Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE1901
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AE1901
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: voorlopige voorziening en hoger beroep
Zaaknummers: 01/2457 NABW en 02/1129 NABW-VV
Datum uitspraak: 9 april 2002
Wetsartikelen: artt. 7 en 12 Abw (= 11 en – Wwb) / 21 Bw / 8:86 Awb
Trefwoorden: vreemdeling; beëindiging bijstand; Koppelingswet; IVBPR; gelijkstelling met Nederlander; verblijfsvergunning; Algerijnen
Essentie: Onterechte beëindiging bijstand wegens, na inwerkingtreding van de Koppelingswet, onrechtmatig verblijf in Nederland, omdat ingevolge het IVBPR geen onderscheid naar nationaliteit mag worden gemaakt nu betrokkene nog in afwachting was van de uitspraak op het beroep tegen de afwijzing van zijn aanvraag voor een verblijfsvergunning en derhalve gelijk diende te worden gesteld met een Nederlander.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak voorzieningenrechter Centrale Raad van Beroep 01/2457 NABW en 02/1129 NABW-VV




U I T S P R A A K




in de hoofdzaak, als bedoeld in artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht, alsmede het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van die wet in samenhang met artikel 21 van de Beroepswet, in het geding tussen:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Rotterdam, gedaagde.




I. Inleiding


Namens verzoeker heeft mr. W.A. Venema, advocaat te Rozenburg, op de in het aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Rotterdam op 16 maart 2001 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hier wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 februari 2002 heeft mr. Venema voornoemd de gronden van het hoger beroep aangevuld en de Raad nadere stukken doen toekomen.

Voorts heeft mr. Venema bij brief van 16 februari 2002 verzocht om toepassing van het bepaalde in artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).

Het verzoek is behandeld ter zitting van 26 maart 2002, waar voor verzoeker is verschenen mr. Venema, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. R. Konijnendijk, werkzaam bij de gemeente Rotterdam.




II. Motivering


Ingevolge het bepaalde in artikel 18 en artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een uitspraak van de rechtbank of van de voorzieningenrechter van de rechtbank als omschreven in artikel 18 van de Beroepswet hoger beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de Raad op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.
Het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet in verbinding met artikel 8:86 van de Awb houdt met betrekking tot het hoger beroep voorts in dat de voorzieningenrechter van de Raad, indien hij van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.
De voorzieningenrechter is van oordeel dat na de behandeling van het verzoek ter zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak en acht termen aanwezig om in de hoofdzaak onmiddellijk uitspraak te doen.

Op grond van de gedingstukken en het verhandelde ter zitting gaat de voorzieningenrechter uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Verzoeker, van Algerijnse nationaliteit, heeft in 1996 een verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf in Nederland ingediend. Bij besluit van 12 november 1997 is deze aanvraag afgewezen. De Staatssecretaris van Justitie heeft het tegen dat besluit ingediende bezwaarschrift bij besluit van 3 december 2001 ongegrond verklaard. Namens verzoeker is tegen dat besluit beroep ingesteld alsmede een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend.

Gedaagde heeft bij besluit van 2 april 1998 aan verzoeker met ingang van 7 april 1997 een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) toegekend. Hieraan lagen ten grondslag een bericht van 23 oktober 1997 van de Staatssecretaris van Justitie, gericht aan de vreemdelingendienst van het regiopolitiekorps Rotterdam-Rijnmond, inhoudende dat aan verzoeker een positieve ABW-verklaring ingaande 7 april 1997 diende te worden afgegeven, en een verklaring van de korpschef in de zin van de Vreemdelingenwet (Vw) als bedoeld in artikel 45a (oud) van het Voorschrift Vreemdelingen.
Deze bijstandsuitkering is na de inwerkingtreding van de Wet van 26 maart 1998, Stb. 1998, 203 (hierna: de Koppelingswet), per 1 juli 1998, voortgezet in afwachting van duidelijkheid omtrent verzoekers verblijfsstatus.

Bij besluit van 13 november 1998 heeft gedaagde naar aanleiding van een faxbericht van 9 november 1998 van de vreemdelingendienst verzoekers bijstandsuitkering met ingang van 18 december 1998 ingetrokken op grond van artikel 7 van de Abw.
Bij besluit van 8 augustus 2000 heeft gedaagde het namens verzoeker tegen het besluit van 20 november 1998 ingediende bezwaar ongegrond verklaard met dien verstande dat het recht op bijstand van verzoeker met ingang van 1 januari 1999 wordt ingetrokken.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens verzoeker tegen het besluit van 8 augustus 2000 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar het oordeel van de rechtbank was dit besluit niet in strijd met artikel 26 van het Internationaal verdrag inzake burgerrechten en politieke rechten (IVBPR).

In hoger beroep is dit oordeel gemotiveerd bestreden.

Tussen partijen is niet in geschil, en ook de voorzieningenrechter gaat daarvan uit, dat verzoeker op grond van de in de aangevallen uitspraak weergegeven samenstel van Nederlandse rechtsregels op de in dit geding relevante datum, zijnde 1 januari 1999, geen recht meer kon doen gelden op een uitkering ingevolge de Abw. Verzoeker was immers geen vreemdeling in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vw (oud) en hij kon ook niet op grond van het bepaalde in artikel 7, derde lid, (oud) van de Abw in verbinding met artikel 1, eerste lid, van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz (oud) (Stb. 1998, 308) met een Nederlander worden gelijkgesteld.

Ter beoordeling staat derhalve de vraag of de intrekking van verzoekers bijstandsuitkering als strijdig met artikel 26 van het IVBPR kan worden bestempeld.

De voorzieningenrechter verwijst in dit verband naar de uitspraken van de Raad van 26 juni 2001, onder meer gepubliceerd in USZ 2001/183 en 186 [zie LJN AB2276 en LJN AB2277, red.]. In die uitspraken heeft de Raad bij de toetsing van de Koppelingswet aan artikel 26 van het IVBPR tot uitdrukking gebracht dat het uitgangspunt van die wet wat zijn doelstelling en gehanteerd middel betreft bij de Raad in het algemeen niet op bedenkingen stuit en in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt en dat dit ook geldt voor de categorie vreemdelingen, genoemd in artikel 1b, aanhef en onder 3, van de Vw (oud). Voorts heeft de Raad geoordeeld dat de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving zoals deze gestalte heeft gekregen in onder meer de Abw in ieder geval ten volle opgaat voor gevallen waarin de vreemdeling op of na 1 juli 1998 om toelating verzoekt.
Een uitzondering is gemaakt voor onder meer degenen die onder de tot 1 juli 1998 geldende regeling met toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw bijstand is verleend.
Voor hen geldt dat er hangende de lopende bezwaar- of beroepsprocedure onvoldoende grond aanwezig is om de verworven rechtspositie te beëindigen. Dit wordt eerst anders wanneer sprake is van een (definitieve) negatieve beslissing om toelating, zolang zij althans aan de overige voorwaarden voor een bijstandsuitkering blijven voldoen.

Vaststaat dat verzoeker behoort tot de categorie vreemdelingen aan wie onder toepassing van artikel 12 (oud) van de Abw een bijstandsuitkering is toegekend en dat verzoeker dat recht na invoering van de Koppelingswet per 1 juli 1998 in eerste instantie had behouden. Voorts staat vast dat ten tijde hier van belang nog geen definitieve beslissing was genomen op het door verzoeker in 1996 ingediende verzoek om verlening van een vergunning tot verblijf in Nederland.

Deze feiten en omstandigheden leiden er naar het oordeel van de voorzieningenrechter toe dat, nu gelet op voornoemde uitspraken van de Raad de gerechtvaardigdheid van de koppelingswetgeving, zoals neergelegd in de Abw, niet althans niet ten volle opgaat voor verzoeker, zijn uitkering ten onrechte met ingang van 1 januari 1999 is ingetrokken. Het bestreden besluit dient derhalve als strijdig met artikel 26 van het IVBPR te worden beschouwd.

Het vorenstaande leidt ertoe dat de aangevallen uitspraak niet in stand kan blijven. Doende hetgeen de rechtbank had behoren te doen, zal de voorzieningenrechter het bestreden besluit wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR vernietigen. De voorzieningenrechter acht het voorts aangewezen dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt.

Nu uitspraak wordt gedaan in de hoofdzaak is er geen grond om enigerlei voorlopige voorziening te treffen en wordt het verzoek afgewezen.

De voorzieningenrechter acht ten slotte termen aanwezig om gedaagde te veroordelen in de proceskosten van verzoeker. Deze worden begroot op €322,- in beroep en op €644,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De voorzieningenrechter van de Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het inleidend beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag groot €966,-, te betalen door de gemeente Rotterdam;
wijst het verzoek om toepassing van artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht af;
gelast de gemeente Rotterdam aan verzoeker het betaalde griffierecht van in totaal €186,37 te vergoeden.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van mr. M.C.M. Hamer en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) M.C.M. Hamer.