Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE0294
ECLI: ECLI:NL:RBSGR:2002:AE0294
Instantie: Rechtbank 's-Gravenhage
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 01/137 ABW
Datum uitspraak: 20 februari 2002
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en – Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; beëindiging bijstand; Koppelingswet; geen gelijkstelling met Nederlander; IVBPR; EVSMB; Turken
Essentie: Terechte beëindiging bijstand wegens onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat de betrokken vreemdeling ingevolge de Abw c.a. niet langer kan worden gelijkgesteld met een Nederlander nu hij eerst na inwerkingtreding van de Koppelingswet een verblijfsvergunning heeft aangevraagd; aan het IVBPR en EVSMB kan geen recht op bijstand worden ontleend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Rechtbank 's-Gravenhage AWB 01/137 ABW




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

de Commissie Sociale Zekerheid van de gemeente Den Haag, verweerster.




I. Ontstaan en loop van het geding


Bij besluit van 15 juni 1999 heeft verweerster aan eiser, een vreemdeling met de Turkse nationaliteit, met ingang van 15 oktober 1998 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend ter voorziening in de noodzakelijke kosten van het bestaan.

Bij besluit van 27 april 2000 heeft verweerster eisers bijstandsuitkering met ingang van 25 mei 2000 beëindigd, omdat eiser niet rechtmatig in Nederland verblijft als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Abw en ingevolge het derde lid op grond van nadere regelgeving niet met een Nederlander kan worden gelijkgesteld.

Eiser heeft bij brief van 25 mei 2000 bezwaar gemaakt tegen dit besluit en tevens de president van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening te treffen.

Bij uitspraak van 19 juli 2000 heeft de president verweersters besluit van 27 april 2000 geschorst en bepaald dat verweerster eiser met ingang van 25 mei 2000 een bijstandsuitkering toekent berekend naar de voor eiser geldende norm.

Eiser is door de afdeling bezwaar en beroep op 21 september 2000 omtrent zijn bezwaar gehoord.

Bij besluit van 17 november 2000, verzonden 30 november 2000, heeft verweerster eisers bezwaar ongegrond verklaard en het besluit van 27 april 2000 gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser bij brief van 11 januari 2001 beroep ingesteld.

Verweerster heeft de op de zaak betrekking hebbende stukken overgelegd en tevens bij brief van 26 september 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is op 7 november 2001 ter zitting behandeld. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting geschorst, het vooronderzoek hervat en eiser in de gelegenheid gesteld om de rechtbank nader te informeren over de hem bekend zijnde gegevens waarop zijn stelling is gebaseerd dat binnen afzienbare tijd een nieuw explanatory memorandum bij het Europees verdrag betreffende sociale en medische bijstand (EVSMB) zal worden vastgesteld en dat de inhoud daarvan steun zal bieden aan eisers opvatting over de uitleg van artikel 11 van het EVSMB.

Bij brief van 19 november 2001 heeft eiser nadere informatie overgelegd.

Op 24 januari 2002 heeft een nadere zitting plaatsgevonden en is de zaak hervat in de stand waarin zij zich bevond. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn advocaat mr. T.E. van Dijk. Verweerster heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink.




II. Motivering


In geschil is of verweerster met het besluit van 17 november 2000 het besluit van 27 april 2000 op goede gronden heeft gehandhaafd.

Vaststaat en niet in geschil is dat eiser geen aanspraak op bijstand kan ontlenen aan artikel 7, tweede lid, van de Abw, aangezien hij geen rechtmatig verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet (Vw). Evenmin is in geschil dat eiser niet behoort tot de personenkring bedoeld in artikel 7, derde lid, van de Abw, in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz.

Tussen partijen is enkel in geschil of eiser aanspraak maakt op een bijstandsuitkering ingevolge het bepaalde in artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR) dan wel de artikelen 1 en 11 van het EVSMB.

Ten aanzien van eisers beroep op artikel 26 van het IVBPR overweegt de rechtbank als volgt.

De rechtbank stelt vast dat de Centrale Raad van Beroep in zijn uitspraken van 26 juni 2001 (nrs. 99/2787 en 99/2382 NABW, gepubliceerd in RSV 2001/188 [LJN AB2277 en LJN AB2276, red.]) heeft geoordeeld dat bij artikel 7 van de Abw, waarbij aan vreemdelingen slechts onder bepaalde voorwaarden rechten worden verleend welke aan Nederlandse onderdanen zonder die voorwaarden worden toegekend, primair een onderscheid naar nationaliteit aan de orde is dat als zodanig binnen de werkingssfeer van artikel 26 van het IVBPR ligt. De Raad is voorts van oordeel dat de gerechtvaardigdheid van bedoeld onderscheid in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt, maar niet, althans niet in toereikende mate, voor diegenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend.

Vaststaat dat eiser zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning op 13 oktober 1998 heeft ingediend. Eiser was derhalve op 1 juli 1998 niet in de situatie dat hij een verblijfsrechtelijke procedure in Nederland mocht afwachten. De rechtbank is, in het voetspoor van de uitspraken van de Raad van 26 juni 2001, dan ook van oordeel dat reeds hierom de gerechtvaardigdheid van het in artikel 7 van de Abw gemaakte onderscheid naar nationaliteit voor eiser ten volle opgaat en eiser aan artikel 26 van het IVBPR geen aanspraak op bijstand kan ontlenen. Dat eiser, zoals hij ter nadere zitting heeft gesteld, op 1 juli 1998 ziekengeld genoot en bijstand is verleend met ingang van het einde van de wachttijd voor de WAO, kan hieraan niet afdoen.

Ten aanzien van eisers beroep op de artikelen 1 en 11 van het EVSMB overweegt de rechtbank als volgt.

In haar uitspraak van 26 maart 2001 (2001 (AWB 00/11800 ABW) heeft deze rechtbank geoordeeld dat rechtmatig verblijf in Nederland op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw niet onder rechtmatig verblijf in de zin van artikel 11 van het EVSMB valt. Hiertoe is onder meer overwogen dat voor de bepaling van hetgeen onder een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning in de zin van artikel 11 van het EVSMB moet worden verstaan, afgegaan moet worden op de bewijsstukken die hiertoe voor Nederland in bijlage III zijn opgenomen. Rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw komt in de lijst van bewijsstukken niet voor.

Eiser heeft in beroep, onder meer onder overlegging van het nieuwe Explanatory Report bij het EVSMB en onder verwijzing naar jurisprudentie uit de periode voorafgaand aan de invoering van de Koppelingswet, aangevoerd dat bijlage III geen uitputtende lijst bevat om vast te stellen of er sprake is van rechtmatig verblijf als bedoeld in artikel 11 van het EVSMB. Eiser is dan ook van mening dat rechtmatig verblijf in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw als een andere soortgelijke vergunning als bedoeld in artikel 11 van het EVSMB dient te worden beschouwd.

De rechtbank stelt vast dat de Hoge Raad in zijn arrest van 1 februari 2002 (nr. C00/090HR) ten aanzien van de reikwijdte van (artikel 11 van) het EVSMB het volgende heeft overwogen:
"Met betrekking tot vreemdelingen zoals X, die nimmer over een verblijfsvergunning hebben beschikt, maar alleen het land niet behoeven te verlaten zolang op hun verzoek tot toelating nog niet is beslist, bepaalt het verdrag en in het bijzonder artikel 11 niets.
De omstandigheid dat hun verblijf in Nederland ingevolge artikel 1b, aanhef en onder 3, Vreemdelingenwet (oud) als rechtmatig wordt aangemerkt, brengt niet mee dat dit verblijf ook als rechtmatig moet worden aangemerkt in de zin van de artikel 1 en 11 van het verdrag. Daartoe is, overeenkomstig het bepaalde in artikel 11 van het verdrag, vereist dat de vreemdeling beschikt over een door de Staat verstrekte verblijfs- of andere vergunning. De omstandigheid dat zijn verblijf ingevolge bovengenoemde bepaling uit de Vreemdelingenwet als rechtmatig wordt aangemerkt, rechtvaardigt niet de conclusie dat de vreemdeling over zulk een vergunning zou beschikken. Aangenomen moet derhalve worden dat het verdrag zelf de verdragsstaten ten aanzien van deze categorie vreemdelingen geen plicht tot bijstandverlening oplegt."

Nu volgens de Hoge Raad de omstandigheid dat een vreemdeling rechtmatig verblijf houdt op grond van artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw niet de conclusie rechtvaardigt dat de vreemdeling hiermee over een verblijfs- of andere soortgelijke vergunning beschikt en het EVSMB zelf de verdragsstaten ten aanzien van deze categorie vreemdelingen geen plicht tot bijstandverlening oplegt, kan eiser aan het EVSMB geen recht op bijstand ontlenen. Dit brengt tevens mee dat eisers stellingen inzake bijlage III van het verdrag verder buiten beschouwing kunnen worden gelaten.

Gelet op het vorenstaande dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Van omstandigheden op grond waarvan één van de partijen zou moeten worden veroordeeld in de door de andere partij gemaakt proceskosten is de rechtbank niet gebleken.




III. Beslissing


De Rechtbank ’s-Gravenhage,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mrs. E.J.M. Heijs, A.A.M. Mollee en S.C. Stuldreher en in het openbaar uitgesproken op 20 februari 2002, in tegenwoordigheid van de griffier T.A. Willems-Dijkstra.




Voor eensluidend afschrift: de griffier van de Rechtbank 's-Gravenhage:

Verzonden op:




Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.