen recht had op bijstand jegens verweerders gemeente aangezien hij in een andere gemeente woonplaats had.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Groningen AWB 00/810 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. W.H.C. Bulthuis,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Hoogezand-Sappemeer, verweerders,
gemachtigde: T. Veltman.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 4 juli 2000, verzonden 17 juli 2000, het bezwaar van eiseres van 5 april 2000 tegen hun besluit van 29 februari 2000, waarbij zij van eiseres een bedrag van ƒ102.890,78 hebben teruggevorderd, ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 8 augustus 2000 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 29 augustus 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 23 maart 2001.
Eiseres is aldaar niet verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door T. Veltman.




2. Rechtsoverwegingen



Feiten en standpunten van partijen

De heer [betrokkene] heeft van 20 september 1982 tot en met 25 januari 2000 een uitkering ontvangen aanvankelijk op grond van de (oude) Algemene Bijstandswet en de daarop gebaseerde Rww, naderhand op grond van de nieuwe Algemene bijstandswet. Hij stond gedurende deze periode in de basisadministratie van de gemeente Hoogezand-Sappemeer ingeschreven op het adres [adres betrokkene].
Op 24 januari 2000 zijn [betrokkene] en eiseres door de politie aangehouden als verdachten van het plegen van een reeks inbraken en diefstallen. Uit de verhoren inzake deze misdrijven kwam naar voren dat [betrokkene] vrijwel dagelijks bij eiseres in [woonplaats eisers] verbleef. Naar aanleiding hiervan heeft de sociale recherche een onderzoek ingesteld. Op 10 februari 2000 is een drietal getuigen gehoord omtrent de feitelijke verblijfplaats van [betrokkene]. Op 16 februari 2000 zijn vervolgens [betrokkene] en eiseres hierover gehoord.
Verweerders hebben besloten de uitkering van [betrokkene] met ingang van 1 februari 1991 in te trekken; aangezien hij vanaf die datum bij eiseres in [woonplaats eiseres] verbleef, had hij geen recht op een bijstandsuitkering van de gemeente [woongemeente betrokkene].
Verweerders achten eiseres hoofdelijk aansprakelijk voor de ten onrechte aan [betrokkene] betaalde bijstand en hebben bij besluit van 29 februari 2000 over de periode van 1 maart 1995 tot en met 25 januari 2000 een bedrag van ƒ102.890,78 van eiseres teruggevorderd.
Eiseres heeft tegen dit besluit op 4 april 2000 een bezwaarschrift ingediend.
Op 7 juni 2000 is eiseres gehoord door de bezwaarschriftencommissie, waarna deze verweerders heeft geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.
Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit conform het advies van de commissie het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren gebracht dat verweerders ten onrechte en op onvoldoende gronden hebben aangenomen dat eiseres een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met [betrokkene]. Zij had een lat-relatie met hem.



Wettelijk kader

Op 1 januari 1996 is de nieuwe Algemene bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 199, verder aan te duiden als Abw) in werking getreden.
Op grond van artikel 3 van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet (Wet van 12 april 1995, Stb. 1995, 200, verder aan te duiden als IHABW) wordt de oude Algemene Bijstandswet (Wet van 13 juni 1963, Stb. 1963, 284, verder aan te duiden als ABW), zoals die wet tot 1 januari 1996 luidde, per die datum ingetrokken.
Op 1 juli 1997 is, voor zover het de Abw betreft, de Wet boeten, maatregelen en terug- en invordering sociale zekerheid (hierna: de Wet BMT) in werking getreden. Daarbij zijn verschillende bepalingen van de Abw gewijzigd.
In artikel XVI, eerste lid, van de Wet BMT is bepaald dat in de bevoegdheid van de gemeenten tot weigering van uitkering wegens gedragingen die hebben plaatsgevonden vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, alsmede in de bevoegdheid tot terugvordering en verrekening van hetgeen vóór die datum onverschuldigd is betaald, geen wijziging wordt gebracht.
Vervolgens is in artikel 3, onderdeel J, van de Veegwet SZW 1998 artikel 84, tweede lid, Abw gewijzigd. Deze wijziging is op 31 december 1998 in werking getreden.
Dit betekent dat de gronden voor terugvordering van de uitkering voor de periode van 1 maart 1995 tot 1 januari 1996 zijn neergelegd in de artikelen 55, 57 en 59a ABW, voor de periode van 1 januari 1996 tot 1 juli 1997 in de artikelen 78, 81 en 84 Abw oud en voor de periode na 1 juli 1997 in de artikelen 78 en 81 Abw nieuw, artikel 84 Abw oud (tot 1 januari 1999) en nieuw (vanaf 1 januari 1999).



Beoordeling van het geschil

De rechtbank stelt vast dat verweerders de terugvordering van eiseres hebben gebaseerd op artikel 59a, tweede lid, ABW en artikel 84, tweede en derde lid, Abw.
Op grond van deze artikelen worden de ten onrechte gemaakte kosten van bijstand mede teruggevorderd van de persoon met wiens middelen bij de verlening van bijstand rekening had moeten worden gehouden indien de bijstand als gezinsbijstand (aan gehuwden) had moeten worden verleend.
Naar het oordeel van de rechtbank zijn genoemde artikelen in casu echter niet van toepassing. Hiertoe wordt het volgende overwogen.
Indien [betrokkene] in de periode van 1 maart 1995 tot en met 25 januari 2000 een gezamenlijke huishouding heeft gevoerd met eiseres - wat hier ook van zij - was hij niet woonachtig in de gemeente Hoogezand-Sappemeer, doch in de gemeente [woongemeente betrokkene]. Hij zou dan ingevolge artikel 14 ABW en artikel 63, eerste lid, Abw over deze periode in het geheel geen recht op bijstand hebben gehad jegens verweerders. Er kan dan ook niet worden gezegd dat de bijstand in dat geval als gezinsbijstand had moeten worden verleend, zoals de artikelen 59a, tweede lid, ABW en 84, tweede en derde lid, Abw eisen.
Gelet hierop ontbeert het besluit tot terugvordering een wettelijke grondslag.
Het beroep van eiseres moet daarom gegrond worden verklaard. Het bestreden besluit zal worden vernietigd.
De rechtbank ziet voorts aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, Awb zelf in de zaak te voorzien door het besluit van 29 februari 2000 te herroepen, onder gegrondverklaring van het tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift van eiseres.
Nu het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ60,- door de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan eiseres wordt vergoed.
De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb, te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs ten behoeve van eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente Hoogezand-Sappemeer aan als de rechtspersoon die de kosten moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op ƒ710,-, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep van eiseres gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerders van 4 juli 2000;
- bepaalt, onder gegrondverklaring van het tegen dat besluit gerichte bezwaarschrift, dat het besluit van 29 februari 2000 wordt herroepen;
- bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer eiseres het betaalde griffierecht ad ƒ60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op ƒ710,-, en bepaalt dat de gemeente Hoogezand-Sappemeer deze kosten dient te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door deze uitgesproken
op 9 april 2001, in tegenwoordigheid van W.J.C. Pije als griffier.

De griffier, wnd., De rechter,




Afschrift verzonden op: 9 april 2001.

Bijlage: Staat van kosten.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.