Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AD3656
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2001:AD3656
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 99/2572 NABW en 01/2706 NABW
Datum uitspraak: 28 augustus 2001
Wetsartikelen: artt. 1a ABW en 18a Bln (= 17 en 39 Abw) (= 15 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; meerkosten dieet; kosten ontstoring woning; magneetstaaf; polariseerder; voorliggende voorziening; limitatieve lijst
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor extra meerkosten van een dieet, omdat de noodzaak van die kosten niet is aangetoond, en terechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van ontstoring van de woning, daar deze kosten buiten de werkingssfeer van de voorliggende voorziening zijn gelaten.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/2572 NABW en 01/2706 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Amsterdam, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellante heeft op de in een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een tussen partijen gewezen uitspraak van de arrondissementsrechtbank te Amsterdam van 30 maart 1999, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Vervolgens heeft appellante een brief toegezonden met bijlagen waarin zij de gronden nader aanvult.

Gedaagde heeft schriftelijk meegedeeld dat de inhoud van het beroepschrift geen aanleiding geeft tot het maken van nadere opmerkingen.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 juli 2001, waar appellante in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. G.J.J. van den Boogert, advocaat te Amsterdam, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door P. Minderhoud, werkzaam bij de gemeente Amsterdam.




II. Motivering


Met ingang van 1 januari 1996 is de Algemene Bijstandswet (ABW) ingetrokken en zijn de Algemene bijstandswet en de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet in werking getreden.

Het in dit geding aan de orde zijnde geschil wordt beoordeeld aan de hand van de ABW en de daarop berustende bepalingen, zoals die luidden ten tijde als hier van belang.

De Raad gaat op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante heeft op 30 oktober 1995 een aanvraag ingediend om bijzondere bijstand voor dieetkosten en voor de kosten van ontstoring van haar woning. Bij besluit van 28 december 1995 heeft gedaagde deze aanvraag afgewezen.
Bij besluit op bezwaar van 14 november 1997, hierna aangeduid als besluit I, is het besluit van 28 december 1995 in die zin herroepen dat de meerkosten van het door appellante gevolgde dieet tot een bedrag van ƒ40,- per maand worden aangemerkt als bijzondere noodzakelijke kosten van het bestaan en is aan appellante bijstand in de meerkosten tot dat bedrag toegekend. Tevens is bij besluit I de afwijzing van de gevraagde bijstand voor de kosten van ontstoring van haar woning gehandhaafd, omdat appellante deze kosten onvoldoende geconcretiseerd zou hebben. Tenslotte is bij dat besluit bijzondere bijstand voor homeopatische kosten toegekend tot een bedrag van ƒ58,67. Deze toekenning is verder niet in geschil.

Terwijl het beroep van appellante bij de rechtbank tegen besluit I aanhangig was, heeft gedaagde dit besluit bij besluit van 8 mei 1998, hierna besluit II, herzien voor zover het betrekking heeft op de kosten van de ontstoring en het voor overige gehandhaafd.
Gedaagde heeft de gevraagde bijzondere bijstand in de kosten van ontstoring bij dit besluit afgewezen op grond van het bepaalde in artikel 1a, tweede lid, van de ABW.

De rechtbank heeft in de aangevallen uitspraak van het beroep tegen besluit I gegrond verklaard, het beroep tegen besluit II ongegrond verklaard en beslissingen gegeven inzake de vergoeding van proceskosten en griffierecht.

In hoger beroep voert appellante aan dat de tegemoetkoming in de dieetkosten tot een bedrag van ƒ40,- onvoldoende recht doet aan de bijzonder hoge uitgaven die zij heeft voor voeding en dat de kosten van ontstoring van haar woning zijn aan te merken als bijzondere noodzakelijke kosten, zodat zij wel in aanmerking gebracht moet worden voor bijzondere bijstand in deze kosten.

Alvorens het geschil ten gronde te beoordelen, merkt de Raad het volgende op.

De rechtbank heeft geoordeeld dat bij besluit II besluit I is aangevuld, waardoor de motivering aan besluit I (deels) is komen te vervallen, zodat besluit I voor vernietiging in aanmerking komt. Voorts heeft zij het geschil met betrekking tot de dieetkosten beoordeeld in het kader van besluit II.
De Raad volgt de rechtbank hierin niet, omdat besluit II in feite gedeeltelijk intrekking van besluit I inhoudt met betrekking tot het onderdeel bijzondere bijstand voor ontstoringskosten en vervanging door een nieuw afwijzend besluit met betrekking tot die kosten op basis van een andere motivering dan in besluit I. Besluit I is niet gewijzigd voor zover dat ziet op het onderdeel bijzondere bijstand voor dieetkosten.
Aan de orde is dan eerst de vraag of appellante nog belang had bij een gegrondverklaring van haar beroep voor zover dat ziet op het door gedaagde ingetrokken deel van besluit I.
De Raad beantwoordt die vraag ontkennend, daarbij in aanmerking nemend dat dit belang niet gelegen kan zijn in het verkrijgen van een veroordeling tot vergoeding van proceskosten en griffierecht en voorts dat niet om toepassing van artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) is verzocht. Een niet-ontvankelijkverklaring van het inleidend beroep gericht tegen besluit I voor zover dat ziet op de ontstoringskosten was dan ook op zijn plaats geweest.

Met betrekking tot hetgeen partijen verdeeld houdt overweegt de Raad het volgende.

A. Bijzondere bijstand voor dieetkosten.

Aan besluit I ligt, voor zover daarbij bijzondere bijstand is toegekend voor dieetkosten tot een bedrag van ƒ40,-, een 27 oktober 1997 gedateerd advies ten grondslag van dr. U.J.L. Reijnders, arts bij de Gemeentelijke Geneeskundige en Gezondheidsdienst (GG&GD) te Amsterdam. Dit advies bevat de conclusie dat er een medische indicatie bestaat voor een tegemoetkoming ten bedrage van ƒ40,- per maand in de kosten van een diabetesdieet.
Alvorens de GG&GD-arts dit advies heeft uitgebracht, heeft hij appellante laten onderzoeken op de polikliniek endocrinologie van het Academisch Ziekenhuis van de Vrije Universiteit, alwaar J.H. de Vries, internist, heeft geconcludeerd dat er bij appellante sprake zou kunnen zijn van een reactieve hypoglykemie. Deze internist gaf appellante het advies om voedsel in te nemen bij het optreden van klachten. Met betrekking tot de candida van de darm kon de internist geen specifiek voedingsadvies geven omdat hier geen wetenschappelijk bewijs voor is. De huisarts heeft de GG&GD, als reactie op de conclusie van internist De Vries, op 16 oktober 1997 schriftelijk laten weten dat een voedingspatroon bestaande uit biologisch en biologisch dynamische producten zoals beschreven door de diëtiste M.T. Geels, door wie appellante sinds september 1996 begeleid wordt, bij veel mensen in haar huisartsenpraktijk met reactieve hypoglykemie leidt tot vermindering van klachten.

Naar het oordeel van de Raad kan van het GG&GD-advies niet worden gezegd dat het onzorgvuldig is tot stand gekomen dan wel dat het op een onjuiste grondslag berust, zodat gedaagde bij het nemen van zijn besluit zich kon en mocht baseren op dit advies.

De door appellante en haar huisarts verstrekte informatie kan naar het oordeel van de Raad hieraan niet afdoen, aangezien die informatie geen toereikende onderbouwing bevat om aan te kunnen nemen dat op medische gronden naar objectieve maatstaven gemeten een aandoening is vastgesteld waarvoor het volgen van een dieet met overwegend biologisch en biologisch dynamische producten aangewezen is.
Het vorenstaande leidt de Raad tot de conclusie dat niet is komen vast te staan dat de uit individuele omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke dieetkosten welke niet uit de bijstandsnorm kunnen worden voldaan meer dan ƒ40,- per maand hebben bedragen.

Hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht over het gunstige effect van haar behandeling door de osteopaat J.D. Fernand en de door hem geadviseerde voedingsmiddelen, en de bevestiging van de huisarts in een brief aan de Raad van 17 oktober 1999 dat de situatie van appellante sinds zij in behandeling is bij genoemde osteopaat een stuk stabieler is geworden, kan de Raad, wat daar verder ook van zij, niet tot een ander oordeel brengen. De Raad merkt daarbij op dat de aanvraag voor dieetkosten die thans in geding is, dateert van eind 1995, terwijl appellante ter zitting desgevraagd heeft meegedeeld dat zij eerst sedert augustus 1998 in behandeling is bij de osteopaat J.D. Fernand.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat besluit I stand kan houden voor zover het de afwijzing van de bijstand in de meerkosten van het dieet boven een bedrag van ƒ40,- per maand betreft.

B. Bijzondere bijstand voor ontstoring van appellantes woning.

Ingevolge artikel 1a, eerste lid, van de ABW wordt geen bijstand verleend voor zover een beroep kan worden gedaan op een voorliggende voorziening die, gezien haar aard en doel, wordt geacht voor betrokkene toereikend en passend te zijn.
Het tweede lid van dat artikel bepaalt dat de bijstand zich niet uitstrekt tot kosten die uitdrukkelijk buiten de werkingssfeer van een voorliggende voorziening zijn gelaten.

Appellante wil de ontstoring van de woning in hoofdzaak plaats doen vinden met behulp van een zogeheten MagneTech. Dit is, zoals appellante ook ter zitting bevestigd heeft, een sterke magneetstaaf. Blijkens de productbeschrijving van deze magneetstaaf gaat het in feite om een hulpmiddel bij een natuurlijke geneeswijze. Dat betekent dat de gevraagde bijstand kosten betreft voor een hulpmiddel op het terrein van de gezondheidszorg. Hetzelfde geldt voor de zogeheten polariseerder die appellante ook zegt nodig te hebben voor de ontstoring van haar omgeving.

Naar het oordeel van de Raad dient voor de kosten van hulpmiddelen op het terrein van de gezondheidszorg ten tijde hier in geding, de AWBZ en in het bijzonder de Regeling hulpmiddelen AWBZ 1994 [zie Regeling hulpmiddelen 1996, red.], zoals die gold tot 1 januari 1996, in beginsel te worden beschouwd als een aan de ABW voorliggende, toereikende en passende voorziening als bedoeld in artikel 1a, eerste lid, van de ABW.

Voor de hier aan de orde zijnde hulpmiddelen geldt dat zij niet zijn opgenomen in de limitatieve lijst van krachtens de AWBZ voor vergoeding in aanmerking komende hulpmiddelen, zodat het bepaalde in artikel 1a, tweede lid, van de ABW aan bijstandverlening in de weg staat.

Het vierde lid van artikel 1a van de ABW biedt echter de mogelijkheid om in afwijking van de voorgaande leden wel bijstand te verlenen voor de gevraagde kosten indien en zolang, gelet op alle omstandigheden, daartoe zeer dringende redenen aanwezig zijn. Blijkens de memorie van toelichting dient daarbij gedacht te worden aan noodsituaties. Met gedaagde is de Raad van oordeel dat hiervan in het geval van appellante niet is gebleken.

Gedaagde heeft derhalve de aanvraag om bijstand in de kosten van ontstoring op goede gronden bij besluit II afgewezen.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig om toepassing te geven aan het bepaalde in artikel 8:75 van de Awb.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak, behoudens voor zover daarin over de vergoeding van het griffierecht en de proceskosten in beroep is beslist;
verklaart het inleidend beroep gericht tegen besluit I, voor zover dit ziet op de dieetkosten, ongegrond;
verklaart het inleidend beroep gericht tegen besluit I voor het overige niet-ontvankelijk;
verklaart het inleidend beroep voor zover dit geacht moet worden te zijn gericht tegen besluit II ongegrond;
gelast de gemeente Amsterdam aan appellante het in hoger beroep gestorte recht van ƒ170,- te vergoeden.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 28 augustus 2001.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.