Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AE8232
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AE8232
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 99/5827 NABW en 02/1565 NABW
Datum uitspraak: 10 september 2002
Wetsartikelen: artt. 21, 32 en 39 Abw (= 51, 24 en 35 Wwb) / 6:18, 6:19 en 7:11 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; geldlening; hoogte aflossingsbedrag; verbod van reformatio in peius; beslagvrije voet
Essentie: Onterechte verhoging in bezwaar van het aflossingsbedrag van bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening, omdat daarmee het verbod van reformatio in peius is geschonden. Voor de vaststelling van de beslagvrije voet is echter niet de toepasselijke bijstandsnorm (i.c. de alleenstaandeoudernorm), maar de leefvorm (i.c. samenwonende echtgenoten) bepalend.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/5827 NABW en 02/1565 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Drimmelen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. M.C. Schmidt, verbonden aan het Buro voor Rechtshulp te Delft, op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 15 oktober 1999 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij faxbericht van 2 maart 2002 heeft gedaagde desverzocht het ter uitvoering van de uitspraak van de rechtbank op 15 november 1999 genomen nadere besluit op bezwaar aan de Raad doen toekomen.

Het geding is behandeld ter zitting van 18 juni 2002. Daar is appellante verschenen bij haar gemachtigde mr. S.B. de Jong, verbonden aan het Bureau Rechtshulp Gouda, terwijl gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door M.J. Suijkerbuijk, werkzaam bij de gemeente Drimmelen.




II. Motivering


Aan de gedingstukken en het verhandelde ter zitting ontleent de Raad de volgende feiten en omstandigheden.

Appellante ontvangt een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw), berekend naar de norm voor een alleenstaande ouder. De aanvraag van haar echtgenoot [naam echtgenoot] om met behoud van uitkering het voorbereidend jaar aan de universiteit te volgen, is afgewezen.

Bij besluit van 22 december 1998 is aan appellante en haar echtgenoot bijzondere bijstand in de vorm van een geldlening toegekend tot een bedrag van ƒ9983,33. Bij besluit van dezelfde datum is het aflossingsbedrag ingaande 1 januari 1999 bepaald op ƒ124,15 per maand.
Na tegen dit besluit gemaakt bezwaar heeft gedaagde bij het ten aanzien van appellante genomen bestreden besluit van 4 februari 1999 voor de berekening van het aflossingsbedrag aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475ƒ, eerste lid, aanhef en onder b, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) en het af te lossen bedrag nader vastgesteld op ƒ189,80 per maand. [Naam echtgenoot] wordt wegens het ontbreken van inkomsten niet tot aflossing in staat geacht.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het beroep van appellante tegen het besluit van 4 februari 1999 gegrond verklaard en het bestreden besluit vernietigd. Daarbij heeft de rechtbank overwogen dat, nu appellante door het aantekenen van bezwaar in een minder gunstige positie is komen te verkeren dan vóór het aanwenden van dit rechtsmiddel, sprake is van strijd met het verbod van reformatio in peius, terwijl zich in onderhavig geding niet een zodanig uitzonderlijke situatie voordoet dat gedaagde bevoegd en verplicht zou zijn het bestreden besluit ten nadele van belanghebbende te wijzigen. Met betrekking tot de grief van appellante omtrent de gehanteerde beslagvrije voet merkt de rechtbank nog op dat gedaagde bij de vaststelling van het aflossingsbedrag is uitgegaan van de juiste beslagvrije voet, te weten 90% van de bijstandsnorm voor een alleenstaande ouder.

Appellante heeft zich in hoger beroep gemotiveerd tegen die uitspraak gekeerd.

Gedaagde heeft bij het besluit van 15 november 1999 het met ingang van 1 januari 1999 maandelijks af te lossen bedrag nader vastgesteld op ƒ124,15.

De Raad merkt het besluit van 15 november 1999 aan als een besluit in de zin van artikel 6:18 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Nu bij dit besluit niet geheel tegemoet is gekomen aan de bezwaren van appellante wordt ingevolge artikel 6:19 in verbinding met artikel 6:24 van de Awb het hoger beroep geacht mede te zijn gericht tegen het besluit van 15 november 1999.

Partijen houdt verdeeld de vraag of het aflossingsbedrag gezien naar 1 januari 1999 op de juiste hoogte is vastgesteld.

De Raad stelt in de eerste plaats vast dat gedaagde bij de bepaling van het door appellante af te lossen bedrag als uitgangspunt heeft genomen dat zij de beschikking dient te houden over de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d Rv.

Ingevolge artikel 475d, eerste lid, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) bedraagt de beslagvrije voet voor schuldenaren die kunnen worden aangemerkt als:
a. echtgenoten of geregistreerde partners als bedoeld in artikel 3 van de Abw die beiden 21 jaar of ouder zijn: 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 30, eerste lid, onderdeel c, respectievelijk artikel 30, tweede lid, onderdeel c en d, van die wet;
b. een alleenstaande en een alleenstaande ouder als bedoeld in artikel 4, onderdeel a en
b, van de Abw die 21 jaar of ouder, doch jonger dan 65 jaar zijn, voor zover hier van belang, ten minste 90 procent van de bijstandsnorm, genoemd in artikel 30, eerste lid, onderdeel a en b van de Abw, en ten hoogste 90 procent van die bijstandsnorm nadat deze eerst is verhoogd met het bedrag, genoemd in artikel 33, tweede lid, van die wet.

Naar het oordeel van de Raad heeft gedaagde ten onrechte toepassing gegeven aan het bepaalde in artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, Rv in plaats van aan het bepaalde in artikel 474d, eerste lid, aanhef en onder a, Rv als vorenaangehaald gegeven. Daartoe overweegt hij het volgende.
Uit de gedingstukken blijkt dat appellanten echtgenoten zijn in de zin van artikel 3 van de Abw. Naar de gemachtigde van gedaagde bij de behandeling van het geding ter zitting heeft toegelicht, is voor de bepaling van de hoogte van het aflossingsbedrag niettemin aansluiting gezocht bij de beslagvrije voet als bedoeld in artikel 475d, eerste lid, aanhef en onder b, van de Rv, omdat appellante met toepassing van artikel 32 van de Abw een uitkering is verleend naar de norm voor een alleenstaande ouder. De Raad kan gedaagde hierin niet volgen, aangezien ingevolge artikel 475d Rv niet de bijstandsnorm, maar de leefvorm bepalend is voor de hoogte van de beslagvrije voet.

De Raad stelt ten slotte vast dat artikel 475d Rv niet een afwijkende regeling bevat voor het geval dat zich de situatie van artikel 32 van de Abw voordoet, zodat het bestreden besluit op dit punt in strijd met de wet is genomen.

In hetgeen hiervoor is overwogen, ligt besloten dat de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, voor vernietiging in aanmerking komt. Ook het besluit van 15 november 1999 dient wegens strijd met de wet te worden vernietigd.

De Raad acht, ten slotte, termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellante. Deze kosten worden begroot op €644,- in hoger beroep, wegens verleende rechtsbijstand.

Beslist wordt als volgt.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

vernietigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten;
verklaart het beroep gegrond en vernietigt het besluit van 4 februari 1999;
bepaalt dat gedaagde een nieuw besluit op bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;
veroordeelt gedaagde tot vergoeding van de proceskosten van appellante in hoger beroep tot een bedrag groot €644,-, te betalen door de gemeente Drimmelen;
bepaalt dat de gemeente Drimmelen aan appellante het betaalde griffierecht van €77,14 (ƒ170,-) vergoedt.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van mr. P.C. de Wit als griffier en uitgesproken in het openbaar op 10 september 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) P.C. de Wit.