Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AD4723
ECLI: ECLI:NL:RBMID:2001:AD4723
Instantie: Rechtbank Middelburg
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: Awb 01/246
Datum uitspraak: 28 augustus 2001
Wetsartikelen: artt. 34, 35 en 38 Abw (= 26, 27 en 30 Wwb)
Trefwoorden: verlaging bijstandsnorm of toeslag; kostendeling; woningdeling; opvanghuis; opvangtehuis; woonstede; woning; geen woonkosten; gemeentelijke verordening
Essentie: Onterechte verlaging van de bijstandsnorm wegens woningdeling zijnde tijdelijk verblijf in een opvanghuis, omdat geen sprake is van een woonstede aangezien de bewoners niet vrijelijk kunnen beschikken over de woning. Vanwege het ontbreken van een woning is in strijd met de gemeentelijke Bijstandsverordening beslist.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Middelburg Awb 01/246




U I T S P R A A K




inzake:

[eiser A] en [eiser B], wonende te [woonplaats], eisers,
gemachtigde: mr. W.R. Aerts, advocaat te Vlissingen,

tegen

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Vlissingen, verweerder.




1. Procesverloop


Bij besluit van 22 november 2000 heeft verweerder eisers met ingang van 9 november 2000 bijstand toegekend ter voorziening in de kosten van levensonderhoud, berekend naar de norm voor een gezin, onder verlaging van die norm met 10% van het nettominimumloon.
Verweerder heeft tevens bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening verstrekt.

Tegen de verlaging hebben eisers een bezwaarschrift ingediend.

Bij besluit van 21 maart 2001 heeft verweerder dat bezwaarschrift ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit hebben eisers beroep ingesteld bij de rechtbank.

Het beroep is op 15 augustus 2001 behandeld ter zitting. Eisers hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde A. Vermeer.




2. Overwegingen


Ingevolge artikel 34 van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) kunnen burgemeester en wethouders voor gehuwden de bijstanduitkering verlagen voor zover de belanghebbenden lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hebben dan waarin de bijstandsnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

Ingevolge artikel 35 van de Abw kunnen burgemeester en wethouders de bijstandsnorm lager vaststellen voor zover de belanghebbende lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandsnorm of de toeslag voorziet, als gevolg van de bewoning van een woning waaraan geen woonkosten zijn verbonden.

Ingevolge artikel 38, eerste lid, van de Abw stelt het gemeentebestuur bij verordening vast voor welke categorieën de bijstandsnorm wordt verhoogd of verlaagd en op grond van welke criteria die verhoging of verlaging wordt bepaald.

Ingevolge artikel 4 van de Verordening toeslagen op en verlagingen van de bijstandsnorm voor de categorieën van belanghebbenden aan wie bijstand kan worden verleend van de gemeente Vlissingen (hierna: Bijstandsverordening) wordt, voor zover hier van belang, de bijstandsnorm lager vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft dan waarin de bijstandnorm voorziet, als gevolg van het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van deze kosten met een ander.

Eisers, partners, hadden ten tijde van belang geen woonruimte in de gemeente Vlissingen en waren aangewezen op de nachtopvang van het X, een opvangcentrum in die gemeente.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat eisers lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan hadden omdat zij gebruik maakten van de nachtopvang van X en daardoor hun kosten van bestaan konden delen.

Eisers betwisten dat zij lagere kosten van bestaan hadden. Voor de nachtopvang bij X moesten zij ieder ƒ10,- per nacht betalen. Overdag zwierven ze op straat en waren dan voor eten en drinken aangewezen op duurdere horecatarieven. Eisers zijn van mening dat hun leven duurder is dan het leven in een reguliere huishouding, ook nu zij geen huur en nutsvoorzieningen hoeven te betalen.

De rechtbank overweegt het volgende.

Verweerder heeft artikel 4 van de Bijstandsverordening aan het bestreden besluit ten grondslag gelegd. Dat artikel ziet blijkens de toelichting op de omstandigheid dat betrokkenen een woning hebben, waarbij zij die woning met anderen delen. Dat levert financiële voordelen op, omdat de gezamenlijke woonlasten dan lager zijn. Ter zitting is namens verweerder betoogd dat X moet worden gezien als een woning, waarbij de bewoners kosten delen.

De rechtbank deelt dat standpunt niet. Naar haar oordeel is slechts sprake van een (deel van een) woning indien de bewoner aldaar zijn woonstede heeft. Dat wil zeggen dat de bewoner, binnen de grenzen van het recht, vrijelijk kan beschikken over de woonruimte. Hij moet kunnen komen en gaan naar believen, bezoek kunnen uitnodigen, de woonruimte kunnen verfraaien qua inrichting, kortom een eigen woonsfeer kunnen scheppen en eigen woonregels kunnen stellen. Van dat alles is in X geen sprake. Eisers gebruikten de voorziening slechts voor de nacht, waarbij zij gescheiden moesten slapen, eiser op de mannenzaal en eiseres op de vrouwenzaal. Zij kregen voorts een ontbijt en de gelegenheid zich te douchen. Eisers moesten zich houden aan de huisregels van X. Onder die omstandigheden kan niet worden gezegd dat X kan worden gezien als de woonstede van eisers waar zij met zekere autonomie konden verblijven. Bovendien kon van een min of meer bestendig verblijf ook geen sprake zijn gelet op de opvangfunctie van X. Overigens wordt het begrip woning in de Bijstandsverordening niet gedefinieerd anders dan dat in artikel 1, eerste lid, onderdel a, van de Bijstandsverordening en de toelichting onder een woning tevens een woonwagen en een woonschip wordt verstaan.

De rechtbank heeft nog gezien op artikel 5 van de Bijstandsverordening, waarin onder meer wordt bepaald dat de bijstandsnorm of toeslag lager wordt vastgesteld indien de gehuwde lagere algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan heeft als gevolg van bewoning van een woning waaraan geen kosten zijn verbonden. De toelichting op dit artikel vermeldt: "Indien betrokkene geen woning heeft, is de verordening niet van toepassing en dient afstemming middels artikel 13 Abw plaats te vinden". De rechtbank leidt uit de aangehaalde artikelen en de toelichting in hun onderlinge samenhang af dat de Bijstandsverordening niet voorziet in de mogelijkheid van een verlaging van de bijstandsnorm in die gevallen waarin betrokkenen geen woning hebben. Dat eisers geen vaste lasten zoals huur en kosten van nutsvoorzieningen hadden, maakt dat niet anders. Die omstandigheid kwam niet voort uit het geheel of gedeeltelijk kunnen delen van die kosten door woonruimte te delen, maar juist uit de tegenovergestelde situatie, te weten het ontbreken van woonruimte.

Verweerder heeft derhalve ten onrechte artikel 4 van de Bijstandsverordening toegepast, zodat het beroep gegrond is en het bestreden besluit vernietigd dient te worden.

In het voorgaande ziet de rechtbank aanleiding om verweerder te veroordelen in de proceskosten van eisers tot een bedrag van ƒ1420,-, uitgaande van een zaak van gemiddelde zwaarte en van twee proceshandelingen.




3. Uitspraak


De arrondissementsrechtbank te Middelburg:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat verweerder een nieuw besluit neemt, met inachtneming van het in deze uitspraak gestelde;
bepaalt dat de gemeente Vlissingen aan eisers het door hen betaalde griffierecht ten bedrage van ƒ60,- (zestig gulden) vergoedt;
veroordeelt verweerder in de kosten van deze procedure, aan de zijde van eisers begroot op ƒ1420,- (veertienhonderdtwintig gulden), te betalen door de gemeente Vlissingen aan de griffier.

Aldus gewezen en in het openbaar uitgesproken op 28 augustus 2001 door mr. J.P.M. Hopmans, in tegenwoordigheid van mr. M.K. Mol-Enklaar, griffier.




Afschrift verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan een belanghebbende hoger beroep instellen. Het instellen van het hoger beroep geschiedt door het indienen van een beroepschrift bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht, binnen zes weken na dagtekening van verzending van deze uitspraak.