Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB1309
ECLI: ECLI:NL:RBGRO:2001:AB1309
Instantie: Rechtbank Groningen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 00/799 NABW V06
Datum uitspraak: 25 april 2001
Wetsartikelen: artt. 20, 24 en 68 Abw (= 50, 48 Wwb en 4:3 Awb) / 6:2 Awb
Trefwoorden: krediethypotheek; niet vrij te laten ander vermogen; geldlening; overeenstemming over taxateur
Essentie: Terechte verstrekking van bijstand in de vorm van een geldlening waarbij rechtmatig is afgezien van het vestigen van een krediethypotheek, omdat sprake is van niet vrij te laten ander vermogen. Het beroep is echter gegrond, daar de gemeente heeft verzuimd met betrokkene te overleggen over de aan te wijzen taxateur.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Groningen AWB 00/799 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, verweerders,
gemachtigde: mr. F.J. Veenstra.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 3 juli 2000 het bezwaar van eiseres van 29 oktober 1998 tegen hun besluit van 25 september 1998 ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 6 augustus 2000 op nader in het beroepschrift aangegeven gronden beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 17 augustus 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en een verweerschrift ingediend.
Bij brief van 27 februari 2001 heeft eiseres de rechtbank het advies van haar rechtskundig adviseur doen toekomen.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 9 maart 2001.
Eiseres is aldaar in persoon verschenen en is bijgestaan door de heer J.W.C. de Boer.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door mr. F.J. Veenstra.




2. Rechtsoverwegingen



Feiten en standpunten van partijen

Over de periode van 1 juli 1996 tot 1 november 1997 heeft eiseres van verweerders een uitkering ontvangen op grond van de Algemene bijstandswet (Abw). Omdat eiseres de door haar bewoonde woning in eigendom heeft, is in het toekenningsbesluit van 23 september 1996 aan de uitkering de voorwaarde verbonden dat eiseres, indien daartoe aanleiding mocht zijn, haar medewerking verleent aan het vestigen van een krediethypotheek.
Op 15 januari 1997 is door de Dienst SOZAWE aan de Dienst Informatie en Administratie, afdeling taxaties (DIA), een opdracht tot taxatie van de woning van eiseres gegeven. Naar aanleiding van de taxatie op 1 april 1997 is de waarde van de woning vastgesteld op ƒ102.000,- en de waarde van het (niet vrij te laten) vermogen van eiseres op ƒ24.695,68.
Bij besluit van 25 september 1998 hebben verweerders bepaald dat de bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 juli 1996 tot en met 11 juli 1997, ter hoogte van een bedrag van ƒ24.695,68, de vorm heeft van een geldlening. Verweerders hebben hierbij besloten af te zien van het vestigen van een krediethypotheek, omdat de uitkering van eiseres op dat moment reeds was beëindigd.
Eiseres heeft tegen dit besluit op 29 oktober 1998 een bezwaarschrift ingediend.
Op 11 april 2000 heeft de directeur Ondersteuning van de Dienst SOZAWE verweerders geadviseerd het bezwaar ongegrond te verklaren.
Eiseres is naar aanleiding van haar bezwaarschrift op 8 juni 1999 alsmede - na nadere rapportage door de Dienst SOZAWE in verband met haar schuldpositie - op 30 mei 2000 gehoord door de bezwaarschriftencommissie. Deze heeft verweerders geadviseerd te handelen conform het advies van de directeur Ondersteuning.
Verweerders hebben bij hun thans bestreden besluit het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiseres kan zich hier niet mee verenigen en heeft naar voren gebracht dat verweerders niet bevoegd zijn de bijstandsuitkering te verstrekken als een geldlening; deze is haar immers toegekend onder de voorwaarde van een eventuele krediethypotheek en een krediethypotheek wordt in de Abw uitdrukkelijk onderscheiden van een geldlening (artikel 20 Abw, respectievelijk artikel 24 Abw).
Voorts heeft eiseres aangevoerd dat het besluit om de bijstand als een geldlening te verstrekken dermate lang op zich heeft laten wachten dat verweerders hiermee in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur handelen.
Ten slotte maakt eiseres bezwaar tegen de getaxeerde waarde van de woning.
Verweerders stellen zich op het standpunt dat zij op goede gronden een deel van de verstrekte bijstand als geldlening hebben aangemerkt. Een krediethypotheek is immers een geldlening onder verband van hypotheek en door afstand te doen van het (verdergaand) recht om een hypotheek te vestigen, doen verweerders geen afstand van het (minder vergaand) recht om de bijstand als een geldlening te verstrekken.
Verweerders zijn voorts van mening dat hun recht om de bijstand als een geldlening te verstrekken niet is vervallen door het feit dat het betreffende besluit lang op zich heeft laten wachten; dit is onder meer te wijten aan systeemtechnische problemen en het feit dat de DIA de aanvraag voor een taxatie in eerste instantie niet heeft ontvangen.



Wettelijk kader

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.
Krachtens artikel 20, eerste lid, Abw heeft de belanghebbende die eigenaar is van een door hemzelf of zijn gezin bewoonde woning met bijbehorend erf recht op bijstand voor zover tegeldemaking, bezwaring of verdere bezwaring, anders dan ingevolge dit artikel, van het in de woning met bijbehorend erf gebonden vermogen in redelijkheid niet kan worden verlangd. Op grond van het tweede lid van dit artikel heeft de bijstand - indien aan een aantal voorwaarden is voldaan - de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek.
Op grond van artikel 2, eerste lid, van het Besluit krediethypotheek bijstand is de geldlening ten hoogste de waarde van de woning in het economisch verkeer bij vrije oplevering, verminderd met de daarop drukkende schulden en met het vrij te laten vermogen als bedoeld in artikel 20, derde lid, Abw.
Krachtens artikel 2, tweede lid, van het Besluit krediethypotheek bijstand vindt ter vaststelling van de waarde van de woning taxatie plaats door een beëdigd taxateur voor onroerende zaken die door burgemeester en wethouders in overeenstemming met de belanghebbende wordt aangewezen.



Beoordeling van het geschil

Uit de stukken en het verhandelde ter zitting is gebleken dat verweerders artikel 20 Abw ten grondslag hebben gelegd aan hun besluit om een gedeelte van de aan eiseres betaalde bijstand in de vorm van een geldlening te verstrekken. Dit artikel maakt het mogelijk bijstand te verlenen in de vorm van een geldlening onder verband van hypotheek, oftewel een krediethypotheek.
Met verweerders is de rechtbank van oordeel dat het enkele feit dat verweerders hebben afgezien van het vestigen van een hypotheek niet met zich brengt dat de bijstand op grond van genoemd artikel niet in de vorm van een geldlening kan worden verstrekt; verweerders hebben slechts afstand gedaan van hun recht op zekerheid voor deze geldlening.
De rechtbank stelt voorts vast dat verweerders in het onderhavige geval in twee fasen op de bijstandsaanvraag van eiseres hebben beslist. Bij besluit van 23 september 1996 hebben zij aan eiseres een uitkering toegekend, doch hierbij in afwachting van de taxatie van de woning voorlopig in het midden gelaten in welke vorm deze zou worden verleend. Op 25 september 1998 hebben verweerders vervolgens besloten dat de verstrekte bijstand over de periode van 1 juli 1996 tot en met 11 juli 1997 de vorm heeft van een geldlening.
Ingevolge artikel 68, eerste lid, Abw dienen verweerders binnen acht weken na ontvangst van de aanvraag vast te stellen of er recht op bijstand bestaat. Het vaststellen van de vorm waarin de uitkering wordt verleend, moet als een wezenlijk onderdeel van het vaststellen van het recht op bijstand worden beschouwd. Gelet hierop is in casu eerst na plusminus twee jaar een volledige beslissing genomen op de aanvraag van eiseres, waardoor de beslistermijn ruim is overschreden.
Daar ingevolge artikel 6:2, aanhef en onder b, Awb het niet tijdig beslissen voor de toepassing van de wettelijke voorschriften over bezwaar en beroep met een besluit wordt gelijkgesteld, had eiseres vanaf het moment van overschrijden van de beslistermijn de mogelijkheid hiertegen bezwaar en vervolgens beroep aan te tekenen. Hoewel onbenut gelaten, brengt deze mogelijkheid met zich mee dat eiseres zich in het kader van het onderhavige beroep niet met succes kan beroepen op het feit dat het besluit d.d. 25 september 1998 te lang op zich heeft laten wachten; zij had hiertegen reeds lang kunnen opkomen.
Met betrekking tot het taxeren van de woning van eiseres overweegt de rechtbank ten slotte het volgende.
Ingevolge artikel 2, tweede lid, van het Besluit krediethypotheek bijstand dient de waarde van een woning te worden vastgesteld door een taxateur die door verweerders in overeenstemming met de belanghebbende is aangewezen. In casu hebben verweerders de DIA opdracht gegeven tot taxatie. Nu de rechtbank niet is gebleken dat zij hierover hebben overlegd met eiseres, hebben zij in strijd met genoemd wettelijk voorschrift gehandeld. Dit is reden voor de rechtbank om het beroep gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen.
Nu het beroep van eiseres gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ60,- door de gemeente Groningen aan haar wordt vergoed.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het bestreden besluit van verweerders van 3 juli 2000;
- bepaalt dat de gemeente Groningen eiseres het betaalde griffierecht ad ƒ60,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door deze uitgesproken
op 25 april 2001, in tegenwoordigheid van G. Rammeloo als griffier.

De griffier, wnd., De rechter,




Afschrift verzonden op: 25 april 2001.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.