Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE4038
ECLI: ECLI:NL:HR:2002:AE4038
Instantie: Hoge Raad der Nederlanden
Soort procedure: beroep in cassatie
Zaaknummer: R02/012HR
Datum uitspraak: 11 oktober 2002
Wetsartikelen: artt. 93 en 95 Abw (= 61 en – Wwb)
Trefwoorden: verhaal; onderhoudsplichtige ex-echtgenoot; kinderalimentatie; verhaalsbijdrage; draagkrachtberekening; buitengewonelastenaftrek; Hoge Raad
Essentie: Onjuiste vaststelling van het maandelijks te betalen verhaalsbedrag, omdat de verhaalde bijstand, verstrekt ten behoeve van de twee minderjarige kinderen van betrokkene, als persoonlijke verplichting niet fiscaal aftrekbaar is.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak eerste kamer Hoge Raad der Nederlanden R02/012HR




B E S C H I K K I N G




in de zaak van:

[verzoeker], wonende te [woonplaats], verzoeker tot cassatie,
advocaat: mr. M.H. van der Woude,

tegen

de gemeente Groningen, gevestigd te Groningen, verweerster in cassatie,
niet verschenen.




1. Het geding in feitelijke instanties


Met een op 20 januari 2000 ter griffie van de Rechtbank te Groningen ingediend verzoekschrift heeft verweerster in cassatie - verder te noemen: de Gemeente - zich gewend tot die Rechtbank en verzocht:
ten aanzien van de lopende bijdrage:
- wat betreft het verhaal van nog te maken kosten van bijstand een bedrag van ƒ1020,- per maand vast te stellen, dat door [verzoeker] aan de Gemeente zal worden betaald met ingang van de datum van de beschikking van de Rechtbank;

ten aanzien van de achterstand:
a. het bedrag aan achterstand over de periode 1 juni 1999 tot 1 januari 2000 vast te stellen op ƒ7140,-, vermeerderd met ƒ1020,- per maand tot de datum van de beschikking van de Rechtbank;
b. te bepalen dat door [verzoeker] aan de Gemeente zal worden betaald ter zake van afbetaling van deze achterstand een bedrag van ƒ100,- per maand met ingang van een door de Rechtbank te bepalen datum;
c. te bepalen dat - voor het geval [verzoeker] in gebreke blijft voornoemd aflossingsbedrag aan de Gemeente te voldoen - door de Gemeente de totaalsom ad ƒ7140,- verminderd met wat daarop inmiddels is betaald ineens kan worden ingevorderd.

[Verzoeker] heeft geen verweerschrift ingediend.
De Rechtbank heeft bij beschikking van 4 april 2000 het door [verzoeker] met ingang van 1 juni 1999 aan de Gemeente te betalen verhaalsbedrag vastgesteld op ƒ1020,- per maand en voorts de achterstand over de periode vanaf 1 juni 1999 tot 1 april 2000 vastgesteld op ƒ10.200,- met bepaling dat deze achterstand vanaf 1 april 2000 zal worden voldaan met ƒ100,- per maand.
Tegen deze beschikking heeft [verzoeker] hoger beroep ingesteld bij het Gerechtshof te Leeuwarden.
Bij beschikking van 28 november 2001 heeft het Hof de beschikking waarvan beroep vernietigd en, opnieuw recht doende:
- het door [verzoeker] aan de Gemeente te betalen bedrag ter zake van verhaal van door de Gemeente gemaakte kosten van bijstand ten behoeve van de minderjarige kinderen van [verzoeker] en [betrokkene 1] vastgesteld op ƒ390,- per maand vanaf 1 juni 1999 tot 1 november 2000;
- het totaalbedrag van de achterstand in de betalingen van de verhaalsbijdrage over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 bepaald op ƒ6630,-, te verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft voldaan;
- [verzoeker] veroordeeld tot betaling van dit totaalbedrag af te lossen in maandelijkse termijnen van ƒ100,- vanaf de eerste dag van de maand volgend op deze beschikking totdat dat totaalbedrag is voldaan;
- bepaald dat voormeld totaalbedrag, verminderd met de daarop reeds betaalde termijnen, door de Gemeente ineens kan worden ingevorderd ingeval [verzoeker] in gebreke blijft deze aflossingsbetalingen te voldoen;
- het meer of anders verzochte afgewezen.

De beschikking van het Hof is aan deze beschikking gehecht.




2. Het geding in cassatie


Tegen de beschikking van het Hof heeft [verzoeker] beroep in cassatie ingesteld. Het cassatierekest is aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.
De Gemeente heeft geen verweerschrift ingediend.
De conclusie van de Advocaat-Generaal L.A.D. Keus strekt tot vernietiging en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad op de in de conclusie in 2.9 omschreven wijze.




3. Beoordeling van het middel


3.1. Uit de relatie van [verzoeker] en [betrokkene 1], welke relatie tot mei 1997 heeft geduurd, zijn twee kinderen geboren, op 14 november 1990 en op 11 maart 1993. Beide kinderen zijn door [verzoeker] erkend.
De Gemeente heeft sedert 21 april 1997 aan [betrokkene 1] een uitkering verstrekt krachtens de Algemene bijstandswet naar de norm van een alleenstaande ouder, welke uitkering mede strekt ten behoeve van voornoemde bij haar verblijvende minderjarige kinderen. Bij verhaalsbesluit van 20 juli 1999 heeft de Gemeente de door [verzoeker] te betalen verhaalsbijdrage vastgesteld op ƒ1020,- per maand met ingang van 1 juni 1999. Deze verhaalsbijdrage heeft uitsluitend betrekking op de beide minderjarige kinderen jegens wie [verzoeker] onderhoudsplichtig is.

3.2. In het onderhavige geding heeft de Gemeente verzocht het verhaalsbedrag vast te stellen. In hoger beroep heeft zij verzocht het door [verzoeker] aan haar te betalen verhaalsbedrag voor beide kinderen tezamen vast te stellen op ƒ390,- per maand over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en te bepalen dat de over die periode ontstane achterstand zal worden voldaan in termijnen van ƒ100,- per maand. Bij de behandeling van het verzoek ter terechtzitting in hoger beroep zijn partijen blijkens rov. 10 en 11 [rechtsoverweging 10 en 11, red.] van de beschikking van het Hof het erover eens geworden dat de behoefte van de beide kinderen ƒ390,- per maand bedraagt en dat de verhaalsperiode loopt van 1 juni 1999 tot 1 november 2000.
Het Hof heeft met het oog op de vaststelling van het verhaalsbedrag overwogen dat de door de Gemeente verhaalde bijstand voor [verzoeker] "als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar" is, zodat [verzoeker] in staat is een verhaalsbedrag van ƒ434,- per maand, inclusief fiscaal voordeel, te betalen. Nu dit bedrag de behoefte van de kinderen te boven gaat, heeft het Hof overeenkomstig het verzoek van de Gemeente het verhaalsbedrag over de periode 1 juni 1999 tot 1 november 2000 vastgesteld op ƒ390,- per maand en, gelet daarop, de achterstand over voormelde periode bepaald op ƒ6630,- te verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft voldaan. Het heeft voorts de aflossing van de achterstand bepaald op ƒ100,- per maand (rov. 22-24).

3.3. Onderdeel I, dat zich keert tegen 's Hofs overweging dat de verhaalde bijstand volledig aftrekbaar is als persoonlijke verplichting, treft doel. De IB 1964 [Wet op de inkomstenbelasting 1964, red.] bevat noch met betrekking tot de verschuldigde bijdrage voor het levensonderhoud van een minderjarig kind, noch met betrekking tot de verhaalsbijdrage voor een minderjarig kind een bepaling waaruit zodanige aftrekbaarheid zou volgen.

3.4. Onderdeel II berust op de veronderstelling dat het Hof zou hebben geoordeeld dat de Inspectie waaronder [verzoeker] ressorteert over de relevante periode als beleid hanteert de verhaalsbijdrage in aftrek toe te staan als ware het een persoonlijke verplichting op de voet van artikel 45 IB 1964. Het onderdeel mist feitelijke grondslag en kan derhalve niet tot cassatie leiden.

3.5. De gegrondbevinding van onderdeel I kan, voor zover het betreft de periode van 1 juli 1999 tot 1 november 2000, niet tot vernietiging van de bestreden beschikking leiden, aangezien [verzoeker] op grond van hetgeen is vermeld in de conclusie van de Advocaat-Generaal onder 2.6-2.8 daarbij geen belang heeft. De Hoge Raad zal derhalve deze beschikking slechts vernietigen voor zover zij betrekking heeft op de maand juni 1999.
De Hoge Raad kan zelf de zaak afdoen. Nu het Hof, in cassatie onbestreden, heeft vastgesteld dat zonder rekening te houden met fiscale aftrekbaarheid ƒ272,- per maand voor alimentatie beschikbaar is (rov. 21), zal de Hoge Raad de bijdrage over de maand juni 1999 bepalen op dit bedrag en dienovereenkomstig de achterstand in de verhaalsbijdrage vaststellen op in totaal ƒ6512,-.




4. Beslissing


De Hoge Raad:

vernietigt de beschikking van het Gerechtshof te Leeuwarden van 28 november 2001, voor zover de achterstand in de betalingen van de verhaalsbijdragen over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 is bepaald op ƒ6630,-, en bepaalt die achterstand op ƒ6512,-.

Deze beschikking is gegeven door de vice-president P. Neleman als voorzitter en de raadsheren A.E.M. van der Putt-Lauwers, H.A.M. Aaftink, O. de Savornin Lohman en A. Hammerstein en in het openbaar uitgesproken door de raadsheer A. Hammerstein op 11 oktober 2002.




CONCLUSIE

R02/012
Mr. Keus
Parket, 31 mei 2002

Conclusie inzake:
[verzoeker]
tegen
de gemeente Groningen
(hierna: de gemeente)




1. Feiten en procesverloop


1.1. In deze zaak gaat het om de vraag of het hof terecht heeft geoordeeld dat de door de gemeente op [verzoeker] verhaalde bijstand, verstrekt ten behoeve van zijn twee minderjarige kinderen, als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar is.
1.2. In cassatie kan van het volgende worden uitgegaan (1).
a. Uit de relatie van [verzoeker] en [betrokkene 1], welke relatie tot mei 1997 heeft geduurd (2), zijn twee thans nog minderjarige kinderen geboren, te weten [kind 1], geboren op 14 november 1990, en [kind 2], geboren op 11 maart 1993. Beide kinderen zijn door [verzoeker] erkend.
b. Sinds 21 april 1997 heeft de gemeente aan [betrokkene 1] een uitkering krachtens de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm van een alleenstaande ouder verstrekt. Deze uitkering strekte mede ten behoeve van voornoemde minderjarige kinderen. Bij verhaalsbesluit van 20 juli 1999 heeft de gemeente de door [verzoeker] te betalen verhaalsbijdrage op ƒ1020,- per maand met ingang van 1 juni 1999 vastgesteld. Deze verhaalsbijdrage heeft uitsluitend betrekking op de beide minderjarige kinderen jegens wie [verzoeker] onderhoudsplichtig is.
c. Gelet op het uitblijven van betalingen van de verhaalsbijdrage door [verzoeker] is de gemeente tot verhaal in rechte overgegaan.

1.3. Bij inleidend verzoekschrift van 18 januari 2000 heeft de gemeente de rechtbank verzocht het door [verzoeker] aan haar te betalen verhaalsbedrag op ƒ1020,- per maand vanaf 1 juni 1999(3) vast te stellen en te bepalen dat [verzoeker] haar ter zake van de afbetaling van de reeds ontstane achterstand een bedrag van ƒ100,- per maand zal voldoen.

1.4. [Verzoeker] heeft in de procedure voor de rechtbank geen verweer gevoerd.

1.5. De rechtbank heeft het verzoek van de gemeente bij beschikking van 4 april 2000 als niet onrechtmatig of ongegrond toegewezen.

1.6. [Verzoeker] heeft van de beschikking van de rechtbank tijdig (4) hoger beroep ingesteld en heeft het hof verzocht het door hem aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag vast te stellen op een bedrag van ƒ123,- per maand over de periode van 1 juni 1999 tot 4 april 2000.

1.7. De gemeente heeft het verzoek van [verzoeker] ten dele bestreden en haar initiële verzoek in die zin gewijzigd dat zij heeft verzocht het door [verzoeker] aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag vast te stellen op een bedrag van ƒ390,- per maand over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en te bepalen dat de over die periode ontstane achterstand in termijnen van ƒ100,- per maand zal worden voldaan (5).

1.8. Blijkens de beschikking van het hof van 28 november 2001 hebben partijen tijdens de behandeling ter terechtzitting in hoger beroep van 22 maart 2001 over verschillende punten overeenstemming bereikt: de periode waarover de verhaalsverplichting zich uitstrekt, loopt van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 en de behoefte van beide kinderen samen moet over die periode op ƒ390,- per maand worden gesteld (rov. 10 en 11). Het hof vervolgt dan:

"12. Het voorgaande brengt mede dat het hof met betrekking tot de periode 1 juni 1999 tot 1 november 2000 moet beoordelen of [verzoeker] over voldoende draagkracht beschikt om de door de gemeente verzochte verhaalsbijdrage ter zake de door haar gemaakte kosten van bijstand te voldoen."

Voor zover in cassatie van belang heeft het hof beslist dat bij de bepaling van de draagkracht van [verzoeker] in de desbetreffende periode de (belasting)tarieven van 1999 zullen worden toegepast, nu de jaaropgave van 1999 als basis dient voor de berekening (rov. 21). Dit uitgangspunt is in cassatie niet bestreden.
Het hof heeft geoordeeld dat [verzoeker] een draagkrachtruimte van ƒ454,- per maand heeft, waarvan 60%, afgerond ƒ272,- per maand, beschikbaar is (rov. 21). Ten slotte heeft het hof in rov. 22 als volgt overwogen:

"De door de gemeente verhaalde bijstand is voor [verzoeker] als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar. Gelet hierop is [verzoeker] in staat een verhaalsbedrag van ƒ434,- per maand, inclusief fiscaal voordeel, te betalen. Nu voormeld bedrag de in rechtsoverweging 10 vastgestelde behoefte van de kinderen te boven gaat, zal het hof het door [verzoeker] aan de gemeente te betalen verhaalsbedrag in de periode 1 juni 1999 tot 1 november 2000 vaststellen op ƒ390,- per maand."

Het hof heeft de achterstand van [verzoeker] over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 vastgesteld op ƒ6630,-, te verminderen met hetgeen [verzoeker] te dier zake reeds heeft voldaan, welke achterstand [verzoeker] moet aflossen met ƒ100,- per maand met ingang van 1 december 2001.

1.9. [Verzoeker] heeft van de beschikking van het hof tijdig (6) cassatieberoep ingesteld. De gemeente is in cassatie niet verschenen.




2. Bespreking van het cassatiemiddel



Inleiding

2.1. Ingevolge artikel 93 Algemene bijstandswet (Abw) worden de kosten van bijstand tot de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 BW [Burgerlijk Wetboek, red.] verhaald, onder meer op degene die bij het ontbreken van gezinsverband zijn onderhoudsplicht jegens zijn minderjarige kind niet of niet behoorlijk nakomt. Bij de beoordeling van het bestaan van het verhaalsrecht en de omvang van het te verhalen bedrag wordt op grond van artikel 95 Abw rekening gehouden met de maatstaven die gelden en de omstandigheden die van belang zijn in het geval dat de rechter dient te beslissen over de vraag of, en zo ja, tot welk bedrag een uitkering tot levensonderhoud na echtscheiding, scheiding van tafel en bed of ontbinding van het huwelijk na scheiding van tafel en bed zou moeten worden toegekend. In het systeem van beide bepalingen ligt besloten - en de Hoge Raad heeft in een arrest van 28 februari 1997 uitdrukkelijk bevestigd (7) - dat voor de omvang van het verhaal van de kosten van bijstand op de onderhoudsplichtige geen andere maatstaf geldt dan de grens van de onderhoudsplicht, bedoeld in Boek 1 BW.

2.2. Op grond van artikel 1:404 BW is [verzoeker] verplicht naar draagkracht te voorzien in de kosten van verzorging en opvoeding van de door hem erkende minderjarige kinderen. De omvang van deze onderhoudsplicht dient te worden bepaald aan de hand van artikel 1:397 BW, op grond waarvan enerzijds rekening wordt gehouden met de behoeften van de tot onderhoud gerechtigde en anderzijds met de draagkracht van de tot uitkering verplichte persoon.
Bij vaststelling van de draagkracht van de onderhoudsplichtige pleegt de rechter rekening te houden met de fiscale voordelen die aan de te bepalen uitkering tot levensonderhoud zijn verbonden. Zulks ligt ook aan de Trema-alimentatienormen ten grondslag. Zo wordt in de volgens deze normen uitgevoerde berekening van de kinderalimentatie een eventueel fiscaal voordeel, verband houdende met de aftrek wegens buitengewone lasten, toegevoegd aan het bedrag dat de onderhoudsplichtige geacht wordt in de kosten van verzorging en opvoeding van de kinderen te kunnen bijdragen (8).

2.3. Als de rechter bij de vaststelling van de verschuldigde uitkering tot levensonderhoud bepaalde fiscale voordelen in aanmerking zou nemen, werkt dit in verband met artikel 95 Abw in de omvang van de op de onderhoudsplichtige te verhalen kosten van bijstand door. Daarbij is in beginsel niet van belang of voor betrokkene in verband met het bijstandsverhaal gelijke fiscale voordelen zullen gelden. Fiscale voordelen verbonden aan de uitkering tot levensonderhoud bepalen mede de draagkracht van de onderhoudsplichtige en daarmee de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 BW. Voor de toepassing van de artikel 93 en 95 Abw is die grens vervolgens een gegeven dat niet van de fiscale gevolgen van het bijstandsverhaal afhankelijk is. Dit stelsel is niet onredelijk, omdat het in de risicosfeer van de onderhoudsplichtige zelf ligt als door het niet aanstonds voldoen aan wettelijke onderhoudsplichten fiscale voordelen verloren gaan.



Onderdeel I

2.4. Onderdeel I is gericht tegen het oordeel van het hof in rov. 22 dat de door de gemeente verhaalde bijstand voor [verzoeker] als persoonlijke verplichting volledig fiscaal aftrekbaar is. Het onderdeel voert daartoe aan dat op de belastingplichtige verhaalde kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van zijn minderjarige kinderen niet behoren tot de persoonlijke verplichtingen als bedoeld in artikel 45 Wet op de inkomstenbelasting 1964 (IB 1964) en derhalve niet op die voet fiscaal aftrekbaar zijn.

2.5. De klacht van het onderdeel is gegrond. Artikel 45, eerste lid, onderdeel e, IB 1964 rekent op de belastingplichtige verhaalde kosten van bijstand slechts tot diens persoonlijke verplichtingen voor zover de verhaalde bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van de duurzaam van hem gescheiden levende echtgenoot of de gewezen echtgenoot strekte (9). Voor verhaal van kosten van bijstand tot voorziening in het levensonderhoud van de minderjarige kinderen van de belastingplichtige ontbreekt een vergelijkbare voorziening.
Mogelijk heeft het hof, weliswaar sprekende van de door de gemeente verhaalde bijstand, in werkelijkheid de ingevolge artikel 95 Abw bij de vaststelling van de omvang van het te verhalen bedrag in aanmerking te nemen uitkering tot levensonderhoud bedoeld. Zoals hiervoor al aangegeven, komt het bij de bepaling van de omvang van het te verhalen bedrag immers niet aan op eventuele fiscale voordelen die aan het bijstandsverhaal zijn verbonden, maar op eventuele fiscale voordelen die een uitkering tot levensonderhoud als bedoeld in artikel 95 Abw mede zouden bepalen. Ook als het aangevochten oordeel aldus wordt opgevat, is de klacht echter gegrond. Artikel 45, eerste lid, onderdeel e, juncto artikel 30, eerste lid, onderdeel b, IB 1964 rekent tot de persoonlijke verplichtingen slechts periodieke uitkeringen en verstrekkingen die rechtstreeks uit het familierecht voortvloeien, voor zover zij niet afkomstig zijn van bloed- of aanverwanten in de rechte lijn of in de tweede graad van de zijlijn. Uitkeringen tot levensonderhoud ten behoeve van de minderjarige kinderen van de belastingplichtige zijn ook als zodanig niet als persoonlijke verplichtingen volledig fiscaal aftrekbaar (10).

2.6. [Verzoeker] heeft bij de klacht van het eerste onderdeel geen belang als een uitkering in het levensonderhoud van zijn minderjarige kinderen over de in aanmerking te nemen periode om andere redenen fiscaal aftrekbaar zou zijn geweest en als de grens van zijn onderhoudsplicht in verband daarmee niet anders dan in de aangevochten beschikking zou moeten worden bepaald. Daarbij is in het bijzonder van belang dat, zoals [verzoeker] zelf in zijn toelichting op het eerste onderdeel aan de orde heeft gesteld, uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van kinderen en pleegkinderen die in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden, onder voorwaarden als buitengewone lasten zijn aan te merken (artikel 46, eerste lid, onderdeel a, IB 1964) en tot een bedrag, bepaald volgens bij ministeriële regeling te stellen regels, in aanmerking worden genomen (artikel 46, tweede lid, IB 1964).

2.7. De wettelijke voorwaarde dat de betrokken kinderen en pleegkinderen in belangrijke mate door de belastingplichtige worden onderhouden, is in artikel 2 van de Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 aldus uitgewerkt dat de op de ouder drukkende bijdrage in de kosten van het onderhoud ten minste ƒ56,- per week beloopt (11). In het als bijlage bij de Trema-alimentatienormen behorende Model voor de nettomethode komt dit drempelbedrag voor als maandbedrag van ƒ243,- (12). Naar ook aan de Trema-alimentatienormen ten grondslag is gelegd, omvatten de in aanmerking te nemen uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud niet slechts de door de belastingplichtige te betalen alimentatie, maar ook uitgaven ter zake van de omgangsregeling met het kind. In het onderhavige geval zijn de kosten van de omgangsregeling op ƒ128,- per maand vastgesteld (zie de cijfermatige opstelling in rov. 21).
Volgens [verzoeker] wordt het drempelbedrag ook met inachtneming van de kosten van omgang niet overschreden. Ik deel die opvatting niet. Het hof heeft een (door de behoefte van beide kinderen ingegeven) bedrag van ƒ390,- per maand met de draagkracht van [verzoeker] over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 in overeenstemming geacht. Een uitkering tot levensonderhoud over dezelfde periode en tot hetzelfde bedrag zou, met de kosten van de omgangsregeling ten bedrage van ƒ128,-, in een totale bijdrage in de kosten van het onderhoud van beide kinderen van ƒ518,- per maand hebben geresulteerd en zou het drempelbedrag van (2 x ƒ243,- =) ƒ486,- derhalve hebben overschreden. Nu bovendien zou zijn voldaan aan de in artikel 46, eerste lid, onderdeel a, IB 1964 vervatte voorwaarde dat de belastingplichtige voor de betrokken kinderen geen recht op kinderbijslag heeft (13), zouden de betrokken uitgaven in het bedoelde geval als buitengewone lasten kunnen worden gekwalificeerd.
Of het voorgaande óók geldt voor de maandelijkse termijnen van ƒ100,- ter aflossing op de door het hof vastgestelde achterstand in de betalingen van de verhaalsbijdrage kan, zoals hiervoor (in nr. 2.3) al is uiteengezet, buiten beschouwing blijven. Naar ik meen, moet de aftrekbaarheid van die termijnen overigens worden betwijfeld (14).

2.8. Voor de aftrek van buitengewone lasten als hier bedoeld geldt een forfaitaire regeling. Voor kinderen ouder dan 6 maar jonger dan 12 jaar worden de uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud in aanmerking genomen tot een bedrag van ƒ675,- per kalenderkwartaal per kind. Over 1999 correspondeert dit bedrag bij een belastingdruk van 37,05% over de in aanmerking te nemen (tweede) schijf met een fiscaal voordeel van ƒ83,- per maand per kind (15). Dit bedrag wordt ook genoemd als het voordeel uit fiscale buitengewonelastenaftrek per kind van 6 tot en met 11 jaar over het jaar 1999 in de Tarieven en modellen, behorende bij de Trema-alimentatienormen (16). In rov. 22 is het hof van een nagenoeg gelijk fiscaal voordeel van ((ƒ434,- - ƒ272,-) : 2 =) ƒ81,- per maand per kind uitgegaan, alhoewel het spreekt van volledige fiscale aftrekbaarheid (17). In zoverre heeft [verzoeker] geen belang bij aantasting van het aangevochten oordeel. In verband met de buitengewone lastenaftrek zal bij de vaststelling van de grens van de onderhoudsplicht als bedoeld in Boek 1 BW geen geringer fiscaal voordeel in aanmerking moeten worden genomen dan dat waarvan het hof is uitgegaan.
De mate van onderhoud dient per kwartaal te worden beoordeeld (18). Slechts indien de uitgaven voor een kind op jaarbasis ten minste (52 x ƒ56,- =) ƒ2912,- bedragen, wordt de aftrek, zonder toetsing van de mate van onderhoud per kwartaal, over het gehele jaar toegestaan. De uitgaven van [verzoeker] zouden in het jaar 1999 (over de periode van juni tot en met december) (7 x ƒ518,- : 2 =) ƒ1813,- per kind hebben bedragen en in het jaar 2000 (over de periode van januari tot en met oktober) (10 x ƒ518,- : 2 =) ƒ2590,-. Over geen van beide jaren zou het minimumjaarbedrag zijn gehaald. De vereiste mate van onderhoud had daarom per kwartaal moeten worden getoetst. De laatste twee kwartalen van 1999 en de eerste drie kwartalen van 2000 zijn in dat verband niet problematisch. De in aanmerking te nemen onderhoudsplicht over het tweede kwartaal van 1999 en het vierde kwartaal van 2000 zou zich echter tot één maand beperken. Over geen van beide kwartalen zou [verzoeker] met een bedrag van ten minste (2 x 13 x ƒ56,- =) ƒ1456,- in het onderhoud van beide kinderen hebben bijgedragen. Op grond van artikel 9, derde lid, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 is voor de toepassing van de buitengewonelastenaftrek de toestand bij het begin van het kalenderkwartaal echter beslissend. Dit geldt ook voor de vraag of een kind in belangrijke mate door de belastingplichtige wordt onderhouden (19). Bij het begin van het vierde kwartaal van 2000 droeg [verzoeker] met het vereiste bedrag van ƒ56,- per week per kind in het onderhoud van de kinderen bij, bij het begin van het tweede kwartaal van 1999 niet. Over het vierde kwartaal van 2000 zou de buitengewonelastenaftrek derhalve kunnen worden toegestaan, over het tweede kwartaal van 1999 niet. Tenzij men zich op het standpunt zou willen stellen dat het gemis van het fiscale voordeel over de maand juni 1999 wordt gecompenseerd door de omstandigheid dat de draagkracht van [verzoeker] over de andere maanden een enigszins hogere dan de berekende bijdrage van ƒ390,- per maand toeliet, heeft [verzoeker] in zoverre belang bij de klacht van het onderdeel dat voor de maand juni 1999 niet van een fiscaal voordeel kan worden uitgegaan en de bijdrage voor die maand op het beschikbare deel van de draagkrachtruimte ten bedrage van ƒ272,- (zoals door het hof in rov. 21 berekend) dient te worden vastgesteld. Dit zou vervolgens tot een achterstand over de periode van 1 juni 1999 tot 1 november 2000 van in totaal (ƒ6630,- - ƒ118,- =) ƒ6512,- leiden.

2.9. Uit het vorenstaande volgt dat [verzoeker] slechts belang heeft bij vernietiging van de aangevochten beschikking voor zover deze betrekking heeft op de maand juni 1999. Over die maand heeft het hof de draagkracht van [verzoeker] op een te hoog bedrag vastgesteld als gevolg van de veronderstelling dat een bijdrage in het levensonderhoud van zijn kinderen over die maand voor [verzoeker] aftrekbaar zou zijn. De Hoge Raad kan de zaak zelf afdoen door de onderhoudsbijdrage voor beide kinderen tezamen over de maand juni 1999 te bepalen op een bedrag van ƒ272,- per maand in plaats van ƒ390,- per maand, waardoor het totale door de gemeente te verhalen bedrag komt op ƒ6512,-. In rov. 21 noemt het hof een bedrag van ƒ272,- als het beschikbare deel van de draagkrachtruimte van [verzoeker] zonder dat met de mogelijkheid van fiscale aftrek is rekening gehouden. Tegen deze overweging heeft [verzoeker] geen cassatieklachten gericht.



Onderdeel II

2.10. Onderdeel II van het cassatiemiddel, dat ervan uitgaat dat het hof heeft geoordeeld dat de Inspectie waaronder [verzoeker] ressorteert over de periode waarover de gemeente de verleende bijstand wenst te verhalen als beleid hanteert de verhaalsbijdrage in aftrek toe te staan als ware het een persoonlijke verplichting op de voet van artikel 45 IB 1964, mist feitelijke grondslag.




3. Conclusie


De conclusie strekt tot vernietiging en tot afdoening van de zaak door de Hoge Raad op de hiervoor in nr. 2.9 omschreven wijze.

De Procureur-Generaal bij de Hoge Raad der Nederlanden,

Advocaat-Generaal




1. Zie de beschikking van het hof van 28 november 2001 onder 5-7.
2. Blijkens blz. 2 van het appelrekest zijn [verzoeker] en [betrokkene 1] op 15 oktober 2000 weer gaan samenwonen.
3. De rechtbank spreekt in de rechtsoverwegingen en het dictum van haar beschikking kennelijk abusievelijk van 1 juni 2000.
4. Zie rov. 1 en 2 van de beschikking van het hof van 28 november 2001.
5. Blz. 2, eerste alinea, van de beschikking van het hof.
6. Artikel 426, eerste lid, Rv [Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering, red.]; het verzoekschrift tot cassatie is op 28 januari 2002 ter griffie van de Hoge Raad ingekomen.
7. HR 28 februari 1997, NJ 1997, 306.
8. Zie de - in de onderhavige zaak relevante - Bijlage Alimentatienormen 1999, Trema 1999, nr. 2, Bijlage, blz. 4, nrs. 30-37.
9. Vakstudie IB 1964, aant. 67 bij artikel 45.
10. Vakstudie IB 1964, aant. 57 bij artikel 45.
11. Dit bedrag is tussen 1983 en 2001 ongewijzigd gebleven (aant. 34 bij artikel 46 IB).
12. Zie de - in de onderhavige zaak relevante - Bijlage Alimentatienormen 1999, Trema 1999, nr. 2, Bijlage, blz. 4, nrs. 35 en 37.
13. Over de relevante periode moest [verzoeker] worden geacht geen recht op kinderbijslag ingevolge de Algemene Kinderbijslagwet voor zijn niet tot zijn huishouding behorende minderjarige kinderen te hebben. Zie artikel 46, tweede lid, IB 1964 en artikel 10, onderdeel b, Uitvoeringsregeling inkomstenbelasting 1990 juncto artikel 18, vierde lid, Algemene Kinderbijslagwet; zie ook Vakstudie IB 1964, aant. 31-32 bij artikel 46.
14. Op grond van artikel 46, vijftiende lid, IB 1964 geldt ook in verband met buitengewone lasten een kasstelsel: buitengewone lasten komen voor aftrek in aanmerking op het tijdstip dat zij worden betaald. M.i. moet ook op dat tijdstip de mate van onderhoud worden getoetst. De maandelijkse termijnen voldoen, als zij al als uitgaven tot voorziening in het levensonderhoud van de kinderen kunnen worden aangemerkt, niet aan de kwantitatieve norm van ƒ56,- per week per kind.
15. Blijkens de aanslag IB 1999, overgelegd als prod. 5 bij het beroepschrift, was over 1999 een bedrag van ƒ13.673,- in de tweede schijf belast. De belastingdruk over de tweede schijf bedroeg over 2000 37,95%; bij die belastingdruk zou met het forfaitaire bedrag van ƒ 675,- per kwartaal een fiscaal voordeel van (ruim) ƒ85,- per maand corresponderen.
16 Bijlage Alimentatienormen 1999, Tarieven en tabellen, Trema 1999, nr. 2, Bijlage, blz. 12, nr. 31.
17. Het fiscaal voordeel zou bij werkelijk volledige aftrekbaarheid meer hebben bedragen, te weten ruim ƒ95,- per maand per kind.
18. Vakstudie IB 1964, aant. 30, 34, 38, 42 en 44 bij artikel 46.
19. HR 29 augustus 1997, VN 1997, blz. 3171, in het bijzonder rov. 3.3.