Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE6820
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AE6820
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 99/5913 NABW
Datum uitspraak: 16 juli 2002
Wetsartikelen: artt. 42, 69 en 81 Abw (= 31, 54 en 58 Wwb) / 8:72 Awb
Trefwoorden: inkomsten; bijstand van Nederland uitgezette inwonende ouder; schending inlichtingenverplichting; terugvordering
Essentie: Terechte terugvordering van betrokkene en zijn echtgenote van aan zijn inwonende moeder doorbetaalde bijstand terwijl zij, zonder dat betrokkene dat heeft gemeld, door de vreemdelingendienst Nederland was uitgezet, omdat betrokkene door geldopnames van zijn moeders bankrekening daadwerkelijk over die middelen heeft beschikt.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/5913 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Groningen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. R. van Asperen, advocaat te Groningen, op bij een aanvullend beroepschrift aangevoerde gronden hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Groningen van 25 november 1999, reg.nr. 99/7 NABW, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 4 juni 2002. Appellant is in persoon verschenen, bijgestaan door mr. R.J. Skála, advocaat te Haren. Gedaagde heeft zich, met voorafgaande kennisgeving, niet laten vertegenwoordigen.




II. Motivering


Voor een overzicht van de in dit geding van belang zijnde feiten en voor het toepasselijke wettelijke kader verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellant en zijn echtgenote ontvingen vanaf 20 januari 1988 een uitkering krachtens de Rijksgroepsregeling werkloze werknemers (Rww) naar de norm voor een echtpaar. Met ingang van 20 oktober 1992 woonde de moeder van appellant bij hem en zijn echtgenote in. In verband daarmee werd op de Rww-uitkering van appellant en zijn echtgenote een zogeheten woningdelerskorting toegepast. De moeder van appellant ontving zelf ook een Rww-uitkering, waarop eveneens de woningdelerskorting werd toegepast. Per 17 juli 1993 werd de Rww-uitkering van appellant en zijn echtgenote beëindigd wegens de aanvang van werkzaamheden als zelfstandige. Nadat het bedrijf was gestaakt, ontvingen appellant en zijn echtgenote per 1 oktober 1993 opnieuw een Rww-uitkering. Op 1 maart 1996 is appellant te [vestigingsplaats] een cafetaria begonnen. Gedurende de periode van 1 maart 1996 tot en met 31 augustus 1996 ontvingen appellant en zijn echtgenote een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (Abw) in samenhang met het Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz). Vervolgens is aan appellant en zijn echtgenote een Bbz-uitkering toegekend waarop de inkomsten uit arbeid in mindering werden gebracht. Per 1 juni 1997 is deze uitkering beëindigd.

Op 25 mei 1993 is de moeder van appellant door de vreemdelingendienst Nederland uitgezet. Haar Rww-uitkering is nadien echter doorbetaald. Vaststaat dat appellant en zijn echtgenote de enige gemachtigden waren met betrekking tot de bankrekening van de moeder van appellant, dat appellant in de periode van 25 mei 1993 tot en met 12 augustus 1996 ook daadwerkelijk gebruik heeft gemaakt van de bankrekening van zijn moeder en dat appellant en zijn echtgenote van één en ander geen mededeling hebben gedaan aan gedaagde.

Bij besluit van 27 augustus 1998, in bezwaar gehandhaafd bij besluit van 16 december 1998, heeft gedaagde de uitkeringen van appellant en zijn echtgenote over de periode van 25 mei 1993 tot en met 12 augustus 1996 wegens schending van de wettelijke inlichtingenplicht herzien en voorts een bedrag van ƒ58.712,72 (bruto) van hen teruggevorderd.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep tegen het besluit van 16 december 1998 ongegrond verklaard. Appellant kan zich daarmee niet verenigen.

In het aanvullend beroepschrift is aangevoerd dat gedaagde onrechtmatig heeft gehandeld door niet de uitkering van de moeder van appellant in te trekken en de ten onrechte betaalde uitkering van haar terug te vorderen, maar in plaats daarvan de uitkeringen van appellant en diens echtgenote te herzien en een bedrag van hen terug te vorderen.

Ter zitting is nog aangevoerd dat appellant de vanaf 25 mei 1993 ten name van zijn moeder gestorte uitkering telkens contant aan haar heeft doorbetaald uit de gelden van zijn bedrijf en vervolgens met gebruikmaking van de bankpas van zijn moeder inkopen ten behoeve van het bedrijf heeft gedaan ter hoogte van de door hem aan zijn moeder doorbetaalde bedragen. Als gevolg daarvan heeft appellant feitelijk niet ten eigen bate gebruik gemaakt van die bedragen en heeft hij dus niet de beschikking gehad over die middelen, zodat ter zake ook geen mededeling aan gedaagde behoefde te worden gedaan.

De Raad overweegt als volgt.

De rechtbank heeft met juistheid overwogen dat het besluit van 16 december 1998 op een onjuiste wettelijke grondslag berust, nu gedaagde daaraan ten grondslag heeft gelegd de artikelen 69, derde lid, en 81, eerste lid, van de Abw zoals deze luiden vanaf 1 juli 1997. De rechtbank heeft er echter ten onrechte van afgezien het beroep om die reden gegrond te verklaren en het bestreden besluit te vernietigen. De Raad zal, met vernietiging van de aangevallen uitspraak, zulks alsnog doen.

Vervolgens is aan de orde of er aanleiding is de rechtsgevolgen van het te vernietigen besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht in stand te laten. Die vraag beantwoordt de Raad bevestigend.

De Raad kan zich verenigen met het inhoudelijke oordeel van de rechtbank en voegt daaraan nog het volgende toe.

Voor de toepassing van artikel 9 van het Bijstandsbesluit landelijke normering en artikel 42 van de Abw is niet relevant waaraan of met welk doel de betrokken middelen zijn besteed. Bepalend is - slechts - of de belanghebbende daadwerkelijk over die middelen beschikt of redelijkerwijs kan beschikken. Aan dat vereiste is in het onderhavige geval ten aanzien van de uitbetaalde bedragen van de vanaf 25 mei 1993 aan de moeder van appellant verstrekte uitkering voldaan. Ten onrechte is daarvan echter geen melding gemaakt aan gedaagde.

Geen rechtsregel valt aan te wijzen op grond waarvan gedaagde gehouden zou zijn in een geval als het onderhavige af te zien van herziening en terugvordering jegens degene die daadwerkelijk over de betrokken middelen heeft beschikt. Gedaagde heeft dan ook, zulks ten materiële in overeenstemming met de wettelijke terugvorderingsbepalingen, op de in de wet voorziene wijze teruggevorderd hetgeen tot een te hoog bedrag aan uitkeringen aan appellant en zijn echtgenote is verleend.

De in het aanvullend beroepschrift verder nog betrokken stelling dat ten onrechte de terugvordering niet is beperkt tot het bedrag van de ten onrechte aan de moeder van appellant verstrekte uitkering, mist feitelijke grondslag. Gedaagde heeft immers in het verweerschrift onweersproken gesteld - en uit de gedingstukken blijkt niet van het tegendeel - dat slechts is teruggevorderd het verschil tussen het bedrag van de aan appellant en zijn echtgenote over de periode hier in geding verstrekte uitkeringen en het bedrag van de ten onrechte ten name van de moeder van appellant over dat tijdvak betaalde uitkering.

Gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, is er aanleiding gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep. De Raad begroot die kosten op €644,- voor verleende rechtsbijstand. Van overige kosten waarop een veroordeling in de proceskosten betrekking kan hebben, is de Raad niet gebleken.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep:

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep tegen het besluit van 16 december 1998 gegrond en vernietigt dat besluit;
bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven;
veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellant in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal €644,-, te betalen door de gemeente Groningen;
bepaalt dat de gemeente Groningen aan appellant het door hem in beroep en in hoger beroep betaalde griffierecht van €102,10 (ƒ225,-) vergoedt.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 juli 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.