Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AC1903
ECLI: ECLI:NL:RBROT:2001:AC1903
Instantie: Rechtbank Rotterdam
Soort procedure: beroep
Zaaknummers: ABW 99/1012-GAME en ABW 99/1013-GAME
Datum uitspraak: 14 juni 2001
Wetsartikelen: artt. 9, 14, 69 en 81 Abw (= 13, 18, 54 en 58 Wwb)
Trefwoorden: vakantie; te late terugkeer; herziening bijstand; terugvordering; maatregel; gebruikelijke vakantieduur; territorialiteitsbeginsel; rechtszekerheidsbeginsel
Essentie: Onterechte terugvordering van bijstand wegens te late terugkeer van verblijf in het buitenland, omdat betrokkene over de eerste vier weken vakantie waarvoor toestemming was verleend - gelet op het territorialiteitsbeginsel - het recht op bijstand behoudt. De opgelegde maatregel waarbij de bijstand met terugwerkende kracht is verlaagd door middel van een herzienings- en terugvorderingsbesluit is in strijd met het gemeentelijk beleid.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Rotterdam ABW 9911012-GAME en ABW 9911013-GAME




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, verweerder.




1. Ontstaan en loop van de procedure


Eiser ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (hierna: Abw). Bij besluit van 7 april 1998 is door de dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheid (hierna: SoZaWe) de door eiser gevraagde toestemming voor een vakantie naar Pakistan gedurende de periode van 24 maart 1998 tot en met 4 mei 1998 verleend. Daarbij werd bepaald dat de uitkering zou worden doorbetaald tot 20 april 1998. Voorts heeft verweerder in het besluit vermeld dat eiser zich na terugkomst van zijn vakantie zo snel mogelijk diende te melden bij de balie van de dienst SoZaWe met zijn paspoort of ticket.

Omdat eiser pas op 26 juni 1998 terugkwam in Nederland en hij zich pas op 29 juni 1998 heeft gemeld bij de dienst SoZaWe, heeft verweerder bij besluit van 20 juli 1998 (hierna: primair besluit I) de uitkering ingevolge de Abw herzien over de periode van 24 maart 1998 tot en met 20 april 1998, in die zin dat over die periode in het geheel geen recht op bijstand bestaat, omdat eiser niet langer in B woont. Voorts heeft verweerder in datzelfde besluit de als gevolg hiervan te veel genoten bijstand over bovenstaande periode ten bedrage van ƒ1288,48 van eiser teruggevorderd.

Bij besluit van 20 juli 1998 (hierna: primair besluit II) heeft verweerder eisers recht op bijstand gewijzigd in die zin dat de bijstandsnorm ingaande 1 juli 1998 gedurende één maand met 10% wordt verlaagd. Verweerder heeft daarbij vermeld dat de reden van het opleggen van de maatregel ligt in het door eiser te laat terugkeren van zijn vakantie.

Tegen zowel primair besluit I als primair besluit II heeft eiser bij brieven van 6 augustus 1998 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 23 maart 1999 (hierna: bestreden besluit I) heeft verweerder het bezwaar tegen primair besluit I ongegrond verklaard. Wel heeft verweerder besloten de motivering te wijzigen in die zin dat de herziening van het recht op bijstand wordt gebaseerd op het territorialiteitsbeginsel.

Bij besluit van 23 maart 1999 (hierna: bestreden besluit II) heeft verweerder het bezwaar tegen primair besluit Il ongegrond verklaard.

Tegen beide bestreden besluiten heeft eiser door middel van faxberichten van 4 mei 1999 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brieven van 8 en 9 juli 1999 verweerschriften ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 9 mei 2001. Eiser is niet verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. H.H. Nicolai.




2. Overwegingen


ingevolge artikel 7, eerste lid, van de Abw heeft iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet beschikt over de middelen om te voorzien in de noodzakelijke kosten van het bestaan, recht op bijstand van overheidswege.

Artikel 9, eerste lid, aanhef en onder d, van de Abw bepaalt dat degene die in Nederland zijn woonplaats heeft doch die, langer dan de gebruikelijke vakantieduur, verblijf houdt buiten Nederland, geen recht op bijstand heeft.

Ingevolge artikel 1 van de Regeling gebruikelijke vakantieduur Abw (Besluit Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 13 maart 1998, Stcrt. 1998, 5 1 [53, red.], in werking getreden op 1 april 1998) wordt onder gebruikelijke vakantieduur, bedoeld in artikel 9, eerste lid, onderdeel d, van de Abw verstaan:
a. voor de belanghebbende die 57,5 jaar of ouder is dertien weken per kalenderjaar, met dien verstande dat een aaneengesloten vakantieperiode niet langer mag zijn dan dertien weken;
b. voor overige belanghebbenden: vier weken per kalenderjaar.

In artikel 69, derde lid, van de Abw staat vermeld dat onverminderd het elders in deze wet bepaalde ter zake van herziening of intrekking van een besluit tot toekenning van bijstand en ter zake van weigering van bijstand, burgemeester en wethouders een dergelijk besluit herzien of intrekken:
a. indien een gedraging als bedoeld in artikel 14, eerste lid, of het niet of niet behoorlijk nakomen van een verplichting als bedoeld in artikel 65, eerste lid, heeft geleid tot het ten onrechte of tot een te hoog bedrag verlenen van bijstand;
b. indien anderszins de bijstand ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend.

Artikel 78 van de Abw regelt de algemene terugvorderingsplicht. Het derde lid van artikel 78 bepaalt dat van terugvordering kan worden afgezien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.

Artikel 81, eerste lid, van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, dat bijstand die als gevolg van een besluit als bedoeld in artikel 69, derde lid, ten onrechte of tot een te hoog bedrag is verleend van de belanghebbende wordt teruggevorderd.

Artikel 14, eerste lid, van de Abw bepaalt, voor zover hier van belang, indien de belanghebbende blijk heeft gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan, burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk weigeren.

In artikel 14, tweede lid, van de Abw is vermeld dat een maatregel als bedoeld in het eerste lid, wordt afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert. Van het opleggen van een maatregel wordt in eik geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

Ingevolge het vierde lid van artikel 14 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders van het opleggen van een maatregel als bedoeld in het eerste lid afzien indien daarvoor dringende redenen aanwezig zijn.



Overwegingen ten aanzien van bestreden besluit I

Op grond van de op voormelde wettelijke bepaling gebaseerde gemeentelijke regelgeving, zoals neergelegd in het Handboek SoZaWe (B/2300), geldt als algemene regel dat vakantie kan worden toegestaan voor maximaal vier weken per kalenderjaar, van welke maximale vakantieperiode in principe niet mag worden afgeweken. In het beleid is voorts bepaald dat als een belanghebbende om wat voor reden dan ook te laat van vakantie terugkeert, geen aanspraak bestaat op een bijstandsuitkering over de periode buiten de vier weken (dan wel dertien weken ten aanzien van personen van 57,5 jaar of ouder). In die gevallen moet een beslissing worden genomen over toepassing van een maatregel en de terugvordering van de uitkering over de periode die eventueel is doorbetaald. Er moet altijd een maatregel worden toegepast als:
- de belanghebbende een uitkering ontvangt waaraan de arbeidsinschakeling gerichte verplichtingen zijn verbonden,
- en het niet tijdig terugkeren in Nederland verwijtbaar is.

In het beleid van verweerder is daarnaast vermeld dat, indien wordt teruggekeerd na dertien weken, steeds een beslissing moet worden genomen over toepassing van een maatregel en terugvordering van de uitkering over de doorbetaalde vakantieperiode. De doorbetaalde periode kan in die gevallen worden teruggevorderd omdat geen sprake is geweest van een voorgenomen tijdelijk verblijf in het buitenland.

Achteraf bezien bestond er dan ook geen recht op doorbetaling. Bovendien heeft de belanghebbende zich niet gehouden aan de voorwaarde dat hij tijdig terug moet keren. Van terugvordering kan in dergelijke gevallen worden afgezien als de belanghebbende niet verweten kan worden dat hij te laat is teruggekeerd.

Eiser had van de dienst SoZaWe toestemming gekregen voor een vakantie van zes weken, ingaande 24 maart 1998. De uitkering zou worden doorbetaald gedurende vier weken, derhalve tot en met 20 april 1998. De resterende weken zouden voor eigen rekening van eiser komen. Eiser is vervolgens op vakantie gegaan en pas op 26 juni 1998 van zijn vakantie in Nederland teruggekeerd. Hij is derhalve teruggekomen na dertien weken.

Eiser heeft zich op het standpunt gesteld dat hij over de periode van 24 maart 1998 tot en met 20 april 1998 wel recht had op doorbetaling van de uitkering, zodat de over die periode verstrekte bijstand niet mag worden teruggevorderd. Eiser is van mening dat ten onrechte voorbijgegaan wordt aan het feit dat hij vanwege medische klachten niet eerder van zijn vakantie is teruggekeerd. Eiser stelt dat hij reeds begin mei 1998 gezondheidsklachten had die hem het terugreizen onmogelijk maakten; hij zou daarbij zijn afgegaan op het advies van zijn arts in Pakistan. Eiser is dan ook van mening dat hem de te late terugkeer naar Nederland niet verweten kan worden.

De rechtbank overweegt dat blijkens constante jurisprudentie in geval van verblijf in het buitenland niet van het territorialiteitsbeginsel kan worden afgeweken, ongeacht de reden van het langere verblijf in het buitenland met uitzondering van een jaarlijkse vakantie in het buitenland van maximaal vier weken. Blijkens de wetsgeschiedenis heeft de wetgever met de invoering van de nieuwe Abw geen breuk beoogd met deze vaste jurisprudentie.

De rechtbank is van oordeel dat het beleid van verweerder betreffende verblijf in het buitenland zoals weergegeven in het Handboek SoZaWe niet in overeenstemming is met het bepaalde in artikel 9 van de Abw. In de memorie van antwoord [memorie van toelichting, red.] bij dit artikel wordt immers gesproken van het op grond van het territorialiteitsbeginsel niet kunnen voortzetten van de bijstand na vier weken verblijf in het buitenland, ongeacht de reden van het langere buitenlandse verblijf. De rechtbank overweegt dan ook dat, indien met toestemming van de uitkerende instantie gedurende vier weken met behoud van uitkering in het buitenland wordt verbleven en de betreffende persoon keert eerst na afloop van die vier weken terug naar Nederland, hij het recht op bijstand over die vier weken verblijf in het buitenland behoudt. De rechtbank concludeert dan ook dat verweerder ten onrechte de volledige periode dat eiser in het buitenland heeft verbleven, dus ruim dertien weken, van eiser heeft teruggevorderd. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit I voor vernietiging in aanmerking komt. Het beroep tegen dit besluit zal dan ook gegrond worden verklaard.



Overwegingen ten aanzien van bestreden besluit II

Verweerder heeft in zijn beleid, neergelegd in het Handboek SoZaWe (B/2300 en B/8100), bepaald dat bij terugkeer van vakantie na dertien weken steeds een beslissing moet worden genomen over toepassing van een maatregel. Bij te late terugkeer van vakantie moet een maatregel van 10% gedurende één maand worden overwogen.

De rechtbank is van oordeel dat de maatregel ten onrechte met ingang van 1 juli 1998 is opgelegd. Verweerder heeft immers in zijn beleid, neergelegd in het Handboek SoZaWe (B/8100), bepaald dat uitgangspunt van gemeentelijk beleid is dat de maatregel, ook bij gedragingen in het verleden, steeds in de toekomst worden opgelegd. In het beleid is verder vermeld dat de maatregel in beginsel niet eerder mag ingaan dan de dag volgend op de datum van de verzending van de beschikking en dat bij gedragingen in het verleden de uitkering dus niet met terugwerkende kracht verlaagd wordt door middel van een herzienings- en terugvorderingsbesluit. Aangezien in casu de maatregel met terugwerkende kracht is ingegaan, komt het bestreden besluit II in zoverre wegens strijd met het rechtszekerheidsbeginsel en wegens strijd met het beleid van verweerder voor vernietiging in aanmerking. Het beroep tegen het bestreden besluit Il zal derhalve eveneens gegrond worden verklaard.

Verweerder zal worden opgedragen nieuwe besluiten op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De rechtbank ziet geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Wel zal zij gelasten dat aan eiser het door hem betaalde griffierecht wordt vergoed.




3. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

verklaart zowel het beroep tegen bestreden besluit I als het beroep tegen bestreden besluit II gegrond;
vernietigt zowel bestreden besluit I als bestreden besluit II;
bepaalt dat verweerder binnen zes weken na datum van deze uitspraak nieuwe besluiten op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
gelast dat verweerder aan eiser het door hem betaalde griffierecht van ƒ120,- vergoedt;

Deze uitspraak is gedaan door mr. H.A. van Gameren. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. I. Geerink-van Loon als griffier, uitgesproken in het openbaar op 14 juni 2001.

de griffier, De rechter,




Afschrift verzonden op: 14 juni 2001.




Een belanghebbende - waaronder in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.