Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB2206
ECLI: ECLI:NL:RBGRO:2001:AB2206
Instantie: Rechtbank Groningen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 00/1106 ABW G V06
Datum uitspraak: 20 juni 2001
Wetsartikelen: artt. 78c Abw (= – Wwb) / 3:2 Awb
Trefwoorden: terugvordering; afzien van verdere terugvordering; schuld; aflossing ineens; afkoopsom; afkopen; restsom; restantschuld; rechterlijke uitspraak; verjaring schuld; zorgvuldigheid
Essentie: Ten onrechte is de door betrokkene verzochte afkoopsom voor zijn schuld aan de gemeente vastgesteld op 75% van de restsom, omdat is verzuimd de gedeeltelijke verjaring van de vordering in de overwegingen te betrekken.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Groningen AWB 00/1106 ABW G V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Stadskanaal, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 29 september 2000, nr. 10.417, afd. beza, het bezwaarschrift van eiser gericht tegen hun besluit van 23 februari 2000, nr. 65346100/9953878/sz, 2000, ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen het besluit van 29 september 2000 bij beroepschrift van 5 november 2000 beroep ingesteld.
Verweerders hebben op 12 december 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden en voor hun verweer verwezen naar het rapport van 24 mei 2000 naar aanleiding van het bezwaarschrift van eiser.
Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.
Het beroep is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 26 april 2001.
Eiser is niet verschenen.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door mevr. [vertegenwoordiger].




2. Rechtsoverwegingen



Feiten en standpunten van partijen

De gemeente Stadskanaal heeft op eiser twee vorderingen met een totaalbedrag van ƒ16.481,83. De eerste vordering, ten bedrage van ƒ15.280,98, is het restant van een vordering van ƒ17.920,98 die in 1985 is ontstaan als gevolg van het onjuist verstrekken van informatie door eiser in het kader van de bijstandverlening. De tweede vordering, ten bedrage van ƒ1200,85, stamt uit 1992 en is ontstaan door het anderszins onverschuldigd uitbetalen van bijstand. De kantonrechter heeft met betrekking tot de beide oorspronkelijke vorderingen vastgesteld dat deze door eiser moeten worden terugbetaald. Tevens heeft hij ter zake van de eerstgenoemde vordering een betalingsregeling vastgesteld in die zin dat eiser vanaf 1 maart 1989 per maand ƒ100,- moet aflossen.
Eiser heeft in 1999 bij het jaarlijkse onderzoek naar zijn aflossingscapaciteit te kennen gegeven dat hij beide vorderingen zou willen afkopen indien de afkoopsom binnen zijn financiële mogelijkheden zou liggen.
Verweerders hebben in hun primaire besluit van 23 februari 2000 aangegeven dat slechts artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw in casu van toepassing is en eiser een afkoopsom van ƒ12.500,- aangeboden, zijnde 75% van de nog openstaande schuld.
Eiser heeft in zijn bezwaarschrift aangegeven dat hij de aangeboden afkoopsom veel te hoog vindt omdat zijn financiële polsstok niet verder reikt dan ƒ3375,-.
Verweerders hebben in hun beschikking op bezwaar van 29 september 2000 de bezwaren van eiser ongegrond verklaard en vastgehouden aan de toepassing van artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw en de afkoopsom van ƒ12.500,- in bezwaar gehandhaafd.



Beoordeling van het geschil

De Abw gaat uit van de terugvordering van ten onrechte ontvangen bijstand. Van die terugvordering kan in de gevallen die zijn geregeld in de artikelen 78 tot en met 78c Abw worden afgezien.
Omdat er geen dringende redenen zijn aangevoerd zoals bedoeld in artikel 78, derde lid, Abw, er geen sprake is van een schuldregeling zoals bedoeld in artikel 78a Abw en de vordering het in artikel 78b Abw bedoelde bedrag ruimschoots te boven gaat, komt slechts artikel 78c Abw voor toepassing in aanmerking.
Aangezien eiser volgens opgave van gemachtigde van verweerders ter zitting in ieder geval sinds 1995 niets meer op de beide vorderingen heeft afgelost, zijn de bepalingen van artikel 78c, eerste lid, onderdeel a en onderdeel b, Abw niet van toepassing. Dat betekent dat in dit geval slechts geheel of gedeeltelijk van terugvordering zou kunnen worden afgezien indien niet aannemelijk is dat eiser alsnog tot aflossing zal overgaan zoals is bepaald in artikel 78c, eerste lid, onderdeel c, Abw of indien eiser een bedrag van ten minste 50% van de restsom in één keer zal aflossen, zoals is bedoeld in artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw.
Door eiser zijn geen omstandigheden gesteld waaruit kan worden afgeleid dat het niet aannemelijk is dat hij op enig moment aflossingen op de beide vorderingen zal verrichten. Verweerders hebben zich volgens de rechtbank dan ook met recht op het standpunt gesteld dat het afzien van de terugvordering niet op artikel 78c, eerste lid, onderdeel c, Abw gebaseerd kan worden.
Verweerders hebben in het verlengde hiervan terecht geoordeeld dat slechts op basis van artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw van gedeeltelijke terugvordering zou kunnen worden afgezien.
Eiser is blijkens zijn beroepschrift van opvatting dat hoewel hij ook dat bedrag niet kan betalen, hem op basis van artikel 78c, eerste lid, onderdeel d, Abw een aanbod van 50% van de openstaande vorderingen had moeten worden gedaan.
Verweerders hebben echter terecht vastgesteld dat 50% de minimale afkoopsom is en dat verweerders ten aanzien van de hoogte van de afkoopsom voor het overige beleidsvrijheid hebben. De rechtbank kan verweerders echter niet volgen in de wijze waarop de hoogte van de afkoopsom is bepaald.
Artikel 3:324, eerste lid in samenhang met het derde lid, van het Burgerlijk Wetboek bepaalt dat de bevoegdheid tot de tenuitvoerlegging van een rechterlijke uitspraak verjaart door verloop van vijf jaar voor wat betreft hetgeen ingevolge de uitspraak bij het jaar of kortere termijn moet worden betaald. De kantonrechter heeft in zijn vonnis van 15 november 1988 bepaald dat eiser de vordering van ƒ17.920,98, waarvan de ƒ15.280,98 de restvordering is, met ingang van 1 maart 1989 maandelijks ƒ100,- moet aflossen. Dat betekent dat intussen een aanzienlijk deel van deze vordering is verjaard.
Verweerders hadden naar het oordeel van de rechtbank uit een oogpunt van zorgvuldigheid bij het bepalen van de omvang van de afkoopsom de gevolgen van de gedeeltelijke verjaring van de vordering van ƒ15.280,98 in hun overwegingen moeten betrekken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit niet is voorbereid op de wijze zoals is bedoeld in artikel 3:2 Awb.
Uit het vorenoverwogene volgt dat het beroep gegrond moet worden verklaard en het bestreden besluit dient te worden vernietigd.



Griffierechten

Nu het beroep van eiser ten dele gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiser betaalde griffierecht ad ƒ60,- door de gemeente Stadskanaal aan eiser wordt vergoed.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep tegen het besluit van 29 september 2000, nr. 10.417 afd. beza, gegrond;
- vernietigt het besluit van 29 september 2000, nr. 10.417 afd. beza;
- bepaalt dat de gemeente Stadskanaal eiser het betaalde griffierecht ad ƒ60,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken
op 20 juni 2001, in tegenwoordigheid van K.A. Faber als griffier.
            



Afschrift verzonden op: 20 juni 2001.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.