Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB1261
ECLI: ECLI:NL:RBDOR:2001:AB1261
Instantie: Rechtbank Dordrecht
Soort procedure: beroep
Zaaknummers: AWB 00/188 en AWB 00/189
Datum uitspraak: 23 maart 2001
Wetsartikelen: artt. 7, 14a, 65, 69 en 81 Abw (= 11, –, 17, 54 en 58 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beëindiging bijstand; terugvordering; schending inlichtingenverplichting; boeteoplegging; Koppelingswet; EVSMB; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; last tot uitzetting; Turken
Essentie: Onterechte terugvordering van bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat betrokkene ingevolge het EVSMB wel rechtmatig verblijf hield nu de vreemdelingendienst haar nimmer heeft geïnformeerd over de last tot uitzetting en aldus bij gebreke van die last het rechtmatig verblijf is blijven voortduren. Onterechte boeteoplegging wegens het niet melden aan de gemeente van de uitspraak van de rechtbank strekkende tot ongegrondverklaring van het beroep tegen de afwijzing van het verzoek om verlenging van de verblijfsvergunning, omdat er geen sprake is van te veel of ten onrechte betaalde bijstand als gevolg van de schending van de inlichtingenverplichting.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Rechtbank Dordrecht AWB 00/188 en AWB 00/189




U I T S P R A A K




in de zaak van:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Sliedrecht, verweerder.




1. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 12 juli 1999, verzonden op 15 juli 1999, kenmerk MGA/8099, heeft verweerder de uitkering van eiseres krachtens de Algemene bijstandswet (verder te noemen: Abw) over de periode van 26 januari 1999 tot 1 mei 1999 ingetrokken en per 1 mei 1999 beëindigd.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 26 juli 1999 een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (verder te noemen: Awb) ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 16 november 1999, verzonden op 16 november 1999, kenmerk Rvi/8099, heeft verweerder besloten het over de periode van 26 januari 1999 tot 1 mei 1999 bruto aan eiseres verstrekte bedrag aan uitkering van ƒ5463,30 van eiseres terug te vorderen en haar een boete op te leggen van ƒ875,-.

Tegen dit besluit heeft eiseres bij brief van 3 december 1999 een bezwaarschrift als bedoeld in artikel 7:1, eerste lid, van de Awb ingediend bij verweerder.

Bij besluit van 15 februari 2000, verzonden op 18 februari 2000, kenmerk KV/8099, heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 16 november 1999 deels gegrond en deels ongegrond verklaard (AWB 00/188)

Bij besluit van 22 februari 2000, verzonden op 25 februari 2000, kenmerk KV/8099, heeft verweerder de bezwaren van eiseres tegen het besluit van 12 juli 1999 ongegrond verklaard (AWB 00/189)

Tegen deze besluiten heeft eiseres bij op dezelfde datum ingekomen brief van 28 maart 2000 een beroepschrift ingediend bij de arrondissementsrechtbank te Dordrecht (verder te noemen: de rechtbank).

De zaak is op 13 februari 2001 behandeld door een meervoudige kamer.

Eiseres is ter zitting verschenen en heeft zich doen bijstaan door mr. C.J. van der Waarde, advocaat te Dordrecht.

Verweerder is niet verschenen.




2. Overwegingen


Uit de stukken en het verhandelde ter zitting blijken de volgende feiten en omstandigheden.
Eiseres heeft de Turkse nationaliteit. Zij verblijft sinds 1 oktober 1993 in Nederland. Op 12 oktober 1993 is haar een vergunning tot verblijf bij haar echtgenoot verleend. Na verbreking van het huwelijk is haar op 9 maart 1995 een vergunning tot verblijf verleend voor het verrichten van arbeid, al dan niet in loondienst, geldig tot 9 maart 1996.
Op 19 maart 1996 heeft eiseres een aanvraag ingediend om verlenging van haar verblijfsvergunning. Tegen de afwijzing daarvan heeft zij bezwaar en beroep aangetekend. Eiseres heeft voorts een voorlopige voorziening verzocht, ertoe strekkende de uitzetting achterwege te laten totdat op haar beroep was beslist. Bij uitspraak van 6 januari 1999 heeft de rechtbank te Den Haag het beroep van eiseres ongegrond verklaard. Bij uitspraak van dezelfde datum is het verzoek om voorlopige voorziening van eiseres niet-ontvankelijk verklaard. Bij brief van 26 januari 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie aan de korpschef van de politieregio Zuid-Holland-Zuid (voor zover nodig) een last tot uitzetting van eiseres verstrekt. De vreemdelingendienst heeft eiseres nimmer geïnformeerd over de last tot uitzetting.

Eiseres ontving sinds 11 april 1996 van verweerder een uitkering krachtens de Abw.

De rechtbank neemt deze feiten en omstandigheden als uitgangspunt bij de beoordeling van beide aan de orde zijnde zaken.



2.1. AWB 00/189

Het bestreden besluit berust op de bepalingen van de zogenaamde Koppelingswet, welke met ingang van 1 juli 1998 in werking is getreden. Tengevolge van het in werking treden van deze wet is onder andere artikel 7 van de Abw en met name het bepaalde in het tweede lid gewijzigd.

Ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Het tweede lid bepaalt dat met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (verder te noemen: Vw).
Ingevolge het derde lid kunnen bij algemene maatregel van bestuur hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, voor toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Ingevolge artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling Abw, Ioaw en Ioaz (verder te noemen: het besluit) wordt voor de toepassing van de Abw met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw:
a. vóór die beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, en 33c van de Vw, of, buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Awb toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw.
Ingevolge het tweede lid eindigt de in het eerste lid bedoelde gelijkstelling zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij de uitzetting ingevolge de Vw of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

Ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw genieten vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de beëindiging en de intrekking van de bijstanduitkering van eiseres gehandhaafd, omdat eiseres op de in geding zijnde data niet langer behoorde tot de personenkring van de Abw. Verweerder heeft voorts gesteld dat eiseres zich niet kan beroepen op het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand (verder te noemen: EVSMB), aangezien zij op de in geding zijnde data niet beschikte over een verblijfs- of soortgelijke vergunning en er toen een last tot uitzetting tegen haar van kracht was. Dat eiseres nimmer op de hoogte is gesteld van de last tot uitzetting laat het voorgaande onverlet, aangezien het eiseres op grond van de uitspraak van de rechtbank redelijkerwijs duidelijk had moeten zijn geweest dat zij was uitgeprocedeerd en geen geldige verblijfsvergunning (meer) had, aldus verweerder.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft - voor zover hier van belang - gesteld dat haar bijstandsuitkering ten onrechte is beëindigd, nu zij op de in geding zijnde data rechtmatig in Nederland verbleef in de zin van artikel 11 EVSMB.

De rechtbank overweegt als volgt.

Niet in geschil is dat eiseres op de in geding zijnde data niet behoorde tot de personenkring van de Abw, zoals deze sinds de invoering van de Koppelingswet geldt.

Eiseres heeft zich beroepen op de bepalingen van het EVSMB, dat in artikel 1 bepaalt dat onderdanen van de verdragsstaten die zich rechtmatig ophouden in één van de andere verdragsstaten en die niet beschikken over voldoende middelen dezelfde aanspraak op sociale en medische bijstand hebben als eigen onderdanen.
Ingevolge artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB wordt het verblijf van vreemdelingen op het grondgebied van één der verdragssluitende partijen als rechtmatig in de zin van dit verdrag beschouwd zolang ten aanzien van hen een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning van kracht is die op grond van de wetten en regelingen van het betrokken land vereist is voor het verblijf in dat land.
Ingevolge artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB wordt rechtmatig verblijf onrechtmatig op het ogenblik waarop een bevel tot verwijdering tegen de betrokken persoon is uitgevaardigd, tenzij schorsing van de uitvoering wordt verleend.

Het EVSMB is van toepassing op deze zaak.

Met eiseres is de rechtbank van oordeel dat haar verblijf op de in geding zijnde data als rechtmatig in de zin van artikel 11, onderdeel a, van het EVSMB moet worden aangemerkt.
Het rechtmatig verblijf van eiseres in vorenbedoelde zin was aangevangen op 12 oktober 1993, toen zij een vergunning tot verblijf verkreeg. Op de in geding zijnde data was er, bij gebreke van een deugdelijke bekendmaking aan eiseres, geen sprake van een geldige last tot uitzetting. Uit artikel 11, onderdeel b, van het EVSMB moet worden afgeleid dat het rechtmatig verblijf van eiseres in de zin van dit verdrag bij gebreke van een geldige last tot uitzetting is blijven voortduren.

Uit het voorgaande volgt dat artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw en artikel 1 van het besluit wegens strijd met het artikel 1 EVSMB ten aanzien van eiseres buiten toepassing moeten blijven. Het bestreden besluit moet om deze reden worden vernietigd. Het beroep moet gegrond worden verklaard.



2.2. AWB 00/188

Ingevolge artikel 65, eerste lid, van de Abw doet de belanghebbende aan burgmeester en wethouders op verzoek of onverwijld uit eigener beweging mededeling van alle feiten en omstandigheden waarvan hem redelijkerwijs duidelijk moet zijn dat zij van invloed kunnen zijn op het recht op bijstand, of op het bedrag van de bijstand dat aan hem wordt betaald.

Ingevolge artikel 69, derde lid, onderdeel a, van de Abw herzien burgemeester en wethouders een besluit tot toekenning van bijstand indien - voor zover hier van belang - het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot een ten onrechte of een te hoog bedrag verlenen van bijstand.

Artikel 81, eerste lid, van de Abw bepaalt dat bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende wordt teruggevorderd.

Ingevolge artikel 14a, eerste lid, van de Abw leggen burgemeester en wethouders, indien de belanghebbende de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet of niet behoorlijk is nagekomen door geen, onjuiste of onvolledige mededelingen te doen, hem een boete op van ten hoogste ƒ5000,-.
Het tweede lid bepaalt dat de hoogte van de boete wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een boete wordt in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.
Ingevolge het derde lid kunnen burgemeester en wethouders, indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, bedoeld in artikel 65, eerste lid, niet heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand, afzien van het opleggen van een boete als bedoeld in het eerste lid en volstaan met het geven van een schriftelijke waarschuwing ter zake van het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting, tenzij het niet of niet behoorlijk nakomen van de verplichting plaatsvindt binnen een periode van twee jaar te rekenen vanaf de dag waarop eerder aan de belanghebbende een zodanige waarschuwing is gegeven.
Het vierde lid bepaalt dat burgemeester en wethouders kunnen besluiten af te zien van het opleggen van een boete indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.
Ingevolge het zevende lid worden bij algemene maatregel van bestuur regels gesteld met betrekking tot het eerste en tweede lid.

Ingevolge artikel 2 van het Besluit tarieven administratieve boeten Abw, Ioaw en Ioaz (verder te noemen: het besluit) nemen burgemeester en wethouders bij de toepassing van artikel 14a, eerste lid, van de Abw de bepalingen van dit besluit in acht, onverminderd artikel 14a, tweede lid, van de Abw.

Artikel 3, eerste lid, van het besluit bepaalt dat de boete wordt vastgesteld op 15% van het fraudebedrag, met dien verstande dat zij op ten minste ƒ100,- wordt gesteld.

Ingevolge artikel 5 van het besluit wordt de boete vastgesteld op ƒ100,- indien het niet of niet behoorlijk nakomen van de inlichtingenverplichting zonder financiële gevolgen is gebleven.

Bij het thans bestreden besluit heeft verweerder de bezwaren van eiseres gegrond verklaard voor zover zij waren gericht tegen schending van de inlichtingenplicht ter zake van de last tot uitzetting, omdat was gebleken dat eiseres hiervan nimmer op de hoogte was gesteld. Voor het overige heeft verweerder zijn besluit tot terugvordering van te veel of ten onrechte betaalde bijstand en tot oplegging van een boete in verband met schending van de inlichtingenplicht door eiseres gehandhaafd. Verweerder heeft daartoe overwogen dat het voor haar redelijkerwijs duidelijk moet zijn geweest dat de uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 6 januari 1999 invloed zou kunnen hebben op haar recht op bijstand.

Eiseres kan zich hiermee niet verenigen. Zij heeft betwist dat zij haar inlichtingenplicht heeft geschonden.

De rechtbank overweegt als volgt.

In geschil is slechts de schending van de op eiseres rustende inlichtingenplicht ter zake
van de uitspraak van de rechtbank te Den Haag van 6 januari 1999.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder terecht gesteld dat eiseres deze inlichtingenplicht heeft geschonden. De uitspraak is een voor haar recht op een uitkering krachtens de Abw relevant feit, dat zij had moeten melden aan verweerder. Uit de stukken blijkt ook dat zij dit wist, althans had moeten weten. Verweerder heeft bij besluit van 1 oktober 1998 aan het recht van eiseres op een bijstandsuitkering de verplichting verbonden dat zij verweerder onverwijld op de hoogte stelt inzake de behandeling van en de uitspraak in de procedure omtrent haar verblijfsvergunning. Eiseres heeft niet betwist dat zij deze verplichting kende. Daargelaten of een dergelijke verplichting aan het recht van bijstand kan worden verbonden, blijkt hieruit dat eiseres in ieder geval had moeten weten dat eventuele ontwikkelingen in haar vreemdelingrechtelijke procedure, zoals de uitspraak van 6 januari 1999, relevant waren voor haar recht op bijstand en aan verweerder moesten worden gemeld.

Nu eiseres haar inlichtingenplicht heeft geschonden, was verweerder gehouden de als gevolg daarvan te veel of ten onrechte betaalde bijstand terug te vorderen alsmede een boete op te leggen.

Het oordeel in de zaak 00/189 leidt echter tot de conclusie dat er geen sprake is van te veel of ten onrechte betaalde bijstand als gevolg van de schending van de op eiseres rustende inlichtingenplicht.

Hieruit volgt dat de aan de orde zijnde terugvordering en de boeteoplegging niet in stand kunnen blijven wegens strijd met artikel 14a, derde lid, en artikel 81, eerste lid, van de Abw en artikel 5 van het besluit. Het bestreden besluit dient derhalve te worden vernietigd en het beroep dient gegrond te worden verklaard.



2.3. AWB 00/188 en AWB 00/189

Nu het beroep in beide zaken gegrond wordt verklaard, dient verweerder ingevolge artikel 8:74, eerste lid, van de Awb het door eiseres in deze zaken betaalde griffierecht te vergoeden.

De rechtbank ziet aanleiding verweerder met toepassing van artikel 8:75, eerste lid, van de Awb te veroordelen in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van deze beroepszaken redelijkerwijs heeft moeten maken. De rechtbank heeft de kosten in verband met de door een derde beroepsmatig in deze zaken verleende rechtsbijstand beperkt tot
ƒ1420,-, nu er sprake was van één beroepschrift en gelijktijdige behandeling van deze zaken op één zitting en nu voorts gesteld kan worden dat er sprake is van samenhangende zaken als bedoeld in artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht. Niet is gebleken dat eiseres andere proceskosten heeft moeten maken.

Omdat eiseres een zogeheten toevoeging is verleend, dient voormeld bedrag aan proceskosten aan de griffier van de rechtbank te worden betaald.

De rechtbank beslist als volgt.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Dordrecht:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt de bestreden besluiten;
- bepaalt dat de gemeente Sliedrecht het door eiseres betaalde griffierecht ten bedrage van in totaal ƒ120,- vergoedt;
- veroordeelt verweerder in de proceskosten die eiseres in verband met de behandeling van deze beroepszaak redelijkerwijs heeft moeten maken, welke kosten worden begroot op ƒ1420,- ter zake van door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand;
- bepaalt dat de betaling van het bedrag van ƒ1420,-, ter zake van beroepsmatig verleende rechtsbijstand aan de griffier van de arrondissementsrechtbank te Dordrecht wordt gedaan;
- wijst de gemeente Sliedrecht aan als de rechtspersoon die voormelde kosten moet vergoeden.

Aldus gegeven door mr. H.T.J.F. Verhappen, voorzitter van de meervoudige kamer, en mrs.
J.C. Gerritse en L. de Loor-Alwin, rechters, en door de voorzitter en mr. B. Hamburger, griffier, ondertekend.




Uitgesproken in het openbaar op: 23 maart 2001.

Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende beroep instellen. Het instellen van het beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.