Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE7520
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AE7520
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 99/5842 NABW
Datum uitspraak: 9 juli 2002
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb)
Trefwoorden: maatregel; sanctie; schending arbeidsverplichtingen; werkweigering; verlies passende arbeid; ingangsdatum maatregel
Essentie: Terechte maatregel van 100% gedurende één maand wegens werkweigering, omdat betrokkene passende arbeid heeft geweigerd door ten onrechte niet in te stemmen met een (redelijke) studiekostenregeling van de werkgever. Een tweede maatregel, opgelegd wegens het niet behouden van passende arbeid, kan eerst ingaan op het tijdstip waarop de verwijtbare gedraging heeft plaatsgevonden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/5842 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Eindhoven, appellant,

en

[gedaagde], wonende te [woonplaats], gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Hertogenbosch op 14 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Namens gedaagde is een verweerschrift ingediend.

Het geding is behandeld ter zitting van 28 mei 2002. Appellant heeft zich daar, zoals tevoren aangekondigd, wegens overmacht niet kunnen doen vertegenwoordigen, terwijl gedaagde is verschenen in persoon, bijgestaan door mr. F. Verschuren, werkzaam bij SRK Rechtsbijstand te Zoetermeer. Van de zijde van appellant is kort vóór de zitting nog een faxbericht bij de Raad ingekomen, inhoudende de pleitnotitie die de gemachtigde van appellant voornemens was ter zitting voor te dragen. Gedaagde en diens gemachtigde alsmede de Raad hebben daarvan vóór de behandeling ter zitting kennisgenomen.




II. Motivering


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Gedaagde heeft tot eind januari 1998 werktuigbouwkunde gestudeerd aan de Technische Universiteit Eindhoven. Na zijn afstuderen heeft hij op 27 februari 1998 bij appellant een aanvraag om bijstand met ingang van 1 februari 1998 ingediend. Bij besluit van 23 maart 1998 is gedaagde een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande toegekend voor de periode van 1 februari 1998 tot 30 maart 1998, de dag met ingang waarvan gedaagde een volledige dienstbetrekking heeft aanvaard.
Appellant heeft deze uitkering voorts bij wijze van maatregel over genoemde periode verlaagd met 100% op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat gedaagde enerzijds passend werk heeft geweigerd (via uitzendbureau [naam uitzendbureau] BV, hierna: [naam uitzendbureau], bij Ingenieurs- en adviesbureau [naam ingenieurs- en adviesbureau]; hierna: [naam ingenieurs- en adviesbureau]) en anderzijds verwijtbaar passende arbeid niet heeft behouden (via uitzendbureau [naam uitzenbureau 2] bij inlener [naam inlener]). Het daartegen gemaakte bezwaar heeft appellant bij besluit van 2 juni 1998 (het bestreden besluit) ongegrond verklaard.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het tegen het bestreden besluit ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat appellant een nieuw besluit neemt met inachtneming van die uitspraak. De rechtbank heeft het standpunt van appellant dat gedaagde ingaande 2 februari 1998 heeft nagelaten de bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] voorhanden zijnde arbeid te aanvaarden, verworpen en derhalve geoordeeld dat ter zake geen maatregel kon worden opgelegd. Met betrekking tot de tweede verweten gedraging heeft zij geoordeeld dat een maatregel op zijn plaats is, maar dat deze niet eerder dan met ingang van de datum van de gedraging (16 maart 1998) kan worden opgelegd.

Appellant heeft de aangevallen uitspraak in hoger beroep gemotiveerd bestreden.

De Raad stelt voorop dat, nu van de zijde van gedaagde geen hoger beroep is ingesteld, de tweede aan hem verweten gedraging (het niet behouden van passende arbeid bij [naam inlener]) vaststaat. Het geschil in hoger beroep beperkt zich derhalve tot de vraag of gedaagde kan worden verweten dat hij het aangeboden werk bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] niet heeft aanvaard en vervolgens of de door appellant opgelegde maatregel in rechte stand kan houden.

De Raad overweegt het volgende.

Uit de gedingstukken blijkt dat gedaagde, nadat hij reeds eerder in januari 1998 met [naam uitzendbureau] in contact was getreden, op 30 januari 1998 met een medewerker daarvan een overeenkomst heeft getekend, inhoudende dat en onder welke voorwaarden hij op 2 februari 1998 met zijn werkzaamheden bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] zou starten. Gedaagde heeft toen tevens een document met betrekking tot de bij ECE geldende Regeling studiekostenvergoeding voor akkoord getekend. Deze regeling houdt kort gezegd in dat de werkgever 100% van eventuele studiekosten aan de werknemer zal vergoeden in de vorm van een renteloze lening, met dien verstande dat gedurende het jaar volgende op de beëindiging van de studie maandelijks 1/12 deel van de verstrekte vergoeding wordt kwijtgescholden. Treedt de werknemer binnen één jaar na beëindiging van de studie uit dienst of neemt hij binnen die termijn ontslag, dan dient hij de verstrekte vergoeding naar rato van het nog niet verstreken aantal maanden van het jaar volgend op de beëindiging van de studie aan de werkgever terug te betalen. Gedaagde heeft [naam uitzendbureau] vervolgens op 2 februari 1998 laten weten bij nader inzien niet bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] te gaan werken. [Naam uitzendbureau] heeft appellant gemeld dat gedaagde wegens de hoogte van het geboden salaris niet met zijn werkzaamheden bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] is gestart. In bezwaar en beroep heeft gedaagde benadrukt dat niet de hoogte van het salaris, maar de studiekostenregeling voor hem een onoverkomelijk struikelblok vormde.

De Raad stelt allereerst vast dat een studiekostenregeling waarbij een verstrekte vergoeding naar rato dient te worden terugbetaald als het contract met de werknemer op diens initiatief of door zijn toedoen binnen zekere termijn wordt beëindigd niet ongebruikelijk is te achten.

De Raad heeft op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting niet de overtuiging gekregen dat de toepassing van onderhavige regeling met het oog op de door gedaagde te volgen cursus, in de omstandigheden waarin gedaagde destijds verkeerde, als onredelijk moet worden beschouwd. Indien gedaagde na ondertekening van het contract bij nader inzien meende dat hij door werkaanvaarding bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] ernstige financiële risico's zou lopen, had het op zijn weg gelegen door middel van het inwinnen van gerichte informatie bij [naam uitzendbureau] vooraf (meer) duidelijkheid te verkrijgen omtrent de precieze inhoud en strekking van de studiekostenregeling. Daarvan is de Raad echter niet gebleken. Weliswaar heeft gedaagde ter zitting naar voren gebracht dat hij zich op 2 februari 1998 om 08.30 uur nog bij [naam uitzendbureau] heeft gemeld, maar tijdens dat onderhoud heeft gedaagde - uitgaande van zijn eigen interpretatie van de studiekostenregeling - enkel aangedrongen op een wijziging van het contract. Toen dat niet mogelijk bleek, heeft gedaagde vervolgens van werkaanvaarding bij [naam ingenieurs- en adviesbureau] afgezien.

Op grond van het vorenstaande is de Raad van oordeel dat gedaagde door zijn handelwijze geweigerd heeft passende arbeid te aanvaarden.

In zoverre treft het hoger beroep dan ook doel.

Vervolgens is aan de orde of de door appellant voor beide aan gedaagde verweten gedragingen gezamenlijk opgelegde maatregel in rechte stand kan houden.

Appellant heeft zich op het standpunt gesteld dat, gelet op de twee aan gedaagde verweten gedragingen, een maatregel van 100% verlaging gedurende de gehele uitkeringsperiode, derhalve van 1 februari 1998 tot 30 maart 1998, gerechtvaardigd was.

De Raad stelt allereerst vast dat de in verband met de eerste aan gedaagde verweten gedraging op te leggen maatregel niet eerder kan ingaan dan op de datum waarop het laakbare handelen heeft plaatsgevonden, te weten 2 februari 1998 (vgl. de uitspraak van de Raad van 12 maart 2002, gepubliceerd in RSV 2002/123 en USZ 2002/15 [LJN AE3147, red.]).

De Raad overweegt vervolgens dat, gelet op artikel 14, eerste lid, van de Algemene bijstandswet (Abw) in samenhang met de artikelen 3, aanhef en onder 4, subonderdeel a, en 5, eerste lid, aanhef en onderdeel d, van het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz, de eerste aan gedaagde verweten gedraging een verlaging van de bijstandsuitkering met 100% gedurende één maand (derhalve over de periode van 2 februari 1998 tot en met 1 maart 1998) rechtvaardigt. Van dringende redenen als bedoeld in het derde lid van artikel 14 van de Abw is de Raad niet gebleken.

Dat geldt, op zichzelf, ook ten aanzien van de tweede aan gedaagde verweten gedraging. Aangezien dat laakbare handelen eerst op 16 maart 1998 heeft plaatsgevonden, kan de voor deze aan gedaagde verweten gedraging op te leggen maatregel echter niet eerder ingaan dan op 16 maart 1998.

Voor het opleggen van enige maatregel over de periode van 2 maart 1998 tot en met
15 maart 1998 ziet de Raad, anders dan appellant, geen grond. Van feiten en omstandigheden die redengevend zijn voor een verlenging van de ten aanzien van de eerste verweten gedraging op te leggen maatregel is de Raad niet gebleken. Voor zover appellant heeft beoogd de ernst van de tweede verweten gedraging mede aan de verlenging van de maatregel voor de eerste gedraging ten grondslag te leggen, stuit dit af op hetgeen hiervoor reeds is overwogen.

Hetgeen blijkens de in hoger beroep ingezonden pleitnotitie overigens naar voren is gebracht ter rechtvaardiging van de duur van de opgelegde maatregel kan reeds daarom niet in aanmerking worden genomen, omdat die bijkomende feiten en omstandigheden niet mede aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd.

In zoverre treft het hoger beroep derhalve geen doel.

Op grond van het voorgaande ziet de Raad aanleiding de aangevallen uitspraak geheel te vernietigen en het beroep gegrond te verklaren, het bestreden besluit te vernietigen en - zelf in de zaak voorziend - de verlaging van de bijstandsuitkering van gedaagde vast te stellen op 100% gedurende de periode van 2 februari 1998 tot en met 1 maart 1998.

De Raad ziet ten slotte aanleiding appellant ook te veroordelen in de proceskosten van gedaagde in hoger beroep, begroot op €644,- voor verleende rechtsbijstand.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het bestreden besluit;
bepaalt dat de verlaging van de bijstandsuitkering van gedaagde wordt vastgesteld op 100% gedurende de periode van 2 februari 1998 tot en met 1 maart 1998;
veroordeelt appellant in de proceskosten van gedaagde in beroep en in hoger beroep tot een bedrag van in totaal €1288,-, te betalen door de gemeente Eindhoven;
bepaalt dat de gemeente Eindhoven aan gedaagde het in beroep betaalde griffierecht van €24,96 (ƒ55,-) vergoedt.


Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 9 juli 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.