Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AD9298
ECLI: ECLI:NL:RBSGR:2001:AD9298
Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage
Soort procedure: voorlopige voorziening
Zaaknummer: AWB 01/2556 ABW
Datum uitspraak: 6 augustus 2001
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en – Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; afwijzing bijstand; geen gelijkstelling met Nederlander; TBV 1999/23; Turken
Essentie: Terechte afwijzing bijstand, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a. niet kan worden gelijkgesteld met een Nederlander aangezien zijn aanvraag om toelating tot Nederland dateert van na inwerkingtreding van de Koppelingswet.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank 's-Gravenhage AWB 01/2556 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerder,



ten aanzien van het besluit van 16 mei 2001 van de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, waarbij door verweerster op verzoekers aanvraag om een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet afwijzend is beslist.




1. Zitting


Het verzoek is behandeld ter zitting van 2 augustus 2001. Verzoeker is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. T.E. van Dijk.
Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door M.I.E. Rhuggenaath.




2. Beoordeling van het verzoek om een voorlopige voorziening


Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de president van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

Bij besluit van 29 maart 2001 heeft de Uitvoeringsorganisatie GUO aan verzoeker meegedeeld dat zijn uitkering ingevolge de Werkloosheidswet met ingang van 28 februari 2001 is beëindigd.

Op 2 mei 2001 heeft verzoeker zich bij verweerster gemeld voor een bijstandsuitkering. Deze aanvraag werd op 16 mei 2001 op schrift gesteld en tevens bij besluit van gelijke datum afgewezen op grond van artikel 7, tweede en derde lid, van de Abw alsmede het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz aangezien verzoeker geen Nederlander is en niet met een Nederlander gelijkgesteld kan worden op grond van de Abw. Bij brief van 17 juli 2001 heeft verzoeker bezwaar gemaakt tegen genoemd afwijzingsbesluit en tevens bij de president van deze rechtbank een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De president dient de vraag te beantwoorden of het bestreden besluit van 16 mei 2001, naar voorlopig oordeel, bij heroverweging in bezwaar in stand zal blijven.

De president overweegt ten aanzien van de ontvankelijkheid van het bezwaarschrift als volgt.

Ingevolge het bepaalde in artikel 6:7 van de Awb bedraagt de termijn voor het indienen van een bezwaarschrift zes weken.

Artikel 6:8, eerste lid, van de Awb, schrijft voor dat die termijn aanvangt met ingang van de dag na die waarop het besluit op de voorgeschreven wijze is bekend gemaakt.

Artikel 3:41 van de Awb bepaalt dat de bekendmaking van een besluit geschiedt door toezending of uitreiking aan de belanghebbende.

In artikel 6:11 van de Awb is bepaald dat ten aanzien van een na afloop van de termijn ingediend bezwaarschrift niet-ontvankelijkverklaring op grond daarvan achterwege blijft indien redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat de indiener in verzuim is geweest.

Verzoeker heeft aangevoerd het bestreden besluit voor het eerst op 17 juli 2001 te hebben ontvangen na uitreiking door verweerder op diens wijkkantoor X waar verzoeker zich meldde. Gelet op deze bekendmaking meent verzoeker op 17 juli 2001 tijdig bezwaar te hebben gemaakt.

De president gaat er vooralsnog van uit, gelet op de door verzoeker aangevoerde gronden, dat het bezwaarschrift ontvankelijk is. Hierbij stelt de president vast dat verweerster geen middelen heeft aangewend om aan te tonen dat het bestreden besluit daadwerkelijk op 16 mei 2001 is verzonden.

De president overweegt ten aanzien van de afwijzing van de aanvraag om bijstand als volgt.

Op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw wordt met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 8, aanhef en onder a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000).

Op grond van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vw 2000 heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf:
a. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 14;
b. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 20;
c. op grond van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28;
d. op grond van een verblijfsvergunning voor onbepaalde tijd als bedoeld in artikel 33;
e. als gemeenschapsonderdaan zolang deze onderdaan verblijf houdt op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap dan wel de Overeenkomst betreffende de Europese Economische Ruimte;
l. indien de vreemdeling verblijfsrecht ontleent aan het Associatiebesluit 1/80 van de Associatieraad EEG/Turkije.

Verzoeker, een vreemdeling van Turkse nationaliteit, heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat hij wel rechtmatig in Nederland verblijft aangezien hij de beslissing op bezwaar naar aanleiding van de afwijzing op de aanvraag tot toelating in Nederland op grond van TBV 1999/23 [TBV: Tussentijds Bericht Vreemdelingencirculaire, red.] in Nederland mag afwachten. Daarnaast heeft verzoeker aangevoerd dat hij ten tijde van de invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 rechtmatig in Nederland verbleef en weigering van bijstand in zijn situatie disproportioneel is. Verzoeker beroept zich hierbij op artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) en de hiermee in verband staande uitspraak van de CRvB van 26 juni 2001 met nummer 99/2382. Tevens is verzoeker van oordeel dat hij recht op bijstand heeft op grond van artikel 11, onderdeel a, van het Europees verdrag inzake sociale en medische bijstand (EVSMB), dit ondanks de uitspraak van deze rechtbank van 26 maart 2001 met procedurenummer 00/11800. Volgens verzoeker is hierbij van de zijde van de rechtbank sprake van een misslag.

De president stelt vast dat verzoeker niet beschikt over rechtmatig verblijf zoals genoemd in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vw 2000. Verzoeker kan derhalve niet gelijkgesteld worden met een Nederlander op grond van artikel 7, tweede lid, van de Abw.

Voorts stelt de president vast dat het gestelde onder artikel 7, derde lid, van de Abw voor verzoeker niet van toepassing is aangezien hij nooit beschikte over rechtmatig verblijf zoals genoemd in artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vw 2000.

Artikel 26 van het IVBPR bepaalt dat allen gelijk zijn voor de wet en dat zij zonder discriminatie aanspraak hebben op gelijke bescherming door de wet. De wet verbiedt discriminatie van welke aard ook en garandeert een ieder gelijke en doelmatige bescherming tegen discriminatie op welke grond ook, zoals ras, huidskleur, geslacht, taal, godsdienst, politieke of andere overtuiging, nationale of maatschappelijke afkomst, eigendom, geboorte of andere status. De Centrale Raad van Beroep stelt in eerder genoemde uitspraak van 26 juni 2001 vast dat in de Koppelingswet een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is als bedoeld in artikel 26 van het IVBPR, nu aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend die aan Nederlanders zonder die voorwaarden worden toegekend. De Raad acht voor dit onderscheid op zich een toereikende rechtvaardiging aanwezig, mede gelet op de doelstelling van de Koppelingswet (geen aanspraak op uitkering bij wederrechtelijk verblijf in Nederland en voorkomen van schijnlegaliteit), dit mede ter ondersteuning van een consistent vreemdelingenbeleid. Deze rechtvaardiging geldt, volgens de Raad, ook voor de categorie vreemdelingen aan wie toestemming is verleend om in afwachting van een beslissing op hun aanvraag om een verblijfsstatus of in het kader van procedure daarover (voorlopig) in Nederland blijven. Volgens de Raad gaat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in de Abw in ieder geval ten volle op voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans in de visie van de Raad niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend.

De president stelt vast dat verzoeker eerst op 2 mei 2001 de bijstandsuitkering heeft aangevraagd, waarvan de aanspraak daarop thans onderwerp is van het geschil. Verzoeker behoort derhalve niet tot de categorie vreemdelingen die ten tijde van de invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 een bijstandsuitkering ontving op grond van artikel 12 (oud) van de Abw. Voorts stelt de president vast dat verzoeker is uitgeprocedeerd ten aanzien van zijn verzoek om toelating van 4 december 1996 en dat hij thans een procedure voert op basis van een tweede verzoek om toelating dat dateert van 21 mei 1999 en dat tevens wordt behandeld als een verzoek om toelating op grond van het TBV 1999/23. Nu verzoeker zijn rechtmatig verblijf, inhoudende een gedoogstatus op grond waarvan verzoeker Nederland niet uitgezet kan worden, ontleent aan een aanvraag om toelating tot Nederland die dateert van 21 mei 1999 en derhalve van na invoering van de Koppelingswet, kan de situatie van verzoeker niet gelijkgesteld worden met de situatie van de vreemdeling zoals bedoeld in eerder genoemde uitspraak van de Raad. Verzoeker kan derhalve geen aanspraak op bijstand ontlenen aan artikel 26 van het IVBPR.

De president is voorts van oordeel dat het beroep dat verzoeker doet op artikel 11 van het EVSMB faalt, aangezien de gedoogstatus van verzoeker niet op één lijn gesteld kan worden met een "permit or such other permission" zoals genoemd in artikel 11 van het EVSMB. De president verwijst voor de wettelijke bepalingen en de motivering naar de door beide partijen aangehaalde uitspraak van de rechtbank van 26 maart 2001 aangezien deze uitspraak bij beide partijen bekend is.
De president ziet niet in dat deze uitspraak van de rechtbank berust op een kennelijke misslag. De president gaat er hierbij van uit dat de rechtbank in eerder genoemde uitspraak blijkbaar van oordeel was dat, ondanks de schijnbare onduidelijkheid in het EVSMB doordat in artikel 11 geen verwijzing naar bijlage III staat, in artikel 12 wel een verwijzing naar bijlage III staat, terwijl boven bijlage III staat dat het een uitwerking van artikel 11 is, de bijlage III, naast wellicht ook op artikel 12, in ieder geval ook betrekking heeft op artikel 11 van het verdrag. Dit oordeel van de rechtbank ligt thans voor in hoger beroep bij de Centrale Raad van Beroep. Gelet op het bovenstaande komt het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Awb niet voor inwilliging in aanmerking.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakte proceskosten is de president niet gebleken.




3. Beslissing


De president van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage,

recht doende:

wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.

Aldus gegeven door mr. A.A.M. Mollee als fungerend president en in het openbaar uitgesproken op 6 augustus 2001, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Arrondissementsrechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op: