Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AD6630
ECLI: ECLI:NL:HR:2002:AD6630
Instantie: Hoge Raad der Nederlanden
Soort procedure: beroep in cassatie
Zaaknummer: R01/086HR
Datum uitspraak: 18 januari 2002
Wetsartikelen: artt. 30 en 57 ABW (= 65 en 81 Abw) (= 17 en 58 Wwb)
Trefwoorden: middelen; terugvordering; schending inlichtingenverplichting; Hoge Raad
Essentie: Verwerping cassatieberoep, omdat dat beroep eerder in cassatie heeft gediend. Terechte terugvordering van bijstand wegens in aanmerking te nemen middelen, waarbij niet is voldaan aan de inlichtingenverplichting. Betrokkene heeft niet kunnen aantonen dat, waren de inlichtingen wel verstrekt, hij wel recht zou hebben gehad op bijstand. Er is geen sprake geweest van berechting met overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en betrokkene is niet door de duur van de procedure benadeeld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak eerste kamer Hoge Raad der Nederlanden R01/086HR




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. B.D.W. Martens,

tegen

de gemeente Roosendaal, gevestigd te Roosendaal, verweerster in cassatie,
niet verschenen.




1. Het geding tot dusver


Voor het verloop van het geding tot dusver tussen verzoeker tot cassatie - verder te noemen: [verzoeker] - en verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - verwijst de Hoge Raad naar zijn beschikking van 24 november 2000, rek. nr. R99/106HR. Bij deze beschikking heeft de Hoge Raad vernietigd de beschikking van de Rechtbank te Breda van 6 april 1999 en het geding verwezen naar die Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
Na memoriewisseling door partijen heeft de Rechtbank te Breda bij beschikking van 11 mei 2001 de beschikkingen van de Kantonrechter te Bergen op Zoom van 27 mei 1997 en 14 juli 1998, gewezen onder rep. nrs. 586/94 en 90/95, bekrachtigd.
De beschikking van de Rechtbank is aan deze beschikking gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen de beschikking van de Rechtbank heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L. Strikwerda strekt tot verwerping van het beroep.




3. Beoordeling van de middelen


De in de middelen aangevoerde klachten kunnen niet tot cassatie leiden. Zulks behoeft, gezien artikel 81 RO [Wet op de rechterlijke organisatie, red.], geen nadere motivering nu de klachten niet nopen tot beantwoording van rechtsvragen in het belang van de rechtseenheid of de rechtsontwikkeling.




4. Beslissing


De Hoge Raad verwerpt het beroep.

Deze beschikking is gegeven door de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers als voorzitter, H.A.M. Aaftink en O. de Savornin Lohman en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 18 januari 2002.




CONCLUSIE


Rek.nr. R01/086HR
Mr. L. Strikwerda
Parket, 23 november 2001

Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
de gemeente Roosendaal




Edelhoogachtbaar College,

1. Deze zaak, waarin thans verweerster in cassatie, hierna: de Gemeente, op grond van de (oude) ABW verhaal zoekt op thans verzoeker van cassatie, hierna: [verzoeker], voor aan deze verleende bijstand, heeft eerder in cassatie gediend; zie HR 24 november 2000, rek.nr. R99/106HR, n.g.

2. Het gaat om het volgende.
(i). Bij twee afzonderlijke verzoekschriften, ingekomen ter griffie van het Kantongerecht te Bergen op Zoom op respectievelijk 14 juli 1994 en 19 juni 1995, heeft de Gemeente gemaakte kosten van bijstand ten bedrage van respectievelijk ƒ3118,19 en ƒ59.057,19 teruggevorderd van [verzoeker] (en diens - inmiddels gewezen - echtgenote). Het betreft bijstand verleend over de perioden van respectievelijk 1 oktober 1990 tot en met 1 augustus 1991 en 1 oktober 1991 tot en met 8 november 1993. De Gemeente stelde dat de kosten van bijstand zijn verleend op grond van door de betrokkene verstrekte onjuiste en onvolledige inlichtingen.
(ii). Na verweer van [verzoeker] heeft de Kantonrechter, na een tussenbeschikking van 27 mei 1997, bij eindbeschikking van 14 juli 1998 in beide zaken het verzoek van de Gemeente toegewezen.
(iii). [Verzoeker] is van beide beschikkingen in hoger beroep gegaan bij de Rechtbank te Breda. Bij beschikking van 6 april 1999 verklaarde de Rechtbank [verzoeker] niet-ontvankelijk is zijn beroep wegens overschrijding van de appeltermijn.
(iv). Deze beschikking is op het cassatieberoep van [verzoeker] bij de genoemde beschikking van de Hoge Raad van 24 november 2000 vernietigd. De Hoge Raad wees het geding terug naar de Rechtbank ter verdere behandeling en beslissing.
(v). Na verwijzing heeft de Rechtbank bij beschikking van 11 mei 2001 [verzoeker] alsnog ontvankelijk geoordeeld in zijn hoger beroep en de beroepen beschikkingen van de Kantonrechter bekrachtigd.

3. [Verzoeker] is tegen de beschikking van de Rechtbank (tijdig; zie artikel 66 (oud) ABW juncto artikel 426, tweede en derde lid, Rv [Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering, red.]) in cassatie gekomen met twee middelen. De Gemeente heeft geen verweerschrift in cassatie ingediend.

4. Middel I klaagt dat de Rechtbank, door verhaal van het totale bedrag aan verstrekte bijstand toe te staan, heeft miskend dat bij terugvordering van bijstand als uitgangspunt heeft te gelden dat zulks slechts mogelijk is bij bijstand die niet verleend zou zijn indien de door betrokkene verstrekte inlichtingen juist en volledig zouden zijn geweest.

5. Het middel faalt wegens gebrek aan feitelijke grondslag. Blijkens de laatste alinea van rov. 3.13 [rechtsoverweging 3.13, red.] heeft de Rechtbank het door het middel bedoelde uitgangspunt in aanmerking genomen. De Rechtbank overweegt daar immers dat de Gemeente voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat [verzoeker] de noodzakelijkerwijs door hem te verstrekken inlichtingen niet heeft verstrekt en dat, waren die inlichtingen wel verstrekt, geen recht bestond op bijstandverlening, althans dat een dergelijk recht niet kan worden vastgesteld bij gebreke van voormelde inlichtingen. Voorts heeft de Rechtbank overwogen dat het vervolgens aan [verzoeker] was om feiten te stellen en zo nodig te bewijzen waaruit blijkt dat, indien hij bedoelde informatie wel had verstrekt, niettemin recht bestond op bijstandverlening, doch dat dergelijke feiten door [verzoeker] niet, althans onvoldoende gemotiveerd zijn gesteld. Dit oordeel strookt met het door het middel bedoelde uitgangspunt en geeft, in de uitwerking die de Rechtbank daaraan heeft gegeven ten aanzien van de stelplicht en het bewijsrisico, geen blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zie onder meer HR 25 september 1992, NJ 1992, 749; HR 9 oktober 1992, NJ 1992, 770; HR 9 juni 2000, NJ 2000, 456.

6. Middel II keert zich tegen het oordeel van de Rechtbank, in rov. 3.18, dat geen sprake is geweest van berechting met overschrijding van een redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM en dat [verzoeker] door de duur van de procedure niet is benadeeld.

7. Het middel faalt wegens gebrek aan belang. Ook indien juist zou zijn dat, toen de Rechtbank haar thans bestreden beschikking gaf, de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6, eerste lid, EVRM was verstreken, zou de Rechtbank op grond daarvan niet tot een andere, voor [verzoeker] gunstiger beslissing hebben mogen komen dan die welke, naar het oordeel van de Rechtbank, uit het nationale recht voortvloeit. Vgl. HR 29 juni 1990, NJ 1991, 337 nt. EAA. Zie voorts de conclusie van A-G Franx onder 18-20 voor HR 7 februari 1986, NJ 1987, 791 nt. EEA en P. Smits, Artikel 6 EVRM en de civiele procedure, 1996, blz. 236-239. Waar het middel de lange duur van de procedure met name toeschrijft aan gedragingen van de rechterlijke autoriteiten die over de zaak hebben geoordeeld, is er reeds daarom geen grond om de lange duur van de procedure in rekening bij de Gemeente te brengen door, zoals het middel kennelijk wil, de vorderingen van de Gemeente te matigen. Vgl. de conclusie van A-G Asser onder 2.6 voor HR 29 juni 1990, NJ 1991, 337 nt. EAA.

De conclusie strekt tot verwerping van het beroep.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,