Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AF0896
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AF0896
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 00/1107 NABW
Datum uitspraak: 29 oktober 2002
Wetsartikelen: artt. 30 en 57 ABW (= 65 en 81 Abw) (= 17 en 58 Wwb) / 69 Abw (= 54 Wwb) / 8:31 en 8:42 Awb
Trefwoorden: inlichtingenverplichting; bedrijfsbeëindiging; tip; sociale recherche; beëindiging bijstand; terugvordering; zesmaandenjurisprudentie; indiening verweerschrift
Essentie: Terechte beëindiging en terugvordering bijstand wegens niet dan wel niet volledig nakomen van de inlichtingenverplichting (ter zake van het beëindigde bedrijf), omdat als gevolg daarvan het recht op bijstand niet meer kan worden vastgesteld.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 00/1107 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Den Haag, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellant heeft mr. J.P.C.M. van Es, advocaat te Den Haag, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank 's-Gravenhage op 18 januari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Het geding is behandeld ter zitting van 24 september 2002, waar appellant in persoon is verschenen, bijgestaan door mr. Van Es, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door mr. P. Siemerink, werkzaam bij de gemeente Den Haag.




II. Motivering


Nadat appellant per 1 oktober 1995 was gestopt met zijn eigen bedrijf, is aan hem met ingang van 12 oktober 1995 een uitkering krachtens de Algemene Bijstandswet (ABW) toegekend, welke later is voortgezet op grond van de Algemene bijstandswet (Abw).

Naar aanleiding van een melding heeft de afdeling Bijzonder Onderzoek van de Dienst Sociale Zaken en Werkgelegenheidsprojecten van de gemeente Den Haag een onderzoek ingesteld naar de rechtmatigheid van de aan appellant verleende uitkering. Op grond van de uitkomsten van dat onderzoek is bij besluit van 26 september 1997 de aan appellant over de periode van 12 oktober 1995 tot en met 31 december 1996 toegekende uitkering met toepassing van artikel 69, derde lid, van de Abw ingetrokken. Tevens is bij dat besluit met toepassing van artikel 81 van de Abw hetgeen te veel aan uitkering is betaald, te weten een bedrag van ƒ30.175,29, van appellant teruggevorderd.

Bij besluit op bezwaar van 16 juni 1998 heeft gedaagde zijn in het besluit van 26 september 1997 ingenomen standpunt gehandhaafd.

De rechtbank heeft het tegen het besluit van 16 juni 1998 ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand blijven. Voorts zijn beslissingen gegeven ter zake van proceskosten en griffierecht. De rechtbank heeft - samengevat - overwogen dat gedaagde het intrekkingsbesluit ten onrechte heeft gebaseerd op artikel 69, derde lid, van de Abw, zoals dat artikel luidt vanaf 1 juli 1997, terwijl ook het terugvorderingsbesluit op een onjuiste wettelijke grondslag steunt. De rechtbank heeft vervolgens aanleiding gezien de rechtsgevolgen van zowel het intrekkingsbesluit als het terugvorderingsbesluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand te laten. De rechtbank heeft in dat verband, onder verwijzing naar de uit de gedingstukken blijkende onderzoeksresultaten, overwogen dat appellant de in artikel 30, tweede lid, van de ABW respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw neergelegde inlichtingenplicht heeft geschonden en geoordeeld dat als gevolg van de schending van deze rechtsplicht het recht op uitkering niet is vast te stellen. Met betrekking tot de terugvordering heeft de rechtbank overwogen dat gedaagde op grond van artikel 57 van de ABW en artikel 81, eerste lid, van de Abw, zoals dat luidde tot 1 juli 1997, gehouden was tot terugvordering over te gaan.

Appellant kan zich niet verenigen met de aangevallen uitspraak voor zover daarbij de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand zijn gelaten.

De Raad overweegt het volgende.

Ter zitting van de Raad heeft appellant allereerst doen aanvoeren dat gedaagde naar aanleiding van het ingestelde hoger beroep geen verweerschrift heeft ingediend, zodat gedaagde heeft gehandeld in strijd met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb.

Appellant heeft betoogd dat reeds om die reden het beroep gegrond dient te worden verklaard en ook het besluit van 26 september 1997 niet in stand zal kunnen blijven.

De Raad stelt vast dat gedaagde - hoewel daartoe door de Raad bij brief van 23 mei 1999 uitgenodigd - geen verweerschrift heeft ingediend, zodat gedaagde inderdaad in strijd is gekomen met artikel 8:42, eerste lid, van de Awb. Anders dan appellant kennelijk veronderstelt, verbindt (artikel 8:31 van) de Awb aan het niet of niet tijdig indienen van een verweerschrift echter geen gevolgen. Dat neemt overigens niet weg dat, indien geen verweerschrift wordt ingediend, het bestuursorgaan - afhankelijk van de overige gedingstukken - het risico loopt dat stellingen van de wederpartij als niet betwist worden beschouwd. In het onderhavige geval bestaat daarvoor geen grond.

De Raad overweegt voorts het volgende.

Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 30, tweede lid, van de ABW, respectievelijk artikel 65, eerste lid, van de Abw niet dan wel niet volledig is nagekomen en dat als gevolg daarvan niet meer kan worden vastgesteld of appellant in de hier van belang zijnde periode in omstandigheden verkeerde als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de ABW respectievelijk artikel 7, eerste lid, van de Abw. Blijkens de gegevens die appellant bij zijn aanvraag om bijstand aan gedaagde heeft verstrekt, waren alle activiteiten van zijn bedrijf per 1 oktober 1995 gestopt in verband met het feit dat de bank de kredieten had opgezegd. Het bedrijf was verkocht en het personeel ontslagen. Appellant heeft meegedeeld dat hij zich nog slechts bezighield met de afwikkeling van het bedrijf. Uit het vanwege gedaagde ingestelde onderzoek blijkt echter dat appellant ook nadat hem uitkering was verleend, nog regelmatig op het bedrijfsterrein aanwezig was. Ter zitting van de Raad heeft hij in dit verband zelfs verklaard dat hij er dagelijks was. Ook heeft appellant naar aanleiding van de uitkomsten van het onderzoek verklaard dat hij de nieuwe eigenaar heeft bijgestaan en geadviseerd bij het voortzetten en uitbouwen van de bedrijfsactiviteiten om zo de mogelijkheid te creëren als werknemer in het bedrijf terug te keren, hetgeen appellant per 1 januari 1997 ook is gelukt. Het feit dat appellant met ingang van 1 juli 1996 in het Handelsregister van de Kamer van Koophandel is ingeschreven als procuratiehouder van het bedrijf heeft appellant evenmin tijdig aan gedaagde gemeld.

Appellant heeft erop gewezen dat hij bij zijn aanvraag om bijstand een op 12 oktober 1995 gedateerde overeenkomst van geldlening heeft overhandigd, waaruit blijkt dat hij van zijn vader een lening ontvangt "tot het opnieuw opstarten van een eigen onderneming" welke lening bestaat "uit een maandelijkse bijdrage welke afhankelijk is van de uitgave voor levensonderhoud. Dit ter ondersteuning van de uitkering verkregen bij de dienst Sociale Zaken." Appellant is van opvatting dat hij met het overleggen aan gedaagde van dit stuk aan zijn inlichtingenplicht heeft voldaan. Nog daargelaten dat appellant ten tijde hier in geding niet zelf weer een bedrijf is begonnen, is de Raad echter van oordeel dat de door appellant bij de zogeheten intake overigens verstrekte gegevens zodanig waren dat niet kan worden geoordeeld dat gedaagde op grond van de overeenkomst van geldlening had kunnen en moeten concluderen dat appellant vanaf de aanvang van de hem verleende bijstandsuitkering ten behoeve van de eigenaar van het nieuwe bedrijf werkzaamheden zou gaan verrichten.

Appellant heeft verder nog aangevoerd dat uit de door hem overgelegde jaarstukken van de onderneming ten behoeve waarvan hij als adviseur activiteiten heeft verricht, blijkt dat de resultaten van die onderneming zodanig waren dat hem voor zijn adviserende taak geen geldelijke tegemoetkoming kon worden verleend. De Raad overweegt dienaangaande dat, wat hiervan ook zij, zulks niet afdoet aan het oordeel dat appellant zijn inlichtingenplicht niet is nagekomen als gevolg waarvan het recht op uitkering niet meer kan worden vastgesteld.

De Raad is op grond van het vorenstaande van oordeel dat de rechtbank terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover betrekking hebbend op de intrekking van de vanaf 12 oktober 1995 verleende uitkering in stand heeft gelaten.

Nu met het voorgaande is gegeven dat aan de voorwaarden voor terugvordering op grond van artikel 57 van de ABW respectievelijk artikel 81, eerste lid (oud), van de Abw is voldaan en niet is gebleken van dringende redenen als bedoeld in artikel 55, derde lid, van de ABW respectievelijk artikel 78, derde lid (oud), van de Abw, heeft de rechtbank voorts terecht de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit voor zover dat ziet op de terugvordering in stand gelaten.

Appellant heeft, evenals in eerste aanleg, nog een beroep gedaan op de zogeheten zesmaandenjurisprudentie van de Raad zoals onder meer verwoord in de uitspraak van 21 oktober 1996 (gepubliceerd in RSV 1995/122). Appellant stelt zich in dit verband op het standpunt dat er gelet op de informatie die blijkt uit de overeenkomst van geldlening van 12 oktober 1995 geen grond is voor terugvordering van bijstand welke is verstrekt na 1 april 1996.

De Raad merkt dienaangaande allereerst op dat die jurisprudentie betrekking heeft op wettelijke bepalingen waarin, anders dan in artikel 57 van de ABW en artikel 81 van de Abw, sprake is van een bevoegdheid van het bestuursorgaan de onverschuldigd betaalde uitkering terug te vorderen. De in het onderhavige geval van toepassing zijnde bepalingen uit de ABW en de Abw leggen het bestuursorgaan daarentegen de verplichting op om tot terugvordering te besluiten. De Raad verwijst in dit verband naar zijn uitspraak van 25 september 2001 (gepubliceerd in RSV 2001/270). Overigens heeft de Raad meer dan eens geoordeeld (zie onder meer zijn uitspraak van 15 september 1999; gepubliceerd in RSV 2000/17) dat de door appellant bedoelde jurisprudentie niet van toepassing is in situaties als de onderhavige, waar de betrokkene opzettelijk bepaalde, voor de toepassing van de betrokken wettelijke voorschriften van belang zijnde, gegevens heeft verzwegen.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat het hoger beroep niet kan slagen, zodat de aangevallen uitspraak - voor zover aangevochten - dient te worden bevestigd.

Voor een proceskostenveroordeling in hoger beroep ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak voor zover aangevochten.

Aldus gegeven door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.