Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB2260
ECLI: ECLI:NL:RBGRO:2001:AB2260
Instantie: Rechtbank Groningen
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 00/10 NABW V06
Datum uitspraak: 1 maart 2001
Wetsartikelen: artt. 42, 51, 52, 54 en 82 Abw (= 31, 34, 34, 34 en 58 Wwb) / 3:2 en 7:12 Awb
Trefwoorden: vermogen; boedelscheiding; verkoop eigen woning en roerende zaken; herziening bijstand; terugvordering; schulden; herinrichtingskosten; verhuiskosten; zorgvuldigheid; motivering
Essentie: Onterechte herziening en terugvordering van bijstand wegens vermogen uit boedelscheiding (verkoop eigen woning en roerende zaken), omdat geen rekening is gehouden met een schuld, de verhuis- en de herinrichtingskosten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Groningen AWB 00/10 NABW V06




U I T S P R A A K




inzake het geschil tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,
gemachtigde: mr. P. van Wijngaarden,

en

burgemeester en wethouders van de gemeente Eemsmond, verweerders.




1. Procesverloop


Verweerders hebben bij besluit van 15 november 1999, nrs. Nip/99.2998, 99.2999, 99.3437 en 99.3438, de bezwaarschriften van eiseres tegen hun besluiten van 5 juli 1999 en 12 juli 1999, waarbij het recht op uitkering van eiseres op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) over de periode van 1 augustus 1997 tot en met 31 januari 1999 is herzien en een bedrag van ƒ36.507,30 van eiseres is teruggevorderd, ongegrond verklaard.

Eiseres heeft tegen dit besluit bij beroepschrift van 29 december 1999, op nader bij brief van 26 januari 2000 ingediende gronden, beroep ingesteld.

Verweerders hebben op 29 februari 2000 de op de zaak betrekking hebbende stukken aan de rechtbank toegezonden, alsmede een verweerschrift ingediend.

Op verzoek van de rechtbank hebben verweerders bij brief van 4 oktober 2000 nog verschillende stukken ingezonden.

Afschriften van de gedingstukken zijn, voor zover niet door hen ingediend, door de griffier aan partijen toegezonden.

Het geschil is behandeld ter zitting van de enkelvoudige kamer van de rechtbank van 9 februari 2001.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door haar gemachtigde.
Verweerders hebben zich doen vertegenwoordigen door H. Melles.




2. Rechtsoverwegingen



De feiten

Eiseres heeft, in verband met haar voorgenomen echtscheiding, met ingang van 1 augustus 1997 van verweerders een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder toegekend gekregen, alsmede bijzondere bijstand voor meerdere bijzondere kostensoorten.

De door verweerders aan haar toegekende uitkering is beëindigd met ingang van 1 februari 1999, de datum waarop eiseres met haar twee kinderen naar B is verhuisd.

Eiseres heeft tot 1 februari 1999 gewoond in de voormalige echtelijke woning aan de [...] te Y. Blijkens een zich bij de gedingstukken bevindende afrekening van de notaris van 19 februari 1999 is voormelde woning met een aantal zich in die woning bevindende onroerende zaken verkocht, als gevolg waarvan eiseres de beschikking heeft gekregen over een vermogen van ƒ56.207,30.

Verweerders hebben vervolgens bij besluit van 5 juli 1999 het recht op bijstandsuitkering van eiseres over de periode van 1 augustus 1997 tot 1 februari 1999 herzien: eiseres had, gelet op de middelen waar zij naderhand de beschikking over heeft gekregen, slechts gedeeltelijk recht op de haar tussen 1 augustus 1997 en 1 februari 1999 toegekende algemene bijstandsuitkering en de haar toegekende bijzondere bijstand.

Bij besluit van 12 juli 1999 hebben verweerders, onder toepassing van artikel 82 van de Abw, een bedrag van ƒ36.507,30 van eiseres teruggevorderd.

Tegen deze beide besluiten heeft eiseres op 18 augustus 1999 bezwaarschriften ingediend bij verweerders.

Bij het bestreden besluit hebben verweerders de bezwaarschriften ongegrond verklaard.

Eiseres kan zich met dit besluit niet verenigen. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerders bij het bepalen van het bedrag dat zij moet terugbetalen, zijn uitgegaan van een onjuiste omvang van haar vermogen.
Verweerders hebben op haar vermogen ten onrechte niet in mindering gebracht:
-  een bedrag van ƒ5000,-, welk bedrag zij heeft ontvangen uit de verkoop van roerende zaken in de woning. Eiseres heeft aangevoerd dat zij dit bedrag diende aan te wenden voor de aankoop van een nieuwe inboedel;
- een bedrag van ƒ7500,- aan schulden. Eiseres heeft een doorlopend krediet afgesloten bij de Rabobank te Z op 13 januari 1999 vanwege haar verhuizing op 1 februari 1999;
- een bedrag van ƒ7500,- aan verdere herinrichtings- en verhuiskosten.

Verweerders hebben aangevoerd dat eiseres gelet op de omvang van de naderhand aan haar ter beschikking gestelde middelen uit de verkoop van de woning en de roerende zaken in die woning geen recht had op de haar toegekende bijstand. Verweerders hebben aangegeven bij het bepalen van de omvang van het vermogen van eiseres in overeenstemming met hetgeen daarover in de Abw is bepaald rekening te hebben gehouden met het vrij te laten deel van het vermogen van eiseres, haar schulden en haar vermogen uit de verkoop van haar deel van de roerende zaken.



Het van toepassing zijnde recht

Ingevolge artikel 7, eerste lid, Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, recht op bijstand van overheidswege.

Ingevolge artikel 26, eerste lid, Abw, heeft de alleenstaande of het gezin recht op algemene bijstand indien het in aanmerking te nemen inkomen lager is dan de bijstandsnorm, bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling I, paragraaf 2 en 3, en er geen in aanmerking te nemen vermogen is.
Ingevolge artikel 4, onderdeel c, ten derde, Abw wordt onder gezin begrepen de alleenstaande ouder met de tot zijn last komende kinderen.

Op grond van artikel 39, eerste lid, Abw heeft, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm en de aanwezige draagkracht.

Artikel 42 van de Abw bepaalt dat tot de middelen worden gerekend alle vermogens- en inkomstenbestanddelen waarover de alleenstaande of het gezin beschikt of redelijkerwijs kan beschikken.
Krachtens artikel 51 Abw wordt onder vermogen verstaan: de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.
Ingevolge artikel 52, eerste lid, Abw wordt niet als vermogen in aanmerking genomen:
a. bezittingen in natura die naar hun aard en waarde algemeen gebruikelijk zijn dan wel, gelet op de omstandigheden van persoon en gezin, noodzakelijk zijn;
b. het bij de aanvang van de bijstand aanwezige vermogen voor zover dit minder bedraagt dan de toepasselijk vermogensgrens, genoemd in artikel 54;
c. vermogen ontvangen tijdens de periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan, tot het bedrag dat het bij de aanvraag om bijstand aanwezige vermogen minder bedroeg dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54.

De in artikel 54 Abw genoemde vermogensgrens bedroeg voor eiseres ten tijde hier in geding ƒ19.700,-.

In artikel 82, onderdeel a, Abw, is bepaald dat kosten van bijstand van de belanghebbende worden teruggevorderd voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.



Beoordeling van het geschil

Verweerders hebben bij besluit van 5 juli 1999 het recht van eiseres op zowel algemene bijstand als bijzondere bijstand over de periode van 1 augustus 1997 tot 1 februari 1999 herzien. In aansluiting daarop hebben zij bij besluit van 12 juli 1999 een bedrag van ƒ36.507,30 van eiseres teruggevorderd.

De rechtbank stelt voorop dat in het geval de terugvordering wordt gebaseerd op artikel 82 Abw, de terugvordering niet behoeft te worden voorafgegaan door een beslissing tot herziening van de aanspraken op bijstand met terugwerkende kracht. De grond voor de terugvordering is in artikel 82 zelf aangegeven en maakt ook onderdeel uit van het op die bepaling gebaseerde terugvorderingsbesluit. Aan het besluit van 5 juli 1999 komt dan ook geen zelfstandige betekenis toe.

Voor de berekening van het vermogen van eiseres is het volgende van belang.
Eiseres heeft bij de boedelscheiding op 19 februari 1999 de beschikking gekregen over een bedrag van ƒ56.207,30.
Op dit bedrag moeten allereerst op de voet van artikel 51, eerste lid, aanhef en onder a, Abw de schulden van eiseres in mindering worden gebracht.
Eiseres had op 19 februari 1999 nog een schuld van ƒ7500,00 in de vorm van een op 13 januari 1999 afgesloten doorlopend krediet. Verweerders hebben hier ten onrechte geen rekening mee gehouden. Anders dan verweerders blijkens de stukken veronderstellen, is dit krediet niet het doorlopend krediet dat op de afrekening van de notaris staat vermeld.
Derhalve dient deze schuld in mindering te worden gebracht op het bedrag van ƒ56.206,30. Er resteert dan een bedrag van ƒ48.706,30.

Op het aldus berekende vermogen dient overeenkomstig het bepaalde in artikel 52, eerste lid, aanhef en onder b en c, Abw in samenhang met artikel 54 Abw het vrij te laten vermogen in mindering te worden gebracht. Verweerders hebben dit bedrag vastgesteld op het ƒ19.700,00. Partijen verschillen hierover niet van mening.
Er blijft dan nog een bedrag aan vermogen over van ƒ29.006,30.

Tot de op grond van artikel 52, eerste lid, aanhef en onder a, Abw bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing te laten bezittingen in natura behoort een naar aard en waarde algemeen gebruikelijke inboedel.
In een geval als dit, waarbij na een echtscheiding een andere woning moet worden betrokken die moet worden voorzien van onder meer vloerbedekking en gordijnen en ten dele een nieuwe inboedel, acht de rechtbank het aanvaardbaar dat de betrokkene de woning tot een algemeen gebruikelijk niveau inricht. De daarmee gemoeide noodzakelijke kosten dienen bij de berekening van het vermogen buiten beschouwing te worden gelaten.
Bij de beoordeling van de vraag wat gebruikelijk is en welke kosten noodzakelijk zijn, dient enerzijds rekening te worden gehouden met het gegeven dat de betrokkene op bijstand is aangewezen, anderzijds moet acht worden geslagen op eventuele bijzondere omstandigheden waarin de persoon of het gezin verkeert. Uitgangspunt is daarom een sobere, maar doelmatige inrichting.

Voorts moet bij de berekening van het vermogen in een geval als dit rekening worden gehouden met de verhuiskosten, zijnde uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan die de betrokkene heeft moeten maken. Weliswaar behoren verhuiskosten in de regel tot de noodzakelijke kosten van het bestaan die uit het normbedrag voor algemene bijstand moeten worden voldaan. Echter in een situatie als deze, waarin door een echtscheiding een min of meer acute noodzaak tot verhuizing is ontstaan, is sprake van bijzondere omstandigheden die verlening van bijzondere bijstand zouden hebben gerechtvaardigd als betrokkene niet over vermogen zou hebben beschikt.

Verder tekent de rechtbank daarbij aan dat van de betrokkene mag worden verlangd dat deze op verzoek van burgemeester en wethouders de verhuis- en inrichtingskosten met nota's onderbouwt.
Voor zover de verhuis- en inrichtingskosten zijn betaald uit een lening kan dit bedrag uiteraard slechts eenmaal in mindering worden gebracht op de beschikbare middelen.

De rechtbank moet vaststellen dat verweerders bij de berekening van het vermogen van eiseres ten onrechte geen rekening hebben gehouden met de door haar ter zake van de verhuizing en de inrichting van haar nieuwe woning gedane uitgaven.
Nu niet is onderzocht welk bedrag aan verhuis- en inrichtingskosten als noodzakelijk kan worden beschouwd, valt thans ook niet vast te stellen met welk vermogen rekening moet worden gehouden bij de berekening van de hoogte van het van eiseres terug te vorderen bedrag aan bijstand.

De stelling van verweerders dat zij geen rekening hoeven te houden met de inrichtingskosten, omdat eiseres bijstand voor deze kosten kan vragen in de gemeente waar zij zich heeft gevestigd, onderschrijft de rechtbank niet. Het uitgangspunt van verweerders zou juist zijn geweest wanneer het zou gaan om het aanvragen van bijstand in deze kosten. Het gaat hier echter om de vaststelling van het vermogen van eiseres op het moment dat zij daarover de beschikking krijgt.

Anderzijds onderschrijft de rechtbank evenmin de opvatting van eiseres dat op het bedrag waarover zij de beschikking heeft gekregen een bedrag in mindering zou moeten worden gebracht in verband met de verkoop van enkele roerende zaken. Eiseres heeft de beschikking over dat geld gekregen en mag dat met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen besteden aan de aanschaf van een nieuwe inventaris. Voor een afzonderlijke vrijlating van dat bedrag is dan geen reden.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, moet worden geoordeeld dat verweerders het bestreden besluit niet met de vereiste zorgvuldigheid hebben voorbereid, alsmede dat de motivering van het bestreden besluit tekortschiet.
Onder gegrondverklaring van het beroep dient het bestreden besluit dan ook te worden vernietigd wegens strijd met de artikelen 3:2 en 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).



Griffierecht en proceskosten

Nu het beroep gegrond wordt verklaard, dient ingevolge artikel 8:74, eerste lid, Awb tevens te worden bepaald dat het door eiseres betaalde griffierecht ad ƒ60,- door de gemeente Eemsmond aan eiseres wordt vergoed.

De rechtbank acht verder termen aanwezig verweerders op de voet van artikel 8:75, eerste lid, Awb te veroordelen in de kosten die in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank redelijkerwijs ten behoeve van eiseres zijn gemaakt en wijst de gemeente Eemsmond aan als de rechtspersoon die deze kosten aan de griffier moet vergoeden.
Met inachtneming van het Besluit proceskosten bestuursrecht bepaalt de rechtbank deze kosten op ƒ1420,-, zoals nader aangegeven in een bij de uitspraak gevoegde bijlage.




3. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Groningen, sector Bestuursrecht, enkelvoudige kamer,

recht doende:

- verklaart het beroep gegrond;
- vernietigt het besluit van verweerders van 15 november 1999;
- bepaalt dat de gemeente Eemsmond eiseres het betaalde griffierecht ad ƒ60,- vergoedt;
- veroordeelt verweerders in de ten behoeve van eiseres gemaakte proceskosten, welke zijn vastgesteld op ƒ1420,-, en bepaalt dat de gemeente Eemsmond deze kosten dient te betalen aan de griffier van de rechtbank.

Aldus gegeven door mr. B.J.H. Hofstee, rechter, en in het openbaar door hem uitgesproken op 1 maart 2001, in tegenwoordigheid van H. Siebers als griffier.

De griffier, wnd., De rechter,




Afschrift verzonden op: 1 maart 2001.

Bijlage: Staat van kosten.




De rechtbank wijst erop dat partijen en andere belanghebbenden binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak daartegen hoger beroep kunnen instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA in Utrecht.