Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AD3427
ECLI: ECLI:NL:RBSGR:2001:AD3427
Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 00/7301 ABW
Datum uitspraak: 8 juni 2001
Wetsartikelen: artt. 39, 40, 47 en 51 Abw (= 35, 35, 32 en 34 Wwb) / 7:12 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; huurkosten; woonkostentoeslag; inkomsten uit vermogen; ontvangen aflossingsbedragen schuld; middelen; motivering
Essentie: Onterechte afwijzing van bijzondere bijstand in de vorm van woonkostentoeslag wegens voldoende inkomsten, omdat de maandelijkse aflossing van een schuld aan betrokkene van vóór de bijstandsaanvang niet tot de middelen kan worden gerekend en geen inkomsten uit vermogen betreft.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank 's-Gravenhage AWB 00/7301 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiseres], wonende te [woonplaats], eiseres,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




1. Ontstaan en loop van het geding


Eiseres ontvangt een uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet van ƒ1413,08 per maand.

Sinds 15 maart 1997 huurt zij een woning op het adres [...] te [woonplaats]. De nettohuur bedraagt ƒ1185,73.

Per 31 december 1998 is de vennootschap onder firma X, waarvan eiseres mede-eigenaar was, ontbonden. In het kader van de afwikkeling daarvan heeft de rechtsopvolger van de firma, Y BV, zich in een vaststellingsovereenkomst verplicht om een bestaande schuld jegens eiseres te doen verminderen door betaling aan eiseres van een totaalbedrag van ƒ37.500,- in maandelijkse termijnen van ƒ1000,-. Deze betalingen hebben op 15 februari 1999 een aanvang genomen.

Op 22 september 1999 heeft eiseres een aanvraag voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend. Eiseres komt in verband met de hoogte van de huur voor haar woning niet in aanmerking voor huursubsidie.
Op haar aanvraagformulier woonkostentoeslag heeft eiseres aangegeven dat zij bij acceptatie van de woning niet kon voorzien dat zij door ziekte niet meer de financiële middelen voor onder andere huurbetaling zou kunnen verwerven.

Bij besluit van 6 december 1999 heeft verweerster hierop afwijzend beslist op grond van de overweging dat eiseres over voldoende middelen beschikt om zelf in de gevraagde kosten te voorzien.
Hiertegen heeft eiseres bij schrijven van 14 december 1999 bezwaar gemaakt.

Bij schrijven van 14 januari 2000 is de president verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Bij uitspraak van 2 maart 2000 heeft de president van deze rechtbank dit verzoek afgewezen.

Op 9 maart 2000 is eiseres in het kader van het bezwaarschrift gehoord.

Bij besluit van 19 mei 2000 heeft verweerster de bezwaren van eiseres, overeenkomstig het advies van de afdeling Bezwaar en Beroep van 11 april 2000, ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit is namens eiser bij brief van 1 juli 2000 beroep ingesteld.

Voorts heeft eiseres op 16 december 1999 een nieuwe aanvraag voor bijzondere bijstand in de vorm van een woonkostentoeslag ingediend.
Op deze aanvraag is uiteindelijk door verweerster met ingang van 16 december 1999 aan eiseres een woonkostentoeslag toegekend ad ƒ758,00 per maand.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 15 maart 2001 ter zitting behandeld.
Eiseres is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. J.P.C.M. van Es. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. A.M.H.W. van Heerebeek.




2. Motivering


Artikel 39, eerste lid, Abw bepaalt - voor zover van belang - dat de alleenstaande recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Artikel 40, eerste lid, Abw bepaalt dat voor de vaststelling van de draagkracht burgemeester en wethouders geheel of gedeeltelijk in beschouwing nemen:
a. het in aanmerking te nemen vermogen;
b. het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3.

Artikel 47, eerste lid, Abw bepaalt - voor zover van belang - dat onder inkomen wordt verstaan de op grond van paragraaf 1 in aanmerking genomen middelen voor zover deze:
a. betreffen inkomsten uit vermogen (...), dan wel naar hun aard met deze inkomsten en uitkeringen overeenkomen; en
b. betrekking hebben op een periode waarover beroep op bijstand wordt gedaan.

Ingevolge artikel 51, eerste lid, onderdeel a, van de Abw wordt onder vermogen verstaan de waarde van de bezittingen waarover de alleenstaande of het gezin bij de aanvang van de bijstandverlening beschikt of redelijkerwijs kan beschikken, verminderd met de op dat tijdstip aanwezige schulden.

Verweerster staat op het standpunt dat de maandelijkse betalingen aan eiseres van ƒ1000,- gezien dienen te worden als inkomsten uit vermogen of naar hun aard daarmee gelijk te stellen inkomsten. Doordat eiseres beschikt over haar Anw-uitkering én deze maandelijkse inkomsten van ƒ1000,-, beschikt zij over voldoende draagkracht om de kosten van de huur op te vangen.

Eiseres betwist dat zij beschikt over voldoende middelen om in haar woonkosten te voorzien. Zij stelt dat zij naast haar uitkering op grond van de Algemene nabestaandenwet niet beschikt over middelen die als inkomsten in de zin van de artikelen 47 e.v. van de Abw kunnen worden aangemerkt. De maandelijkse uitbetalingen van ƒ1000,- door Y BV kunnen naar de mening van eiseres niet als inkomsten worden aangemerkt nu deze betrekking hebben op een aflossingsbedrag dat genoemde vennootschap aan betrokkene verschuldigd is.
Deze middelen voldoen derhalve niet aan de criteria zoals genoemd in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, van de Abw.
Bovendien hebben deze middelen geen betrekking op een periode waarover bijstand c.q. woonkostentoeslag wordt gevraagd, maar houden zij verband met de inmiddels gestaakte activiteiten van eiseres als zelfstandig horecaondernemer, zodat volgens eiseres evenmin wordt voldaan aan het gestelde in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de Abw.
Eiseres stelt dat voor zover bedoelde middelen dienen te worden aangemerkt als vermogen, dat vermogen het vrij te laten vermogen niet overtreft. Ten tijde van de aanvraag woonkostentoeslag was de vordering op Y B.V. nog ƒ29.500,-. Daarnaast heeft verzoekster in verband met haar voormalige horecaonderneming een lening bij de IDM-bank afgesloten, waarvan zij op het moment van aanvraag nog ƒ23.313,- moest terugbetalen. Tevens is vermeld dat zij op haar bankrekening bij de Rabobank voor ƒ3000,- en op haar girorekening bij de Postbank ƒ1000,- rood staat.
Uit de stukken blijkt dat verzoekster maandelijks een bedrag van ƒ508,08,- ter aflossing van haar schuld aan de IDM-bank en ƒ25,- ter aflossing van een schuld aan Wehkamp betaalt.


De rechtbank overweegt als volgt.

Allereerst stelt de rechtbank vast dat niet in geschil is dat eiseres per 16 december 1999 in aanmerking is gebracht voor woonkostentoeslag. Vanaf die datum is de woonkostentoeslag toegekend, aangezien eiseres na december 1999 niet langer de betalingen van ƒ1000,- per maand ontving en het niet mogelijk was gebleken de schuldenaar via rechtsmaatregelen tot betaling te dwingen.
Overigens kan uit de gedingstukken worden opgemaakt dat eiseres ook in de maanden oktober en november wegens financiële problemen van haar schuldenaar geen betaling van het maandbedrag van ƒ1000,- heeft ontvangen. Dat zou nog uitsluitend in december 1999, na enige aanmaning door eiseres, het geval zijn geweest.

Ter beoordeling van de rechtbank staat of verweerster terecht heeft geoordeeld dat eiseres over de periode 22 september 1999 tot 16 december 1999 geen aanspraak kan maken op woonkostentoeslag op grond van de overweging dat eiseres gelet op haar inkomsten beschikt over de middelen ter voorziening in haar woonkosten.
Hierbij neemt de rechtbank in aanmerking dat eiseres de berekening van haar draagkracht op zichzelf niet heeft betwist, maar aanvoert dat daarbij ten onrechte rekening is gehouden met het feit dat zij maandelijks van Y BV een bedrag van ƒ1000,- ontvangt.

De rechtbank neemt, evenals verweerster, tot uitgangspunt dat de maandelijkse betalingen van ƒ1000,- door Y BV voortvloeien uit een vordering die is ontstaan door een voorheen door eiseres uit haar vermogen verstrekte lening.

In het bestreden besluit heeft verweerster ermee volstaan te stellen dat de maandelijkse betalingen moeten worden gezien als maandelijks door eiseres te besteden inkomsten. De in deze stelling neergelegde mening van verweerster wordt door verweerster in het bestreden besluit en evenmin in het verweerschrift verder van enige motivering voorzien. Waarom de aflossing van een uit het vermogen verstrekte lening behoort tot de inkomsten als bedoeld in artikel 47, eerste lid, onderdeel a, Abw wordt niet verduidelijkt. Terwijl dit nu juist wel één van de door eiseres ingediende bezwaargronden was.
Hiermee berust het bestreden besluit niet op een deugdelijke motivering, zodat het voor vernietiging in aanmerking komt.

Voorts is de rechtbank van oordeel dat de maandelijkse betalingen in elk geval niet kunnen worden aangemerkt als inkomsten uit vermogen. De betaalde bedragen betreffen immers slechts aflossingen op de hoofdsom van de lening en geen rente of andere opbrengsten van die hoofdsom.

Ook de vraag of deze inkomsten naar hun aard gelijk te stellen zijn met inkomsten uit vermogen beantwoord de rechtbank ontkennend. Naar het oordeel van de rechtbank is aan het begrip inkomsten eigen dat, zolang het bedrag van die inkomsten niet wordt uitgegeven, dit leidt tot een toename van het totaal van het bezit van de betrokkene. In casu is daar geen sprake van. Door de enkele ontvangst van deze inkomsten wordt de financiële positie van eiseres per saldo niet verbeterd.
Indien eiseres maandelijks een bedrag zou opnemen van een eerder door haar bij een bank ondergebracht gedeelte van haar geldelijke bezit, dan valt niet in te zien dat zulke geldopnames tot haar inkomsten moeten worden gerekend. In casu is de situatie niet anders. De vergelijking die verweerster maakt met de inkomsten bestaande uit een lijfrente op basis van een daarvoor als koopsom gestort bedrag gaat hierom mank, omdat die koopsom niet alleen gestort is met het oogmerk om in de toekomst periodieke inkomsten te verkrijgen, maar ook omdat die lijfrente, in elk geval, ten dele ook gefinancierd wordt met de renderende opbrengst van de gestorte koopsom.
Indien, zoals verweerster doet, het bedrag van de maandelijkse aflossing van de lening wordt gerekend tot de door eiseres maandelijks te besteden inkomsten, heeft dit het gevolg dat de betrokkene feitelijk moet interen op het vermogen; daarmee ontstaat strijd met de bepaling dat - een gedeelte van - het vermogen van een bijstandsgerechtigde bij de beoordeling van het recht op bijstand wordt vrijgelaten.

Voorts is de rechtbank met eiseres van oordeel dat deze middelen geen betrekking hebben op een periode waarover bijstand c.q. woonkostentoeslag wordt gevraagd, zodat niet wordt voldaan aan het gestelde in artikel 47, eerste lid, onderdeel b, van de Abw. De periodieke aflossing van de lening is niet bestemd voor een bepaalde periode, zoals dat bij een uitkering of een andere inkomstenbron die dient voor levensonderhoud, zoals alimentatie, pensioen e.d., het geval is.

Op bovenstaande gronden kan het bestreden besluit niet in stand blijven.

In de gegrondverklaring van het beroep ziet de rechtbank aanleiding verweerster op de voet van het Besluit proceskosten bestuursrecht te veroordelen in de proceskosten, die worden bepaald op ƒ1420,-.

Beslist is derhalve als volgt.




3. Beslissing


De Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit met bepaling dat verweerster een nieuw besluit zal nemen met inachtneming van het hiervoor overwogene;
veroordeelt verweerster in de proceskosten tot een bedrag van ƒ1420,-, welk bedrag aan eiser dient te worden vergoed door de gemeente Den Haag;
bepaalt dat de gemeente Den Haag aan eiseres het door haar gestorte griffierecht ad ƒ60,- zal vergoeden.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee en in het openbaar uitgesproken op 8 juni 2001, in tegenwoordigheid van de griffier mr. G.M. Keizer.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.