Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE6058
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AE6058
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 99/5618 NABW
Datum uitspraak: 2 juli 2002
Wetsartikelen: art. 8 Abw (= 7 IWwb)
Trefwoorden: zelfstandige; bedrijfskapitaal; oudere zelfstandige; inkomenscriterium
Essentie: Terechte afwijzing bijstand ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal, omdat betrokken oudere zelfstandige (55+) niet in de situatie verkeerde dat hij duurzaam over een ontoereikend inkomen uit bedrijf beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/5618 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Venlo, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. R.H.A. Julicher, advocaat te Venray, op bij aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de president van de rechtbank Roermond op 22 september 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 21 mei 2002, waar partijen, zoals aangekondigd, niet zijn verschenen.




II. Motivering


Aan de gedingstukken ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellant exploiteert sedert 1970 een eenmanszaak. De bedrijfsactiviteiten bestaan uit het schrijven en publiceren van culinaire artikelen en kookboeken. Appellant heeft, voor zover hier van belang, op 12 november 1998 een aanvraag bij gedaagde ingediend om bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal tot een bedrag van ƒ16.000,-. Gedaagde heeft de aanvraag, nadat bij het IMK Intermediair te Eindhoven (hierna: het IMK) advies was ingewonnen, bij besluit van 22 juni 1999 afgewezen omdat het bedrijf van appellant niet levensvatbaar is in de zin van artikel 1, aanhef en onder b, van het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Na gemaakt bezwaar heeft gedaagde de grondslag van de afwijzing bij besluit van 21 juli 1999 gewijzigd, in die zin dat niet is voldaan aan de eis dat appellant een inkomen uit bedrijf geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke bestaanskosten te voorzien.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de president van de rechtbank, voor zover van belang, onder toepassing van artikel 8:86 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het door appellant tegen het besluit van 21 juli 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Appellant heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen dit onderdeel van de uitspraak gekeerd.

De Raad overweegt het volgende.

Ingevolge artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Algemene bijstandswet (Abw) heeft de zelfstandige wiens bedrijf of zelfstandig beroep niet levensvatbaar is in zijn hoedanigheid van zelfstandige geen recht op bijstand, tenzij belanghebbende 55 jaar of ouder is, het bedrijf of zelfstandig beroep gedurende een aaneengesloten periode van tien jaar onmiddellijk voorafgaand aan de aanvraag heeft uitgeoefend en hieruit een inkomen geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien.
Blijkens de toelichting op artikel 8 van de Abw is daarmee beoogd de bepalingen uit het tot 1 januari 1996 geldende Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz) te herstructureren. Zo vormt artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw, gelezen in samenhang met artikel 13 van het Bbz, in wezen een neerslag van hetgeen tot 1 januari 1996 in artikel 25, eerste lid, van het Bz was geregeld. Laatstgenoemd artikel stelt in de aanhef dat aan de oudere zelfstandige slechts bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal wordt verstrekt indien deze beschikt over een inkomen dat duurzaam beneden de jaarnorm ligt. Blijkens artikel 1, eerste lid, aanhef en onder d, van het Bz wordt onder jaarnorm verstaan: het in één jaar van toepassing zijnde bedrag ter voorziening in de algemeen noodzakelijke kosten van het bestaan overeenkomstig het bepaalde in hoofdstuk II, paragraaf 1, van het Bijstandsbesluit landelijke normering (Stb. 1983, 132), verhoogd met het bedrag van de ten laste van de zelfstandige komende premie van een verzekering tegen arbeidsongeschiktheid, voor zover deze premie uit een oogpunt van bijstandverlening aanvaardbaar is.

Naar het oordeel van de Raad is met het opnemen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, in de Abw niet tevens een inhoudelijke wijziging beoogd ten opzichte van het voorheen geldende artikel 25, eerste lid, van het Bz. Uit één en ander vloeit voort dat met de in artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw gestelde eis dat de zelfstandige een inkomen uit bedrijf of zelfstandig beroep geniet dat duurzaam ontoereikend is om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien, wordt bedoeld dat deze duurzaam een inkomen uit bedrijfs- of beroepsuitoefening geniet dat ligt beneden het niveau van de voor appellant van toepassing zijnde bijstandsnorm als bedoeld in artikel 30 van de Abw. Ten tijde in geding beliep die bijstandsnorm ƒ2069,18 per maand, derhalve ƒ24.830,16 op jaarbasis.
Uit de zich onder de gedingstukken bevindende financiële gegevens leidt ook de Raad af dat appellant ten tijde in geding uit zijn bedrijf reeds gedurende een reeks van jaren een inkomen genereerde dat de voor hem toepasselijke bijstandsnorm in ruime mate overtrof. Reeds gelet hierop moet worden geoordeeld dat appellant niet in de situatie verkeerde dat hij duurzaam over een ontoereikend inkomen uit bedrijf beschikte om in de noodzakelijke kosten van het bestaan te voorzien. Nu aldus niet is voldaan aan één van de cumulatieve eisen van artikel 8, derde lid, aanhef en onder a, van de Abw is appellant terecht niet in aanmerking gebracht voor bijstand ter voorziening in bedrijfskapitaal.

Hetgeen door appellant in hoger beroep is gesteld ten aanzien van het door gedaagde, naar de mening van appellant ten onrechte, afwijken van het IMK-advies heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. Naar het oordeel van de Raad is gedaagde immers op goede gronden afgeweken van het niet in alle opzichten heldere IMK-advies, te meer nu het IMK ter bepaling van het niveau van de noodzakelijke bestaanskosten aansluiting lijkt te zoeken bij een subjectief criterium ("zijn" kosten van het bestaan), terwijl ter zake - zoals hierboven is uiteengezet - dient te worden uitgegaan van een objectief gegeven, te weten de voor betrokkene geldende bijstandsnorm.

Aan het vorenstaande kan evenmin afdoen hetgeen appellant naar voren heeft gebracht met betrekking tot zijn aangifte inkomstenbelasting over het jaar 1998, reeds omdat het in dat kader nog vast te stellen belastbare inkomen niet op één lijn kan worden gesteld met het hier in aanmerking te nemen inkomen uit bedrijf.

De Raad komt dan ook tot de slotsom dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, dient te worden bevestigd.

De Raad acht, ten slotte, geen termen aanwezig om gedaagde met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de proceskosten van appellant.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten.

Aldus gewezen door mr. Th.G. van Sloten als voorzitter en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2002.

(get.) Th.G. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.