Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AB2280
ECLI: ECLI:NL:CRVB:1998:AB2280
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 97/5165 ABW
Datum uitspraak: 25 augustus 1998
Wetsartikelen: artt. 7 ABW (= 54 Abw) (= 34 Wwb) / 3:2 en 3:4 Awb
Trefwoorden: vermogen; erfenis; oververmogen; toepasselijke vermogensgrens; interingsperiode; vertrouwensbeginsel; zorgvuldigheid; evenredigheid
Essentie: Terechte weigering bijstand wegens na intering nog immer aanwezig vermogen boven de vermogensgrens, zeker nu de inwonende dochter inmiddels 18 jaar is geworden en voor betrokkene als alleenstaande een veel lagere vermogensgrens geldt (hetgeen overigens ook zou gelden zonder onderbreking van de bijstandverlening). Het vertrouwensbeginsel is niet geschonden, omdat geen uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt ten aanzien van de vermogensgrens geldend voor een alleenstaande ouder.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 97/5165 ABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Als gemachtigde van appellante heeft mr. N.M.H. Neijsen, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Enschede, op de bij beroepschrift uiteengezette gronden hoger beroep ingesteld tegen de door de arrondissementsrechtbank te Almelo onder dagtekening 29 april 1997 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft d.d. 29 oktober 1997 een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 14 juli 1998, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Neijsen, voornoemd, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door C. Jeurink, werkzaam bij de gemeente Enschede.




II. Motivering


Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.
Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad gaat uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante, geboren in 1940, heeft een studerende dochter, C, die op 20 december 1977 is geboren.

Appellante ontvangt sedert 1980 een uitkering ingevolge de ABW.

Begin 1995 heeft appellante een erfenis ontvangen in verband waarmee gedaagde bij besluit van 7 maart 1995 de uitkering van appellante met ingang van 1 februari 1995 heeft beëindigd. Hij heeft daarbij overwogen dat het vermogen van appellante ten bedrage van ƒ47.313,88 het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen van ƒ18.400,- overtreft. Bij dat besluit is voorts aan appellante medegedeeld dat zij omstreeks 22 december 1995 opnieuw een aanvraag om bijstand kan indienen indien zij dan niet zou kunnen voorzien in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.

Eind december 1995 heeft appellante gedaagde verzocht om haar wederom een uitkering ingevolge de ABW toe te kennen.

Die aanvraag is bij primair besluit van 22 januari 1996 afgewezen op de grond dat het vermogen van appellante ten bedrage van ƒ21.034,34 het vrij te laten bescheiden vermogen met ƒ11.834,34 overtreft. Daarbij is overwogen dat appellante voor de toepassing van de ABW als een alleenstaande wordt aangemerkt sedert haar dochter C, voornoemd, de leeftijd van 18 jaren heeft bereikt, zodat het vrij te laten bescheiden vermogen ƒ9200,- bedraagt.

Het door appellante tegen het primaire besluit ingediende bezwaarschrift, dat zich richtte tegen de vaststelling van het vrij te laten bescheiden vermogen op een bedrag van ƒ9200,-, is door gedaagde bij het bestreden besluit van 15 juli 1996 ongegrond verklaard. Hij heeft daartoe onder andere het volgende overwogen:
"Naar aanleiding van de door u op 27 december 1995 ingediende aanvraag werd door de sociale dienst een nieuw onderzoek ingesteld. U bleek nog te beschikken over een vermogen ad ƒ21.034,34. Geconcludeerd werd dat, nu uw dochter op 20 december 1995 de leeftijd van 18 jaar had bereikt, u voor de ABW niet meer aangemerkt kon worden als eenoudergezin, maar als alleenstaande. Derhalve werd dan ook voor een vermogensvaststelling uitgegaan van het lagere bedrag voor het vrij te laten vermogen ad ƒ9200,-.

Echter, ingevolge het bepaalde in de Wet op de studiefinanciering gaat een eventuele studiebeurs eerst in in het kwartaal na het kwartaal waarin de betrokkene 18 jaar is geworden, in casu 1 januari 1996. Tot en met 31 december 1995 behield u dan ook uw recht op kinderbijslag voor de bij u inwonende en ten laste van u komende dochter. Derhalve diende bij de behandeling van de aanvraag d.d. 27 december 1995 tot 1 januari 1996 qua vrij te laten vermogen te worden uitgegaan van ƒ18.400,-. Na 1 januari 1996 gold echter wel het lagere bedrag ad ƒ9200,- (na indexering ƒ9300,-).
De feitelijke aanwezigheid van een saldo ad ƒ21.034,34 overtrof echter ook voornoemd (hogere) bescheiden vermogen, hetgeen betekent dat er geen recht op ABW bestond."

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit van 15 juli 1996 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellante heeft in hoger beroep, evenals in eerste aanleg, betoogd dat het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen slechts éénmaal dient te worden vastgesteld en wel op het moment van de aanvraag dan wel, zoals in haar geval, op het moment van overschrijding daarvan. Aangezien het vrij te laten bescheiden vermogen bij het besluit van 7 maart 1995 op ƒ18.400,- is vastgesteld, is bedoeld vermogen volgens appellante bij het bestreden besluit ten onrechte bepaald op ƒ9200,- c.q ƒ9300,-.
Appellante heeft voorts gesteld dat gedaagde door diens brief van 7 maart 1995 bij haar het te rechtvaardigen vertrouwen heeft gewekt dat zij omstreeks 22 december 1995 wederom voor een uitkering ingevolge de ABW in aanmerking zou komen.

Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht, heeft de Raad niet tot een ander oordeel geleid dan waartoe de rechtbank in de aangevallen uitspraak is gekomen.

De Raad stelt voorop dat tussen partijen niet in geschil is dat appellante ten tijde van haar aanvraag in december 1995 (nog) geen recht had op toekenning van een bijstandsuitkering omdat haar vermogen van ƒ21.034,34 zowel het voor een eenoudergezin geldende vrij te laten bescheiden vermogen van ƒ18.400,- als dat voor een alleenstaande van ƒ9200,- overtrof.
Partijen worden slechts verdeeld gehouden door het antwoord op de vraag of gedaagde zich bij het bestreden besluit terecht en op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het voor appellante op en na 1 januari 1996 geldende vrij te laten bescheiden vermogen ƒ9300,- bedraagt omdat appellante per die datum voor de toepassing van de ABW als een alleenstaande dient te worden aangemerkt omdat haar dochter op 20 december 1995 de leeftijd van 18 jaar had bereikt.

Evenals gedaagde en de rechtbank is de Raad van oordeel dat bij een nieuwe aanvraag om een bijstandsuitkering of bij een voor de toepassing van de ABW relevante wijziging in de omstandigheden het in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder b, van de ABW in verbinding met artikel 8 van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Bln) bedoelde vrij te laten bescheiden vermogen opnieuw dient te worden vastgesteld. Aangezien de dochter van appellante met ingang van 1 januari 1996 niet langer kon worden aangemerkt als een ten laste van appellante komend kind, zulks in verband met haar aanspraken ingevolge de Wet op de studiefinanciering, is appellante per laatstvermelde datum door gedaagde terecht en op goede gronden als een alleenstaande in de zin van het Bln aangemerkt voor wie het vrij te laten bescheiden vermogen ƒ9300,- bedraagt.

Voorts is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat het beroep van appellante op het vertrouwensbeginsel faalt. Zoals de Raad reeds herhaaldelijk tot uitdrukking heeft gebracht zijn er bijzondere gevallen denkbaar waarin strikte toepassing van een wettelijk voorschrift van dwingendrechtelijke aard in die mate in strijd komt met het vertrouwensbeginsel of met de in de artikelen 3:2 en 3:4 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) neergelegde beginselen dat zij op grond daarvan geen rechtsplicht meer kan zijn. Van een dergelijk bijzonder geval kan sprake zijn indien vanwege het tot beslissen bevoegde orgaan ten aanzien van een betrokkene uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezeggingen zijn gedaan die bij haar gerechtvaardigde verwachtingen hebben gewekt. Een dergelijk bijzonder geval doet zich naar het oordeel van de Raad hier niet voor omdat het besluit van gedaagde van 7 maart 1995 geen toezeggingen als bedoeld bevat.

Gelet op het vorenoverwogene dient de aangevallen uitspraak te worden bevestigd.

De Raad acht geen termen aanwezig toepassing te geven aan artikel 8:75 van de Awb.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gegeven door mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als voorzitter en mr. Ch. de Vrey en mr. Ch.J.G. Olde Kalter als leden, in tegenwoordigheid van mr. I. de Hartog als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 augustus 1998.

(get.) J.M.A. van der Kolk-Severijns.

(get.) I. de Hartog.