Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE4494
ECLI: ECLI:NL:RBARN:2002:AE4494
Instantie: Rechtbank Arnhem
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 01/205 NABW
Datum uitspraak: 26 april 2002
Wetsartikelen: artt. 78 en 88 (oud) Abw (= 58 en – Wwb) / 1:3 en 4:6 Awb
Trefwoorden: terugvordering; herzieningsverzoek; kantonrechtersbeschikking; feitelijke handeling; appellabel besluit; nieuwe feiten of omstandigheden; requeste civiel
Essentie: Terechte niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de schriftelijke mededeling dat niet in discussie wordt getreden over de hoogte van de door de kantonrechter vastgestelde terugvordering, omdat die mededeling geen appellabel besluit is. Zo er al sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden, kan ter zake van herziening van de in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking enkel een requeste civiel worden ingediend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Arnhem AWB 01/205 NABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Wijchen, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 13 december 2000, verzonden op 19 december 2000.




2. Feiten en procesverloop


Eiser ontving sedert 9 november 1992 een bijstandsuitkering.

Bij besluit van 28 augustus 1996 heeft verweerder van eiser een bedrag van ƒ5873,60 netto teruggevorderd. Tegen dit besluit heeft eiser bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 20 januari 1997 heeft verweerder het van eiser terug te vorderen bedrag gewijzigd en nader vastgesteld op ƒ25.381,77 bruto.

Bij besluit van 23 december 1997 heeft verweerder eisers bezwaar voor zover gericht tegen de terugvordering niet-ontvankelijk verklaard.

Naar aanleiding van een door verweerder op 2 augustus 1999 ingediend verzoekschrift heeft de kantonrechter bij beschikking van 19 mei 2000 vastgesteld dat verweerder van eiser de brutobedragen van ƒ20.849,96, ƒ4397,10 en ƒ190,96 (tezamen voormeld bedrag van ƒ25.381,77) kan terugvorderen.
Tegen deze beschikking heeft eiser geen beroep ingesteld.

Bij brief van 10 augustus 2000 heeft eiser verweerder verzocht om een nieuwe berekening van het teruggevorderde bedrag.

Bij brief van 15 augustus 2000 heeft verweerder eiser meegedeeld dat hij over de hoogte van de terugvordering, die door de kantonrechter is nagerekend en (inmiddels onherroepelijk) is vastgesteld, niet meer in discussie treedt.

Bij brief van 16 augustus 2000 heeft eiser verweerder verzocht om uitleg omtrent loonheffing bij een uitkering en loonheffing bij terugvordering.

Op 14 september 2000 heeft eiser aan verweerder een gecorrigeerde berekening van de terugvordering toegezonden, met het verzoek om een bevestiging van de juistheid daarvan.

In reactie hierop heeft verweerder bij schrijven van 15 september 2000 eiser nogmaals meegedeeld dat niet meer inhoudelijk op de kwestie zal worden ingegaan. Twijfels over de juistheid van de terugvordering had eiser in de procedure bij de kantonrechter kunnen indienen of in beroep tegen de beschikking van de kantonrechter kunnen aanvoeren.
Verweerder heeft dit standpunt, mede ten aanzien van de brutering van de vordering, herhaald bij brieven van 25 september 2000, 3 oktober 2000 en 1 november 2000.

Op 16 oktober 2000 heeft eiser bezwaar gemaakt tegen de weigering van verweerder om inhoudelijk in te gaan op zijn verzoek van 14 september 2000 en de weigering een berekening te geven van het verschil tussen de op de uitkering ingehouden en de teruggevorderde loonheffing.

Bij het thans bestreden besluit van 13 december 2000 heeft verweerder het bezwaar kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen dit besluit heeft X namens eiser op 24 januari 2001 beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 19 februari 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 22 maart 2002. Eiser is aldaar vertegenwoordigd door zijn vader, X. Verweerder is, met bericht van verhindering, niet verschenen.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit, waarbij verweerder het bezwaarschrift van eiser kennelijk niet-ontvankelijk heeft verklaard, de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat eisers bezwaar niet is gericht tegen een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb, nu aan het algemene antwoord op eisers verzoek geen rechtsgevolg is verbonden.

Eisers beoogt met zijn beroep wijziging van het door de kantonrechter vastgestelde bedrag dat hij aan verweerder dient terug te betalen.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 1:3, eerste lid, van de Awb wordt onder een besluit verstaan: een schriftelijke beslissing van een bestuursorgaan, inhoudende een publiekrechtelijke rechtshandeling.

Ingevolge de artikelen 7:1 en 8:1 van de Awb kan slechts tegen een besluit bezwaar en beroep worden ingesteld.

Ingevolge artikel 8:5 van de Awb is van bezwaar en beroep uitgezonderd een besluit genomen op grond van een wettelijk voorschrift dat is opgenomen in de bijlage die bij deze wet behoort.

Artikel 4:6 van de Awb schept de mogelijkheid om een bestuursorgaan te verzoeken terug te komen op een rechtens onaantastbaar geworden besluit. Een belanghebbende dient bij een dergelijk verzoek nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
De beslissing op een dergelijk verzoek is een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.

De vraag die zich hier voordoet, is of verweerder het verzoek van eiser, dat neerkomt op een verzoek om terug te komen op een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking van de kantonrechter, had dienen aan te merken als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb.

Verweerder heeft op 28 augustus 1996 en 20 januari 1997 weliswaar besloten tot terugvordering, maar het betrof besluiten waartegen destijds op grond van de bepalingen in de Algemene bijstandswet en de bijlage bij de Awb geen bezwaar en beroep mogelijk was. Een procedure tot terugvordering diende tot 1 juli 1997 door een verzoekschrift bij de kantonrechter aanhangig gemaakt te worden. Uit een besluit tot terugvordering als zodanig vloeide geen terugbetalingsverplichting voort en voor het stuiten van de verjaringstermijn was niet bepalend het terugvorderingsbesluit, maar de datum van indiening van een verzoekschrift bij de kantonrechter. De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraak van de Hoge Raad van 22 december 2000, NJ 2001/58 [LJN AA9135, red.].

In casu is er geen sprake van een terugvorderingsbesluit van verweerder dat in bezwaar en/of beroep is gehandhaafd, maar van een rechtens onaantastbaar geworden beslissing van de kantonrechter. Zo er al sprake zou zijn van nieuwe feiten of omstandigheden die, ware zij bekend geweest, tot een ander oordeel hadden kunnen leiden, ligt het naar het oordeel van de rechtbank niet op de weg van verweerder om het besluit van de kantonrechter ongedaan te maken.
Voor dit oordeel vindt de rechtbank steun in de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep van 13 maart 2001, JABW 2001/78 [LJN ZB9221, red.]. De Raad heeft daar weliswaar overwogen dat het niet onmogelijk is dat een bestuursorgaan na 1 juli 1997 een besluit neemt omtrent terugvordering van kosten van bijstand over een tijdvak waarover ook reeds de kantonrechter bij een in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbeschikking heeft geoordeeld. Het betrof echter een besluit tot aanvullende terugvordering, dat geen wijziging bracht in de beschikking van de kantonrechter.

De rechtbank overweegt voorts dat in de op 1 juli 1997, respectievelijk 1 augustus 1998, inwerking getreden artikelen 78a en 78c van de Algemene bijstandswet aan burgemeester en wethouders de bevoegdheid is gegeven om onder bepaalde omstandigheden van (verdere) terugvordering af te zien. Toewijzing van een dergelijk verzoek kan meebrengen dat een door de kantonrechter vastgestelde terugvordering feitelijk niet volledig wordt ingevorderd. De grondslag daarvan is echter niet gelegen in een wijziging van de hoogte de terugvordering, maar in de omstandigheden als genoemd in de betreffende artikelen. De thans in geding zijnde verzoeken van eiser kunnen niet worden gezien als een verzoek om toepassing van artikel 78a of artikel 78c van de Abw.

Het vorenstaande leidt de rechtbank tot de slotsom dat verweerder de verzoeken van eiser terecht niet heeft aangemerkt als een verzoek als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb en dat de reactie(s) van verweerder een feitelijke mededeling is, die niet kan worden aangemerkt als een publiekrechtelijke rechtshandeling, zodat er geen sprake is van een besluit als bedoeld in artikel 1:3 van de Awb.
Verweerder heeft eisers bezwaar dan ook terecht kennelijk niet-ontvankelijk verklaard.

De rechtbank merkt ten slotte nog op dat het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering voor het herroepen van vonnissen eigen voorwaarden en een eigen procedure kent middels de mogelijkheid tot het indienen van een requeste civiel. In hoeverre een dergelijk verzoek in casu kans van slagen heeft, staat niet ter beoordeling aan de sector bestuursrecht van de rechtbank.

De rechtbank acht geen termen aanwezig over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank tot de volgende beslissing.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 26 april 2002, in tegenwoordigheid van mr. J.M.B. Moll van Charante als griffier.

De griffier, De rechter,




Verzonden op: 26 april 2002.




Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.