Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE0154
ECLI: ECLI:NL:RBZUT:2002:AE0154
Instantie: Rechtbank Zutphen
Soort procedure: voorlopige voorziening
Zaaknummer: 01/1587 NABW
Datum uitspraak: 17 januari 2002
Wetsartikelen: artt. 65 en 69 Abw (= 17 en 54 Wwb)
Trefwoorden: hoofdverblijf; adres; schending inlichtingenverplichting; beëindiging bijstand; hersteltermijn; incassokosten; acute financiële noodsituatie; voorschotten
Essentie: Terechte beëindiging bijstand, omdat betrokkene niet woont op het opgegeven adres en hij weigerde zijn werkelijke verblijfplaats mede te delen; een hersteltermijn behoefde niet te worden geboden. Dreigende incassokosten leiden niet tot een acute financiële noodsituatie en bovendien is een nieuwe bijstandsaanvraag ingediend waarbij voorschotten zijn verstrekt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter Rechtbank Zutphen 01/1587 NABW




U I T S P R A A K




op het verzoek om een voorlopige voorziening in het geschil tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Apeldoorn, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 14 december 2001, waarbij - voor zover hier van belang - het recht op bijstand van verzoeker met ingang van 1 december 2001 is beëindigd.




2. Procesverloop


Namens verzoeker heeft mr. C. Lucassen bij brieven van 19 december 2001 bezwaar gemaakt en verzocht om een voorlopige voorziening als bedoeld in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
Het verzoek is behandeld ter zitting van 14 januari 2002, waar verzoeker in persoon is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde, en waar verweerder werd vertegenwoordigd door mr. T. Hummelman-van Maaren.




3. Motivering


Ingevolge artikel 8:81 van de Awb dient te worden nagegaan of onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, een voorlopige voorziening vereist. Voor zover deze toetsing meebrengt dat het geschil in de bodemprocedure wordt beoordeeld, heeft deze uitspraak daaromtrent een voorlopig karakter en is deze niet bindend voor de beslissing in die procedure.

Verzoeker vraagt om een voorlopige voorziening die ertoe strekt dat de verstrekking van de bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande per 1 december 2001 voor de duur van de bezwaarprocedure wordt voortgezet.

Gebleken is dat verzoeker op 17 december 2001 opnieuw een bijstandsuitkering heeft aangevraagd en dat hem in verband daarmee reeds driemaal voorschotten zijn verstrekt tot een bedrag van totaal €|356,-. Verzoeker heeft verklaard onderdak te hebben, waarvoor hij geen huur is verschuldigd. Ter zitting zijn brieven van een tweetal schuldeisers - Zilveren Kruis ter zake van ziekenfondspremie over een periode voorafgaand aan 1 september 2001 en een tandarts ter zake van tandheelkundige verrichtingen - overgelegd waarin deze hebben aangekondigd tot incasso te zullen overgaan en de kosten daarvan aan verzoeker in rekening te zullen brengen.

Gezien het voorgaande en mede gelet op hetgeen overigens ter zitting naar voren is gebracht, kan niet worden gezegd dat verzoeker in een acute financiële noodsituatie is komen te verkeren. Voor het aannemen van zodanige situatie is niet voldoende dat verzoeker over enige tijd zal worden geconfronteerd met incassokosten.

Onder deze omstandigheden is er slechts plaats voor het treffen van een voorziening als gevraagd indien het besluit tot beëindiging van de uitkering per 1 december 2001 evident onjuist is te achten.

Dit besluit is gebaseerd op een rapport van de sociale recherche waarin is geconstateerd dat verzoeker niet woont op het adres dat hij destijds bij de aanvraag om uitkering had opgegeven en waarop hij ingeschreven staat in de gemeentelijke basisadministratie. Op 26 november 2001 heeft verzoeker dit tegenover de sociaal rechercheur erkend en tevens geweigerd te zeggen op welke adres hij doorgaans verblijft. Verweerder heeft de uitkering beëindigd op grond van het standpunt dat verzoeker aldus zijn inlichtingenplicht heeft geschonden en dat daardoor het recht op bijstand niet kan worden vastgesteld.

Namens verzoeker is aangevoerd dat verweerder het recht op bijstand met toepassing van artikel 69, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) had dienen op te schorten en verzoeker een termijn had moeten geven voor herstel van het verzuim om informatie over zijn verblijfplaats te verstrekken.

Er is grond voor twijfel omtrent de vraag of de regeling van artikel 69, eerste lid, van de Abw in een geval als het onderhavige - waarin eerst een onjuist woonadres is opgegeven en vervolgens wordt geweigerd om de werkelijke verblijfplaats mede te delen - toepassing dient te vinden. Daarom kan niet worden gezegd dat het bestreden besluit evident onjuist is omdat verweerder heeft nagelaten toepassing te geven aan de opschortingsregeling.

Ook overigens is er vooralsnog onvoldoende grond voor het oordeel dat de beëindiging van de uitkering per 1 december 2001 evident onjuist is. Weliswaar heeft verzoeker bij zijn nieuwe aanvraag om uitkering wel mededeling gedaan van zijn huidige woonadres en heeft hij ter zitting verklaard dat hij daar vanaf november 2001 woont, maar dit is op zichzelf nog niet voldoende om thans aan te nemen dat verzoeker per 1 december 2001 wel recht heeft op een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande.

Het verzoek om een voorlopige voorziening zal derhalve worden afgewezen.
Er bestaat geen aanleiding voor een veroordeling in proceskosten.




4. Beslissing


De voorzieningenrechter:

- wijst het verzoek af.

Aldus gegeven door mr. K. van Duyvendijk en in het openbaar uitgesproken op 17 januari 2002 in tegenwoordigheid van de griffier.




Afschrift verzonden op: