Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AC0513
ECLI: ECLI:NL:RBMID:2001:AC0513
Instantie: Rechtbank Middelburg
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: Awb 01/32
Datum uitspraak: 11 juni 2001
Wetsartikelen: art. 67 Abw (= 43 Wwb)
Trefwoorden: aanvraag; schriftelijke bijstandsaanvraag namens aanvrager; vertegenwoordiger; schriftelijke machtiging
Essentie: Onterecht niet in behandeling nemen van de namens de aanvrager ingediende bijstandsaanvraag wegens het ontbreken van een schriftelijke machtiging van hem, omdat hij psychisch en lichamelijk ernstig ziek was en met spoed opgenomen was, zodat in dit bijzondere geval, waarin de wil van de aanvrager om een bijstandsaanvraag in te dienen de gemeente bekend was en hij bovendien zelf de aanvraagformulieren had ondertekend, ook zonder machtiging sprake is van een rechtmatige aanvraag.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Middelburg Awb 01/32




U I T S P R A A K




inzake:

de erven van A, wonende te B (Tsjechië), eisers,
gemachtigde: mr. D. van Loon te Soest

tegen

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Tholen, verweerder.




1. Procesverloop


Op 28 maart 2000 heeft de Stichting Ziekenhuis X te Y aan verweerder verzocht in aanmerking te komen voor vergoeding van ziektekosten voor A.

Verweerder heeft op 28 april 2000 besloten deze aanvraag niet in behandeling te nemen.

Hiertegen hebben eisers bij verweerder bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 5 december 2000 heeft verweerder het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Hiertegen zijn eisers in beroep gekomen bij deze rechtbank.

Het geschil is op 21 mei 2001 behandeld ter zitting. Daarbij werden eisers vertegenwoordigd door V, één van de erven van A, die het woord liet aan C, ex-echtgenote van A. Als gemachtigde van verweerder was aanwezig M.J. de Rijke, ambtenaar van de gemeente Tholen.




2. Overwegingen


Ingevolge artikel 67, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) stellen burgemeester en wethouders het recht op bijstand op schriftelijke aanvraag of, indien een schriftelijke aanvraag niet mogelijk is, ambtshalve vast.

Eisers zijn de (twee) kinderen van wijlen de heer A (hierna: A), die op 14 maart 2000 in het X Ziekenhuis is opgenomen en op 14 april 2000 is overleden in het S Ziekenhuis te T.

Eisers stellen dat A op 14 maart 2000 of op de dag van zijn ziekenhuisopname mondeling een bijstandsuitkering heeft aangevraagd bij een medewerker van de sociale dienst, de heer F. Volgens eisers heeft F toegezegd dat de ziekenhuisopname financieel in orde zou komen. A zou de door F beschikbaar gestelde aanvraagformulieren hebben ondertekend. Deze formulieren zijn volgens eisers vervolgens door de heer W, een vriend van A, gezonden naar diens accountant Q. Bij brief van 11 april 2000 heeft Q de financiële situatie van A aan verweerder toegelicht. Deze brief dient tevens als aanvraag te worden aangemerkt. Subsidiair zijn eisers van mening dat een aanvraag is gedaan voor de bijstand in de kosten van de ziekenhuisopname, dan wel dat ziekenhuizen gemachtigd zijn tot het doen van een dergelijke aanvraag. Eisers hebben nog toegelicht dat A aan een geestelijke stoornis lijdende was.

Verweerder betwist dat er een aanvraag om een bijstandsuitkering is gedaan door of namens A. F heeft geen toezeggingen gedaan en deze ambtenaar heeft overigens geen beslissingsbevoegdheid. Het verzoek van het ziekenhuis van 28 maart 2000 is wel als bijstandsaanvraag aangemerkt, maar niet als zodanig in behandeling genomen omdat een schriftelijke machtiging van A ontbrak. Ook de brief van Q van 11 april 2000 ging niet van een machtiging van A vergezeld. Er is dan ook volgens verweerder geen primair besluit genomen op een aanvraag, waartegen eisers bezwaar konden maken. Op die grond heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank heeft het volgende overwogen.

Uit het verhandelde ter zitting is gebleken dat A op of omstreeks 14 maart 2000 niet persoonlijk met F heeft gesproken. Om A over te halen tot ziekenhuisopname heeft W zich tot de sociale dienst gewend. F heeft ten behoeve van de aanvraag door A formulieren aan W meegegeven. Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de rechtbank niet worden gezegd dat A op of omstreeks 14 maart 2000 een mondelinge aanvraag om bijstand heeft gedaan. Van een toezegging dat bijstand zou worden verleend, kan evenmin sprake zijn nu F ter zake niet beslissingsbevoegd was.

De op 28 maart 2000 door K, staffunctionaris patiënteninformatie bij het X Ziekenhuis, bij verweerder ingediende aanvraag betrof een vergoeding in de kosten van verpleging en andere ziektekosten van A. Op die datum was A nog in leven en de rechtbank neemt aan dat het ziekenhuis heeft bedoeld de aanvraag te doen namens A. Daarvan getuige ook het feit dat namens verweerder telefonisch contact is opgenomen met het ziekenhuis over een machtiging van A. Vaststaat evenwel dat de aanvraag van het ziekenhuis niet werd gevolgd door een machtiging van A.

De rechtbank stelt voorop dat bij de indiening van een aanvraag in het algemeen de instemming van de betrokkene is vereist, welke instemming bij voorkeur moet blijken uit een schriftelijke machtiging. Ingevolge artikel 67, eerste lid, Abw kan de vaststelling van het recht op bijstand evenwel ook ambtshalve geschieden. Daaruit leidt de rechtbank af dat in een bijzonder geval bijstand kan worden verleend zonder aanvraag. Zulks impliceert naar het oordeel van de rechtbank tevens - en anders dan in het Handboek SoZaWe op pagina F/2600/1 wordt gesteld - dat er in een bijzonder geval ook zonder een schriftelijke machtiging van de (wettelijke vertegenwoordiger van de) belanghebbende sprake kan zijn van een aanvraag.

Van zulk een bijzonder geval is hier naar het oordeel van de rechtbank sprake. A was psychisch en lichamelijk ernstig ziek en werd met spoed opgenomen in het X Ziekenhuis. Aan K, aan wiens zorg A feitelijk was toevertrouwd, kon in dit geval niet worden tegengeworpen dat hij geen machtiging van A kon overleggen. Immers dat A bijstand wilde aanvragen, was verweerder middels de ambtenaar van de sociale dienst F bekend. Juist vanwege de bijstandsaanvraag had A zich tot de ziekenhuisopname laten overhalen. Dat A de bijstand wilde aanvragen, leidt de rechtbank ook af uit de ondertekening van A van de door F ter beschikking gestelde aanvraagformulieren (onder meer intakeformulier CWI Tholen).

Uit het voorgaande concludeert de rechtbank dat verweerder de aanvraag om bijstand van het X ziekenhuis namens A ten onrechte niet in behandeling heeft genomen. Verweerder heeft derhalve ten onrechte het bezwaarschrift kennelijk niet-ontvankelijk verklaard omdat er geen primair besluit was genomen wegens het ontbreken van een aanvraag.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het beroep gegrond is.

De rechtbank zal dan ook niet meer ingaan op de door verweerder aangevoerde gronden waarom A of diens erven toch al geen positieve beslissing had of hadden te verwachten op een bijstandsaanvraag of een aanvraag om vergoeding van de verpleeg- en ziektekosten.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder, met toepassing van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht, te veroordelen in de kosten die eisers in verband met deze procedure hebben moeten maken. Gelet op het Besluit proceskosten bestuursrecht (Koninklijk besluit van 22 december 1993, Stb. 1993, 763) stelt de rechtbank de kosten vast op ƒ710,-, uitgaande van een wegingsfactor 1 en van 1 punt voor het beroepschrift.




3. Uitspraak


De arrondissementsrechtbank te Middelburg:

verklaart het beroep gegrond;
bepaalt dat de gemeente Tholen aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ60,- (zestig gulden) voldoet;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op ƒ710,- (zeventienhonderd gulden), te betalen door de gemeente Tholen aan eisers.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 11 juni 2001 door mr. J.P.M. Hopmans, in tegenwoordigheid van mr. J. de Graaf, griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.