Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE3713
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AE3713
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 99/4675 NABW
Datum uitspraak: 9 april 2002
Wetsartikelen: artt. 54, 69, 81 en 82 Abw (= 34, 54, 58 en 58 Wwb) / 6:22 en 8:72 Awb
Trefwoorden: vermogen; boedelscheiding; voormalig echtelijke woning; onderbedeling; aflossing overbedelingsschuld; leenbijstand; geldlening; bijstand om niet; terugvordering
Essentie: Onterechte terugvordering van ten onrechte als leenbijstand aangemerkte bijstand wegens onderbedeling na boedelscheiding (ƒ52.500,- vermogen in de voormalig echtelijke woning), omdat niet aannemelijk is gemaakt dat betrokkene ten tijde van het bestreden besluit een reële mogelijkheid had om betaling ineens van zijn ex-echtgenote te verlangen, zodat hij enkel kon berusten in de reeds overeengekomen maandelijkse aflossing ad ƒ420,-, welke eerst op de bijstand kan worden gekort zodra daarmee de toepasselijke vermogensgrens wordt overschreden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/4675 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Almere, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 4 augustus 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Mr. H.Y. Hoogeveen, advocaat te Amsterdam, heeft zich als gemachtigde van gedaagde gesteld.

Het geding is behandeld ter zitting van 26 februari 2002, waar voor appellant is verschenen mr. G. van der Wal, werkzaam bij de gemeente Almere, terwijl gedaagde niet is verschenen.




II. Motivering


Aan de aangevallen uitspraak - waarin appellant als verweerder is aangeduid en gedaagde als eiser - ontleent de Raad de volgende als vaststaand aan te nemen feiten en omstandigheden:
"Eiser is op 29 oktober 1982 met mevrouw [A] getrouwd. Bij beschikking van deze rechtbank d.d. 13 maart 1996 is tussen hen de echtscheiding uitgesproken, welke echtscheiding op 15 april 1996 in de registers is ingeschreven. Bij notariële akte van 23 september 1996 is de boedel tussen partijen verdeeld.
In de akte van verdeling is bepaald dat mevrouw [A] de woning krijgt toebedeeld. Eiser heeft daarvoor een vordering op mevrouw [A] wegens overbedeling van ƒ52.500,-, welke vordering door haar zal worden afgelost in maandelijkse termijnen van ƒ420,-. Mevrouw [A] is op 1 februari 1997 begonnen te betalen aan eiser.
Bij besluit d.d. 26 juni 1996 is door verweerder aan eiser een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande ouder met ingang van 1 april 1996. Verweerder heeft in het besluit het volgende overwogen:
"Bij de toekenning van de bijstand is nog geen rekening gehouden met het vermogen, bestaande uit een eigen woning. (...)
U dient de afdeling Sociale Zaken op de hoogte te houden van het verloop van de echtscheidingsprocedure. Afschriften van het echtscheidingsvonnis en van de akte van scheiding en deling van de boedel dient u zo spoedig mogelijk aan de afdeling Sociale Zaken over te leggen. Indien u na de boedelscheiding de beschikking krijgt over een vermogen, zal de verleende bijstand ingevolge artikel 82, eerste lid, van de Algemene bijstandswet op dit vermogen worden teruggevorderd."
Tegen dit besluit heeft eiser geen bezwaren ingediend.
Bij besluit d.d. 22 januari 1998 heeft verweerder besloten met toepassing van artikel 69, derde lid, onderdeel a en/of b, het recht van eiser op uitkering met terugwerkende kracht vanaf 1 april 1996 te herzien, zulks op grond van de overweging dat eisers vermogen ƒ52.500,- bedraagt en dat hij ƒ5040,- aan niet-opgegeven periodieke betalingen heeft ontvangen. Als gevolg van deze herziening vordert verweerder op grond van artikel 81 en/of 82 een bedrag van ƒ33.500,- bruto ontvangen bijstand van eiser terug.
Eiser heeft op 20 februari 1998 tegen het besluit van 22 januari 1998 bezwaar gemaakt.
Op 17 maart 1998 heeft een hoorzitting plaatsgevonden ter gelegenheid waarvan eiser zijn bezwaren nader heeft doen toelichten.
Bij besluit d.d. 4 juni 1998 heeft verweerder het bezwaarschrift ongegrond verklaard."

Hieraan voegt de Raad nog toe dat in het besluit van 4 juni 1998 als rechtsgrond voor het besluit tot terugvordering van ƒ33.500,- uitsluitend artikel 82 van de Algemene bijstandswet (Abw) is genoemd; over de wijze van terugvordering is in dat besluit bepaald dat per 1 mei 1998 maandelijks een bedrag van ƒ420,- op de bijstandsuitkering in mindering wordt gebracht, dat een bedrag van ƒ90,38 per maand met die uitkering wordt verrekend en dat het gereserveerde vakantiegeld niet wordt uitbetaald.
De rechtbank heeft het tegen het besluit van 4 juni 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en beslissingen gegeven tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan gedaagde. Naar het oordeel van de rechtbank heeft appellant ten onrechte het recht van gedaagde op bijstand herzien en ten onrechte bijstand teruggevorderd.

Appellant heeft dit oordeel gemotiveerd bestreden.

De Raad stelt eerst vast dat bij het besluit van 4 juni 1998 zowel het primaire besluit tot herziening van het besluit tot toekenning van bijstand als het primaire besluit tot terugvordering van ƒ33.500,- is gehandhaafd en dat de rechtbank in het beroepschrift van 16 juli 1998 is verzocht om het besluit op bezwaar te vernietigen en zelf in de zaak te voorzien. Daarmee was dat besluit in beginsel in al zijn onderdelen aan het oordeel van de rechtbank onderworpen. De Raad volgt appellant dan ook niet in zijn stelling dat het beroep beperkt was tot het besluit over de wijze waarop het terugvorderingsbesluit ten uitvoer zou worden gelegd. Een uitdrukkelijke beperking van het beroep tot laatstbedoeld onderdeel van het bestreden besluit valt in de processtukken in eerste aanleg niet te lezen. Uit de opmerking van de gemachtigde van gedaagde ter zitting van de rechtbank dat gedaagde de gemeente terug wil betalen zodra hij zijn vrij te laten vermogen heeft opgebouwd, volgt naar het oordeel van de Raad niet dat het terugvorderingsbesluit niet meer aan het oordeel van de rechtbank was onderworpen. De gemachtigde van gedaagde heeft blijkens de gedingstukken met nadruk betoogd dat gedaagde nog niet kon beschikken over het volledige vermogen dat hem in het kader van de boedelscheiding toekwam en juist die stelling ziet op de juridische grondslag waarop appellant zijn besluit tot terugvordering heeft gehandhaafd.

De Raad merkt vervolgens op dat het herzieningsbesluit wegens strijd met de wet niet in stand kan blijven, reeds omdat dit besluit ten onrechte is gebaseerd op artikel 69, derde lid, aanhef en onder a en/of b, van de Abw, zoals deze bepaling luidt sedert 1 juli 1997. Hij volstaat in dit verband met te verwijzen naar zijn uitspraken van 27 juli 1999 en 31 augustus 1999, onder meer gepubliceerd in RSV 1999/255 en 256. Hierbij wordt aangetekend dat het beroep dat appellant heeft gedaan op artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) faalt, omdat geen sprake is van schending van een vormvoorschrift.

Met betrekking tot het terugvorderingsbesluit is het volgende van belang.

Het bepaalde in artikel 82, aanhef en onder a, van de Abw verplicht het bijstandverlenend orgaan kosten van bijstand van de belanghebbende terug te vorderen voor zover hij naderhand met betrekking tot de periode waarover bijstand is verleend over in aanmerking te nemen middelen als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 3, beschikt of kan beschikken.
Anders dan appellant heeft betoogd, gaat het in dit geding niet om leenbijstand, maar om kosten van bijstand die geacht moet worden om niet aan gedaagde te zijn verleend vanaf 1 april 1996. Uit de omstandigheid dat in het besluit tot toekenning van bijstand per die datum de toepassing van artikel 82 in het vooruitzicht is gesteld indien gedaagde de beschikking krijgt over een vermogen dat uitgaat boven de ingevolge artikel 54 van de Abw geldende vermogensgrens, volgt niet dat die bijstand geacht kan worden bij wijze van geldlening te zijn verstrekt.

Met inachtneming van het bepaalde in de artikelen 42 tot en met 54 van de Abw zal nu moeten worden nagegaan of ten tijde van het bestreden besluit sprake was van het naderhand (kunnen) beschikken over in aanmerking te nemen middelen tot een bedrag groot ƒ33.500,-, zoals appellant heeft aangenomen.
Uit het echtscheidingsconvenant dat gedaagde en [A] zijn overeengekomen, vloeit voort dat laatstgenoemde een schuld wegens overbedeling heeft tot een bedrag van ƒ52.500,- aan gedaagde. De aflossing van die schuld geschiedt, zoals in dat convenant tussen hen overeengekomen, in termijnen van ƒ420,- per maand.
Uit de gedingstukken komt naar voren dat [A] niet alsnog bereid is gebleken om het nog niet afgeloste gedeelte van voormeld bedrag van ƒ52.500,- in één keer aan gedaagde te betalen. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat gedaagde ten tijde van het bestreden besluit een reële mogelijkheid had om betaling ineens van [A] te verlangen.
Onder die omstandigheden kan naar het oordeel van de Raad niet worden gezegd dat gedaagde ten tijde van het bestreden besluit over het in het bestreden besluit genoemde bedrag van ƒ33.500,- kon beschikken. De waarde van de maandelijkse bedragen waarover hij na het sluiten van het convenant wel beschikte of redelijkerwijs kon beschikken, bedroeg minder dan de toepasselijke vermogensgrens, genoemd in artikel 54 van de Abw.

Het bestreden terugvorderingsbesluit is derhalve terecht niet in stand gelaten.
Daarmee is ook aan het besluit over de wijze van terugvordering de grondslag komen te ontvallen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het bestreden besluit terecht door de rechtbank is vernietigd. Die uitspraak komt dan ook voor bevestiging in aanmerking.
Een opdracht tot het nemen van een nieuw besluit door gedaagde kan in dit geval achterwege blijven. Ter zitting is gebleken dat de inhoudingen op de uitkering van gedaagde zijn stopgezet en dat bij brief van 16 augustus 1999 aan de gemachtigde van gedaagde is meegedeeld dat het op de vordering reeds ontvangen bedrag (inclusief ingehouden vakantiegeld) aan gedaagde zal worden terugbetaald. Aangezien het primaire besluit op dezelfde onhoudbaar gebleken grondslag berust en ook de daarin vermelde toepassing van artikel 81 van de Abw niet als juist kan worden aanvaard, zal de Raad met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak voorzien en het primaire besluit van 22 januari 1998 vernietigen.

De Raad is ten slotte niet gebleken van proceskosten van gedaagde in hoger beroep die voor vergoeding op grond van artikel 8:75 van de Awb in aanmerking kunnen komen.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
vernietigt het besluit van 22 januari 1998;
bepaalt dat van de gemeente Almere een recht van €322,- wordt geheven.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. J.G. Treffers en mr. drs N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 april 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.C. de Wit.