Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AF0759
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AF0759
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 99/6032 NABW, 99/6033 NABW en 02/1563 NABW
Datum uitspraak: 25 juni 2002
Wetsartikelen: artt. 14 en 113 Abw (= 18 en 9 Wwb) / 6:18 en 6:19 Awb
Trefwoorden: maatregel; sanctie; schending sollicitatieverplichting; aankomend Wik-gerechtigde
Essentie: Terechte oplegging maatregelen van 20% gedurende twee maanden, omdat betrokkene zich telkens onvoldoende heeft ingespannen om, ook buiten haar vakgebied, arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen. Dat zij in afwachting was van de inwerkingtreding van de Wik om als kunstenares van die voorziening gebruik te maken, doet daaraan niet af.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 99/6032 NABW, 99/6033 NABW en 02/1563 NABW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Voorst, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van de gedingen


Appellante heeft hoger beroep ingesteld tegen de uitspraak van de rechtbank Zutphen van 19 oktober 1999, reg.nrs. 98/494 ABW en 98/1358 ABW, waarnaar hierbij wordt verwezen. Namens appellante heeft mr. H.H. van Steijn, advocaat te Deventer, de gronden van het hoger beroep aangevoerd.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

De gedingen zijn behandeld ter zitting van 14 mei 2002, waar appellante zich heeft laten vertegenwoordigen door mr. Van Steijn en gedaagde door G.J. Singel, werkzaam bij de gemeente Voorst.




II. Motivering


Voor een overzicht van de in deze gedingen van belang zijnde feiten verwijst de Raad naar de aangevallen uitspraak. Hij volstaat hier met het volgende.

Appellante, vormgeefster/ontwerpster, ontving een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw). Bij besluit op bezwaar van 9 april 1998 heeft verweerder aan appellante een maatregel opgelegd, bestaande uit een verlaging van de uitkering met 20% gedurende vier maanden, ingaande 1 november 1997. Bij besluit op bezwaar van 1 december 1998 heeft gedaagde een ingaande 1 augustus 1998 aan appellante opgelegde maatregel, bestaande uit een verlaging van de uitkering met 40% gedurende twee maanden, gehandhaafd. Aan beide besluiten ligt ten grondslag dat appellante, in strijd met de ingevolge artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Abw op haar rustende verplichtingen, zich onvoldoende heeft ingespannen om, ook buiten haar vakgebied, arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen.

Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank - met bepalingen omtrent het griffierecht en de proceskosten - de namens appellante tegen die besluiten ingestelde beroepen gegrond verklaard, de besluiten gedeeltelijk vernietigd en bepaald dat gedaagde in zoverre opnieuw op de bezwaren van appellante dient te beslissen. De rechtbank heeft - kort weergegeven en voor zover thans van belang - overwogen dat aan appellante inderdaad kan worden verweten dat zij zich onvoldoende heeft ingespannen om arbeid in dienstbetrekking te verkrijgen en daarmee inschakeling in de arbeid heeft belemmerd, maar dat er ten aanzien van beide betrokken perioden geen grond is om een zwaardere maatregel op te leggen dan ter zake is voorzien in het Maatregelenbesluit Abw, Ioaw en Ioaz (hierna: Maatregelenbesluit), te weten een verlaging van telkens 20% gedurende twee maanden.

Ter uitvoering van de aangevallen uitspraak heeft gedaagde bij besluit van 17 november 1999 dienovereenkomstig beslist.

Met het hoger beroep beoogt appellante te bewerkstelligen dat, anders dan uit de aangevallen uitspraak voortvloeit, de aan haar opgelegde maatregelen volledig ongedaan worden gemaakt. Appellante is van mening dat haar ter zake geen enkel verwijt treft. Zij heeft daartoe aangevoerd dat gedaagde bekend was met haar, mede door haar gezinsomstandigheden ingegeven, wens om met behoud van de Abw-uitkering als kunstenares werkzaam te blijven en dat zij meermalen aan gedaagde heeft kenbaar gemaakt in de toekomst graag gebruik te willen maken van de mogelijkheden die de - toen nog in voorbereiding zijnde - Wet inkomensvoorziening kunstenaars (Wik) zou gaan bieden. In verband daarmee had gedaagde, aldus appellante, dienen te handelen overeenkomstig de circulaire "Toepassing Abw ten aanzien van kunstenaars" van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid van 17 februari 1997, die heeft gegolden tot de inwerkingtreding van de Wik. In die circulaire heeft de minister aan de gemeenten kenbaar gemaakt dat in afwachting van de inwerkingtreding van de Wik een terughoudend rijkstoezicht zal worden uitgeoefend met betrekking tot kunstenaars in de bijstand.

De Raad overweegt als volgt.

Ingevolge artikel 14, eerste lid, van de Abw weigeren burgemeester en wethouders de bijstand tijdelijk geheel of gedeeltelijk indien de belanghebbende onvoldoende heeft meegewerkt aan het verkrijgen van arbeid in dienstbetrekking. Op grond van artikel 14, tweede lid, van de Abw wordt een dergelijke maatregel afgestemd op de ernst van de gedraging, de mate waarin de belanghebbende de gedraging verweten kan worden en de omstandigheden waarin hij verkeert, en wordt van het opleggen van een maatregel in elk geval afgezien indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Overeenkomstig artikel 14, vijfde lid, van de Abw zijn in het Maatregelenbesluit nadere regels gesteld met betrekking tot de hoogte van de maatregelen.

Uit de gedingstukken blijkt, en tussen partijen is zulks ook niet wezenlijk in geschil, dat appellante in de betrokken perioden haar sollicitatieactiviteiten vrijwel volledig heeft beperkt tot haar eigen vakgebied. Daarmee is gegeven dat appellante heeft gehandeld in strijd met artikel 113, eerste lid, aanhef en onder a en d, van de Abw. In hetgeen appellante heeft aangevoerd, is geen grond gelegen voor het oordeel dat elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt. Gelet op artikel 14, eerste lid, van de Abw was gedaagde dan ook gehouden telkens een maatregel op te leggen. Dat de minister in de hiervoor bedoelde circulaire heeft laten weten dat niet zal worden opgetreden tegen gemeenten die, in afwachting van de inwerkingtreding van de Wik, kunstenaars met een Abw-uitkering niet (meer) onverkort houden aan de verplichtingen van artikel 113 van de Abw, kan aan die gehoudenheid van gedaagde niet afdoen.

Nu voorts de door de rechtbank rechtens aanvaardbaar geoordeelde hoogte van de maatregelen in hoger beroep als zodanig niet is betwist, slaagt het hoger beroep niet en dient de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten, te worden bevestigd.

Uit het voorgaande vloeit voort dat het beroep tegen het besluit van 17 november 1999, welk besluit ingevolge de artikelen 6:18 en 6:19 in samenhang met artikel 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht bij de behandeling van het hoger beroep wordt betrokken, ongegrond dient te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten in hoger beroep ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevochten;
verklaart het beroep voor zover dat geacht moet worden te zijn gericht tegen het besluit van 17 november 1999 ongegrond.

Aldus gegeven door mr. G.A.J. van den Hurk als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als leden, in tegenwoordigheid van A. Heijink als griffier en uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2002.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) A. Heijink.