Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE6365
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AE6365
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 00/1146 NABW
Datum uitspraak: 18 juni 2002
Wetsartikelen: artt. 16, 17 en 39 Abw (= 14, 15 en 35 Wwb) / 7:12 en 8:72 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; kosten kleding en woninginrichting; brandschade; geen inboedelverzekering; geldlening; voorliggende voorziening; motivering
Essentie: Terechte afwijzing bijzondere bijstand voor kosten van kleding en woninginrichting (ontstaan tengevolge van brand in de woning), niet omdat tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan is betoond door geen inboedelverzekering af te sluiten en evenmin omdat een reeds afgesloten geldlening als voorliggende voorziening zou gelden, maar omdat de Abw bepaalt dat in ieder geval niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend kosten met betrekking tot geleden of toegebrachte schade.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Centrale Raad van Beroep 00/1146 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Helmond, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. E.J.C. Asselbergs, advocaat te Eindhoven, op de in het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 7 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 7 mei 2002, waar appellant niet is verschenen, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door J.B.F. van de Kerkhof, werkzaam bij de gemeente Helmond.




II. Motivering


Appellant heeft op 31 december 1997 bijzondere bijstand aangevraagd voor de kosten van woninginrichting en kleding, nadat op 24 december 1997 tengevolge van een brand in zijn woning schade was ontstaan. De inboedel van appellant was toen niet verzekerd. Na de melding van een eerdere brand was zijn inboedelverzekering geannuleerd. Appellant heeft voorts in het kader van zijn aanvraag telefonisch meegedeeld dat hij een bedrag van ƒ5000,- had kunnen lenen.

Bij besluit van 19 maart 1998 heeft gedaagde de aanvraag van appellant afgewezen. Het daartegen ingediende bezwaar heeft gedaagde bij besluit van 18 augustus 1998 ongegrond verklaard. Blijkens de stukken en de ter zitting gegeven toelichting berust dit besluit hierop dat appellant blijk heeft gegeven van tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan wegens verzwijging van strafrechtelijke veroordelingen bij het aanvragen van een inboedelverzekering bij Nationale Nederlanden NV en het na annulering van die verzekering niet opnieuw verzekeren van zijn inboedel bij een andere verzekeringsmaatschappij, waar dat volgens gedaagde voor appellant nog wel mogelijk was. Voorts heeft gedaagde overwogen dat genoemde geldlening ad ƒ5000,- een voorliggende voorziening is in de zin van artikel 17, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw).

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 18 maart 1998 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Naar haar oordeel heeft appellant blijk gegeven van een tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan. Voorts heeft gedaagde naar het oordeel van de rechtbank terecht geconcludeerd dat de geldlening van ƒ5000,- als een voorliggende voorziening moet worden beschouwd en dat appellant door middel van deze lening over voldoende middelen beschikte om in het gevraagde te kunnen voorzien.

Namens appellant is in hoger beroep onder meer aangevoerd dat hij naar aanleiding van de eerste brand een bedrag van ƒ5000,- heeft kunnen lenen, maar naar aanleiding van de tweede brand in december 1997 geen eigen voorziening heeft kunnen treffen.

De Raad stelt eerst vast dat de onderhavige aanvraag ziet op de door appellant geleden schade aan inboedel en kleding tengevolge van de op 24 december 1997 gemelde brand en dus niet op de eerst in hoger beroep genoemde kosten van ontruiming van de door appellant gehuurde woning. Laatstgenoemde kosten dienen derhalve in dit geding buiten beschouwing te blijven.

De Raad merkt vervolgens op dat een maatregel in verband met het door gedaagde gestelde tekortschietend besef van verantwoordelijkheid voor de voorziening in het bestaan op grond van artikel 14 van de Abw alleen aan de orde kan komen indien het recht op de gevraagde bijstand kan worden vastgesteld. Gedaagde heeft in zijn besluit van 18 augustus 1998 geen andere bepaling genoemd dan artikel 17, eerste lid, van de Abw en daarbij verwezen naar de geldlening van ƒ5000,-.
Anders dan de rechtbank heeft de Raad in de gedingstukken geen toereikende grondslag aangetroffen om die motivering als juist te kunnen aanvaarden. Daarbij acht de Raad van belang dat gedaagde uitsluitend is afgegaan op hetgeen van de zijde van appellant mondeling en schriftelijk is meegedeeld, dat die mededelingen tegenstrijdig zijn en dat schriftelijke bewijzen ontbreken waaruit kan blijken dat wanneer en met het oog op welke brandschade die lening aan appellant zou zijn verstrekt.

Een andere bepaling laat aanstonds zien dat de onderhavige kosten, die betrekking hebben op geleden brandschade, niet voor bijstandverlening in aanmerking kunnen komen. Dit volgt namelijk al uit artikel 16, aanhef en onder c, van de Abw, waarin is bepaald dat in ieder geval niet tot de noodzakelijke kosten van het bestaan worden gerekend kosten met betrekking tot geleden of toegebrachte schade.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het besluit van 18 maart 1998 wegens strijd met artikel 7:12, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) niet in stand kan blijven en tevens dat de rechtsgevolgen van dit te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van die wet in stand moeten blijven.
Ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit is gehandhaafd, komt voor vernietiging in aanmerking.

De Raad acht ten slotte termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant voor verleende rechtsbijstand, in beroep begroot op €644 ,- en in hoger beroep op €322,-, totaal €966,-.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant tot een bedrag van €966,-, te betalen door de gemeente Helmond aan de griffier van de Raad;
bepaalt dat de gemeente Helmond aan appellant het in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van totaal €102,10 (ƒ225,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. G.A.J. van den Hurk, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 18 juni 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.