Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE4212
ECLI: ECLI:NL:RBMAA:2001:AE4212
Instantie: Rechtbank Maastricht
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 99/1568 NABW I
Datum uitspraak: 20 maart 2001
Wetsartikelen: artt. 15, 17 en 39 Abw (= 13, 15 en 35 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; begrafeniskosten; erfgenaam; voorliggende voorziening; geen bijstand voor schulden
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor de kosten van de begrafenis van de broer van betrokkene, omdat betrokkene geen erfgenaam is van zijn broer en de Wet op de lijkbezorging derhalve als voorliggende voorziening geldt. Bijzondere bijstand voor de aldus ontstane schuld is evenmin mogelijk, daar betrokkene voor- en nadien met zijn bijstandsuitkering over een inkomen beschikte dat toereikend was om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Maastricht AWB 99/1568 NABW I




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de Gemeente Brunssum, gevestigd te Brunssum, verweerder.



Datum bestreden besluit: 25 oktober 1999.
Kenmerk: BJC nr. 4610.
Behandeling ter zitting: 13 maart 2001.




I. Ontstaan en loop van het geding


In het in de aanhef van deze uitspraak genoemde besluit van 25 oktober 1999 heeft verweerder aan eiser mededeling gedaan van een ten aanzien van eiser genomen besluit inzake de toepassing van de Algemene bijstandswet (Abw).

Bij schrijven van 9 november 1999, ingekomen ter griffie van deze rechtbank op 12 november daaraanvolgend, is namens eiser door mr. R.P.F. Rober, advocaat te Hoensbroek, hiertegen ter griffie van deze rechtbank beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn bij schrijven van 18 november 1999 aangevuld.

De door verweerder ter voldoening aan het gestelde in artikel 8:42 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ingezonden stukken alsmede het verweerschrift zijn in kopie aan de gemachtigde van eiser gezonden.

De zaak is behandeld ter openbare zitting van 13 maart 2001, alwaar eiser in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. E.G.W. Hendriks. Verweerder is verschenen bij gemachtigde dhr. T.G.J. Cizko.




II. Overwegingen


Aan de stukken en het verhandelde ter zitting ontleent de rechtbank de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser ontvangt sedert geruime tijd een bijstandsuitkering vanwege verweerders gemeente.

Op [dag] juli 1998 is eisers broer overleden. Eiser heeft de begrafenis van zijn broer geregeld en zich op 10 november 1998 tot verweerder gewend met het verzoek bijzondere bijstand te verlenen in de begrafeniskosten ad ƒ8309,67.

Bij besluit van 23 april 1999 heeft verweerder eisers verzoek afgewezen omdat begrafeniskosten tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan behoren en op grond van artikel 39 van de Abw dan ook niet voor vergoeding in aanmerking komen.

Hiertegen is namens eiser door voornoemde gemachtigde een bezwaarschrift ingediend. Eiser en zijn gemachtigde hebben gebruik gemaakt van de gelegenheid het bezwaarschrift op de op 29 september 1999 gehouden hoorzitting nader toe te lichten, waarvan verslag is opgemaakt.



Het bestreden besluit

In de beslissing op het bezwaarschrift heeft verweerder eisers bezwaren ongegrond verklaard.
Hieraan heeft verweerder ten grondslag gelegd, in navolging van het advies van de Commissie voor de bezwaarschriften van verweerders gemeente, dat begrafeniskosten behoren tot de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan.
Blijkens de stukken is eiser geen erfgenaam van zijn overleden broer, zodat eiser ook niet gehouden was de begrafenis te regelen en kosten te maken.
Tevens was er sprake van een voorliggende voorziening, zijnde de Wet op de lijkbezorging. Mitsdien is er geen grond over te gaan tot vergoeding van de begrafeniskosten.



Het beroep

In beroep is zijdens eiser aangevoerd dat eiser als enig familielid na het overlijden van zijn broer zorg heeft gedragen voor diens begrafenis.
Blijkens de overgelegde verklaring van notaris Hoekstra uit Hoensbroek zijn er geen andere erfgenamen te traceren.
Eiser acht het niet redelijk en billijk te stellen dat er sprake van een voorliggende voorziening is; te weten de Wet op de lijkbezorging. Eiser was hiervan niet op de hoogte. Nu heeft hij een schuld opgebouwd en maakt verweerder een onvoldoende belangenafweging door deze kosten niet te vergoeden.
Namens eiser wordt verzocht het bestreden besluit te vernietigen en te bepalen dat aan eiser bijzondere bijstand wordt toegekend voor de begrafeniskosten. Kosten rechtens.



De rechtsvraag

De rechtbank dient te beoordelen of het bestreden besluit de rechterlijke toets kan doorstaan.
Daarbij dient zij in het bijzonder de vraag te beantwoorden of verweerder terecht de aanvraag om vergoeding van de begrafeniskosten ex artikel 39 Abw heeft afgewezen.



De beoordeling

De rechtbank overweegt hieromtrent als volgt.

Artikel 39 van de Abw bepaalt:
1. Onverminderd hoofdstuk II heeft de alleenstaande of het gezin recht op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.
2. (...).
3. (...).

In de huidige bijstandswet is, in tegenstelling tot de vervallen bepalingen hieromtrent, de fictie dat begrafeniskosten behoren tot de noodzakelijke kosten van het bestaan niet teruggekeerd. In de Abw zelf ontbreekt thans een rechtsplicht om bijzondere bijstand in de begrafenis- c.q. crematiekosten te verlenen. Verweerders gemeente heeft blijkens de door haar overgelegde stukken ervoor gekozen de ontstane kosten als kosten van de nalatenschap te zien.

Dit beleid, dat de rechtbank overigens niet onjuist voorkomt, heeft tot gevolg dat deze kosten naar rato aan de erven dienen te worden toegerekend, die elk voor hun deel dat niet uit de nalatenschap kan worden voldaan bijzondere bijstand kunnen aanvragen. Indien geen van de erfgenamen zich om een begrafenis bekommert of er geen erfgenamen zijn, draagt de gemeente op grond van de Wet op de lijkbezorging zorg voor een begrafenis.

In casu behoort eiser niet tot de erfgenamen van de overledene, zodat moet worden geoordeeld dat de door hem gemaakte kosten niet voor bijzonderebijstandverlening in het kader van de Abw in aanmerking komen en verweerder terecht heeft geweigerd de kosten te vergoeden.

De omstandigheid dat eiser zich moreel verplicht voelde zorg te dragen voor de begrafenis van zijn broer - hoe begrijpelijk ook - en niet op de hoogte was van de wettelijke bepalingen omtrent de vergoeding c.q. voorliggende voorziening ervan kan niet tot een ander oordeel leiden.

Voor zover in casu bedoeld is bijzondere bijstand voor een schuld te verkrijgen, overweegt de rechtbank als volgt.

In artikel 15, eerste lid, van de Abw is vervat dat degene die bijstand vraagt ter gedeeltelijke of volledige aflossing van een schuldenlast en die overigens bij het ontstaan van de schuldenlast, dan wel nadien, beschikte of beschikt over de middelen om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, niet wordt geacht te verkeren in omstandigheden als bedoeld in artikel 7, eerste lid Abw.

Nu onweersproken vaststaat dat eiser ten tijde van het ontstaan van de schuld en ook nadien over een inkomen beschikte dat toereikend was om in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, staat artikel 15 voornoemd aan bijstandverlening in de weg.

Gelet op het bovenstaande moet het beroep voor ongegrond worden gehouden en kan het bestreden besluit in stand blijven.




III. Beslissing


De arrondissementsrechtbank te Maastricht:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gedaan door mr. J. Sleddens in tegenwoordigheid van mr. C. Schrammen als griffier en in het openbaar uitgesproken op 20 maart 2001 door mr. Sleddens voornoemd in tegenwoordigheid van voornoemde griffier.

w.g. J. Sleddens        w.g. C. Schrammen




Voor eensluidend afschrift: de wnd. griffier:

Verzonden op: 20 maart 2001.




Voor belanghebbenden en het bestuursorgaan staat tegen de uitspraak in de hoofdzaak het rechtsmiddel hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het instellen van het hoger beroep bedraagt zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak. Indien hoger beroep is ingesteld, kan ingevolge het bepaalde in artikel 21 van de Beroepswet juncto artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht de President van de Centrale Raad van Beroep op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.