Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AD7103
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2001:AD7103
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 99/3109 NABW
Datum uitspraak: 27 november 2001
Wetsartikelen: artt. 39 en 40 Abw (= 35 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten curatele; curator; bijzondere omstandigheden; noodzakelijke kosten
Essentie: Onterechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van curatele, omdat die kosten, nota bene door de gemeente en vervolgens de rechtbank aangemerkt als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, niet uit de bijstandsnorm kunnen worden voldaan.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/3109 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Roermond, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. J.B.J.G.M. Schyns, advocaat te Venlo, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de arrondissementsrechtbank te Roermond op 4 mei 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 16 oktober 2001. Daar is appellant verschenen bij zijn gemachtigde mr. A.M.C.C. Verblackt, advocaat te Venlo, en bij zijn curator drs. A.E. Leijssen, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. A. Brouns, werkzaam bij de gemeente Roermond.




II. Motivering


De Raad ontleent aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting de volgende feiten en omstandigheden die hij als vaststaande aanneemt.

Appellant heeft van 21 mei 1998 tot 14 september 1998 in de gemeente Roermond een uitkering ontvangen ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande, verhoogd met een toeslag van 10% van het nettominimumloon.
Appellant is per 20 december 1996 onder curatele gesteld, waarbij drs. Leijssen voornoemd tot curator is benoemd.
Namens appellant heeft de curator op 2 juni 1998 bij gedaagde een aanvraag ingediend om toekenning van bijzondere bijstand ter zake van de kosten van curatele over het tweede kwartaal van 1998 ad ƒ352,50.

Gedaagde heeft deze aanvraag bij besluit van 19 juni 1998 afgewezen.

Bij besluit van 4 augustus 1998 heeft gedaagde het namens appellant tegen het besluit van 19 juni 1998 gemaakte bezwaar als ongegrond afgewezen. Daarbij heeft gedaagde aanvaard dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan, maar zich op het standpunt gesteld dat deze kosten, gelet op de zogenoemde beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d, eerste lid, onderdeel b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering [Rv, red.] door appellant uit het eigen inkomen kunnen worden voldaan.

De rechtbank heeft bij de aangevallen uitspraak het beroep dat drs. Leijssen namens appellant tegen het besluit van 4 augustus 1998 heeft ingesteld ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep niet met het oordeel van de rechtbank kunnen verenigen.

De Raad overweegt als volgt.

In artikel 1:386, eerste lid, van het BW [Burgerlijk Wetboek, red.] wordt de beloning van de curator geregeld, in welk kader de kantonrechter de bevoegdheid toekomt om de beloning anders te regelen dan bij het uitspreken van de curatele of door de wet is aangegeven. Blijkens de eerst ter zitting namens appellant overgelegde beschikking van 28 november 2000 heeft de kantonrechter te Boxmeer de vergoeding die aan drs. Leijssen over onder meer het jaar 1998 toekomt, vastgesteld op ƒ1350,88.

De Raad volgt het standpunt van gedaagde in het besluit van 4 augustus 1998 dat in het onderhavige geding sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 39, eerste lid, van de Abw.

De Raad onderschrijft echter niet het standpunt van gedaagde dat de kosten van curatele uit het eigen inkomen van appellant kunnen worden voldaan op gronden ontleend aan artikel 475d, eerste lid, onderdeel b, van de Rv, regelende de vaststelling van de beslagvrije voet. Daartoe overweegt de Raad dat met de vaststelling dat sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als hier bedoeld gegeven is dat appellant in beginsel aanspraak kan maken op bijzondere bijstand in de onderhavige kosten. Bij de vervolgens uit te voeren middelentoets is bepalend of sprake is van draagkracht als bedoeld in de artikelen 39 en 40 van de Abw in het vermogen of het inkomen.
Ingevolge artikel 40, eerste lid, aanhef en onder b, van de Abw dient gedaagde voor de vaststelling van de draagkracht als bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Abw - voor zover hier van belang - in beschouwing te nemen het inkomen voor zover dit meer bedraagt dan de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, van de Abw.
Door bij de verlening van bijzondere bijstand rekening te houden met een deel van het inkomen op bijstandsniveau heeft gedaagde in strijd met de wet gehandeld.

Het voorgaande leidt de Raad tot de slotsom dat het besluit van 4 augustus 1998 wegens strijd met de wet voor vernietiging in aanmerking komt.
Gedaagde dient opnieuw op het bezwaarschrift van appellant, gericht tegen het besluit van 19 juni 1998, te beslissen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant. Deze kosten zijn begroot op ƒ1420,- in eerste aanleg en op ƒ1420,- in hoger beroep wegens verleende rechtsbijstand.

Gezien het vorenstaande dient te worden beslist als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidende beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag groot ƒ2840,-, te betalen door de gemeente Roermond aan de griffier van de Raad;
gelast de gemeente Roermond aan appellant het gestorte recht van ƒ55,- in beroep en ƒ170,- in hoger beroep (in totaal ƒ225,-) te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 27 november 2001.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.