Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE4985
ECLI: ECLI:NL:RBARN:2002:AE4985
Instantie: Rechtbank Arnhem
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: AWB 01/896 NABW
Datum uitspraak: 5 juni 2002
Wetsartikelen: artt. 39 en 106 Abw (= 35 en 55 Wwb)
Trefwoorden: bijzondere bijstand; verhuis- en inrichtingskosten; voorwaarde tot inkomensbeheer; budgettering
Essentie: Onterechte oplegging voorwaarde tot inkomensbeheer bij bijzonderebijstandverlening voor verhuis- en inrichtingskosten, omdat die voorwaarde geen verband houdt met aard en doel van de eenmalig verleende bijzondere bijstand.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Arnhem AWB 01/896 NABW




U I T S P R A A K




ingevolge artikel 8:77 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Arnhem, verweerder.




1. Aanduiding bestreden besluit


Besluit van verweerder van 23 april 2001.




2. Procesverloop


Bij besluit van 8 december 2000 heeft verweerder aan eiser bijzondere bijstand toegekend voor verhuis- en inrichtingskosten tot een bedrag van maximaal ƒ3000,-, onder meer onder de voorwaarde van inkomensbeheer door het Budget Advies Centrum (BAC).

Tegen dit besluit heeft eiser op 21 december 2000 bezwaar gemaakt.

Het bezwaar is op 20 maart 2001 behandeld door de bezwaarschriftencommissie van de dienst Sociale Zaken en Arbeid. Eiser is niet op de hoorzitting verschenen.

Bij het in rubriek 1 aangeduide besluit heeft verweerder het bezwaar ongegrond verklaard en het eerder genoemde besluit gehandhaafd.

Tegen dit besluit heeft eiser een bezwaarschrift ingediend dat op 9 mei 2001 bij verweerder is ingekomen en op 10 mei 2001 als beroepschrift is doorgestuurd naar de rechtbank. Op 28 mei 2001 heeft eiser de gronden van het beroepschrift aangevuld.

Verweerder heeft op 22 mei 2001 een verweerschrift ingediend.

Het beroep is behandeld ter zitting van de rechtbank van 17 mei 2002. Eiser is daar, met bericht van verhindering, niet verschenen. Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door W.A.A. van Wees, werkzaam bij de gemeente Arnhem.




3. Overwegingen


In dit geding moet worden beoordeeld of het bestreden besluit de rechterlijke toetsing kan doorstaan.

Blijkens de stukken en het verhandelde ter zitting ontvangt eiser een uitkering ingevolge de Algemene Ouderdomswet. Op 24 oktober 2000 heeft hij een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand in verhuis- en inrichtingskosten. Deze aanvraag is in eerste instantie afgewezen, omdat de noodzaak van verhuizing onvoldoende was aangetoond en wegens onvoldoende besef van verantwoordelijkheid. Zo zou eiser in de afgelopen twaalf jaar zonder aanwijsbare noodzaak acht keer zijn verhuisd, laatstelijk naar een kamer in een pension waarvan de maandlasten ƒ1150,- bedroegen.
Naar aanleiding van een gesprek met eiser op 27 november 2000 is besloten dat eiser eenmalig geholpen moest worden om zijn situatie weer zo normaal mogelijk te krijgen, onder de voorwaarde dat eiser zich zou aanmelden bij het BAC.
Op 1 december 2000 heeft eiser een intakegesprek gehad met het BAC. Zijn financiële situatie bleek niet dusdanig problematisch dat inkomensbeheer nodig was. Omdat eiser een verwarde indruk maakte, achtte het BAC het echter beter om eisers inkomen toch voor ten minste het eerste halfjaar onder beheer te nemen.
Bij primair besluit van 8 december 2000 is alsnog bijzondere bijstand om niet verleend, onder de voorwaarden van inkomstenbeheer en uitbetaling van de bijstand na indiening van de nota’s.
Op 19 december 2000 heeft eiser een tweede gesprek gehad met het BAC. Daarbij is in overleg met eiser een principeafspraak tot inkomensbeheer gemaakt voor de duur van een halfjaar.

Blijkens het bestreden besluit liggen aan de voorwaarde tot inkomensbeheer eisers persoonlijke omstandigheden ten grondslag.

Eiser kan zich met die voorwaarde niet verenigen. De voorwaarde is zijns inziens niet noodzakelijk nu hij aan zijn financiële verplichtingen kan voldoen en zijn financiële situatie overzichtelijk is. De voorwaarde staat zijns inziens ook niet in verhouding tot het verkrijgen van bijzondere bijstand voor verhuis- en inrichtingskosten.

De rechtbank overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 106, van de Abw, kunnen burgemeester en wethouders aan de bijstand onder meer verplichtingen verbinden die verband houden met aard en doel van een bepaalde vorm van bijstand of die strekken tot zijn vermindering of beëindiging.

Aangezien eiser geen periodieke bijstandsuitkering ontvangt, is verweerder in deze slechts bevoegd om verplichtingen op te leggen die verband houden met aard en doel van de eenmalig verleende bijzondere bijstand.
De rechtbank ziet niet in hoe de verplichting tot inkomensbeheer hiermee verband zou kunnen houden. Anders dan de eveneens opgelegde voorwaarde dat de uitbetaling geschiedt na indiening van de nota’s, verzekert de verplichting tot inkomensbeheer niet dat de bijstand wordt aangewend voor het beoogde doel en raakt het evenmin de aard van de verleende bijstand, die om niet is verstrekt.
Dat inkomensbeheer, gelet op eisers persoonlijke omstandigheden, wellicht in zijn voordeel zou zijn, betekent op zichzelf nog niet dat verweerder ook bevoegd is eiser daartoe te verplichten.

De slotsom is dan ook dat verweerder met de oplegging van de voorwaarde tot inkomensbeheer de grenzen van zijn bevoegdheid heeft overschreden en dat het bestreden besluit in zoverre in aanmerking komt voor vernietiging wegens strijd met de wet.

Aangezien dit gebrek eveneens kleeft aan het primaire besluit ziet de rechtbank aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en ook het besluit van 8 december 2000 te vernietigen, voor zover daarbij de voorwaarde tot inkomensbeheer is gesteld.

De rechtbank acht geen termen aanwezig om over te gaan tot een proceskostenveroordeling als bedoeld in artikel 8:75 van de Awb, nu de rechtbank niet is gebleken van door eiser gemaakte proceskosten.

Het hiervoor overwogene leidt de rechtbank, mede gelet op het bepaalde in artikel 8:74 van de Awb, tot de volgende beslissing.




4. Beslissing


De rechtbank:

verklaart het beroep gegrond;
vernietigt het bestreden besluit van 23 april 2001, alsmede het hieraan voorafgaande besluit van 8 december 2000, voor zover hierbij is besloten dat eisers inkomen door het BAC onder beheer wordt genomen;
bepaalt dat de gemeente Arnhem aan eiser het door hem betaalde griffierecht van €27,23 vergoedt.

Aldus gegeven door mr. J.N.A. Bootsma, rechter, en in het openbaar uitgesproken op 5 juni 2002, in tegenwoordigheid van mr. F.M.Th. Quaadvliet als griffier.

De griffier, De rechter,




Verzonden op: 5 juni 2002.




Tegen deze uitspraak staat voor belanghebbenden, behoudens het bepaalde in artikel 6:24 juncto 6:13 van de Awb, binnen zes weken na de dag van verzending hiervan, hoger beroep open bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht.