Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AF1374
ECLI: ECLI:NL:RBROT:2002:AF1374
Instantie: Rechtbank Rotterdam
Soort procedure: beroep
Zaaknummer: Abw 02/354-NIFT
Datum uitspraak: 11 november 2002
Wetsartikelen: artt. 7 en 11 Abw (= 11 en 16 Wwb)
Trefwoorden: vreemdeling; onrechtmatig verblijf kinderen; Koppelingswet; alleenstaandennorm; zeer dringende redenen; GBA-code 31; Joegoslaven
Essentie: Terechte toekenning bijstand naar de alleenstaandennorm in plaats van de alleenstaandeoudernorm, omdat de kinderen van betrokken vreemdeling volgens de vreemdelingendienst geen verblijfsstatus hebben en ten onrechte op het pasje van betrokkene staan vermeld. Indien betrokkene het daarmee niet eens is, dient hij zich tot de vreemdelingendienst te wenden; B&W vervullen slechts een lijdelijke rol.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer Rechtbank Rotterdam Abw 02/354-NIFT




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[eiser], wonende te [woonplaats], eiser,
gemachtigde: mr. J. Hemelaar, advocaat te Zoetermeer,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Capelle aan den IJssel, verweerder.




1. Ontstaan en loop van de procedure


Bij besluit van 1 juni 2001 (verzonden op 8 juni 2001) heeft verweerder eiser met ingang van 20 maart 2001 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet (hierna: Abw) voor de noodzakelijke kosten van het bestaan naar de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar, vermeerderd met een toeslag van 20%, toegekend.

Tegen dit besluit heeft de gemachtigde van eiser bij brief van 10 juli 2001 bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 17 januari 2002 heeft verweerder, onder intrekking van de beslissing op bezwaar van 14 januari 2002, en gelet op het advies dat de Sociale Kamer van de commissie bezwaar- en beroepschriften heeft uitgebracht, het bezwaar ongegrond verklaard.

Tegen dit besluit (hierna: het bestreden besluit) heeft eiser bij brief van 5 februari 2002 beroep ingesteld.

Verweerder heeft bij brief van 9 april 2002 een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 september 2002. Aanwezig waren eiser en zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. N.D. Fritz-Pierik.




2. Overwegingen



Feiten en omstandigheden

Eiser is bij beschikking van de Staatssecretaris van Justitie van 7 september 2000 als vluchteling tot Nederland toegelaten. De vergunning tot verblijf is op grond van artikel 29b van de Vreemdelingenwet afgegeven en geldt voor bepaalde tijd vanaf 1 november 2000 tot 1 november 2005. Op de achterzijde van de vergunning staat vermeld dat de vergunning tevens geldig is voor inwonende kinderen jonger dan 12 jaar.

Op 10 mei 2001 is eiser gehuwd met [mevrouw X], geboren [...] 1976. Beiden zijn in 1998 vanuit het voormalige Joegoslavië in Nederland aangekomen, waar zij asiel hebben aangevraagd. Uit deze relatie zijn twee kinderen geboren: [kind Y], geboren [...] 1998 te Capelle aan den IJssel en [kind Z], geboren [...] 2001 te Capelle aan den IJssel. Beide kinderen zijn op 10 oktober 2000, de jongste derhalve vóór zijn geboorte, erkend door eiser. Eiser ontvangt sinds 20 november 2000 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar. Hij woont dan, met zijn gezin, in bij zijn schoonmoeder.

Eiser heeft met ingang van 20 maart 2001 zelfstandige woonruimte aan de [straatnaam] te Capelle aan den IJssel gekregen en hij verhuist diezelfde dag met zijn partner en de beide kinderen naar de [straatnaam].

Verweerder heeft naar aanleiding van deze verhuizing aan eiser met ingang van 20 maart 2001 een bijstandsuitkering toegekend naar de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar, vermeerderd met een toeslag van 20% omdat hij de noodzakelijke kosten van het bestaan niet meer met een ander kan delen. Voorts heeft verweerder eiser medegedeeld dat, nu het door hem overgelegde verblijfsdocument niet in overeenstemming is met de verblijfcodes van de kinderen in de gemeentelijke basisadministratie (hierna: GBA) hierover uitsluitsel dient te worden gegeven door de vreemdelingendienst. Dat is in dit geval ook gebeurd. Informatie van de vreemdelingendienst heeft uitgewezen dat het niet juist is dat beide kinderen op het pasje van eiser staan vermeld. Uitgangspunt van de wet is dat er geen bijstand wordt verleend aan een persoon die niet over een geldig verblijfsdocument beschikt. Dit is ook het oogmerk van de Koppelingswet. Dit is nog steeds onverkort van kracht. Het vorenstaande geldt tevens voor opname in de gezinsbijstand van (een) kind(eren). Aan de betekenis van code 31, geen recht op bijstand, dient dan ook toepassing te worden gegeven.

Verweerder heeft in het bestreden besluit de door eiser ingediende bezwaren tegen het besluit van 1 juni 2001 ongegrond verklaard. Daarbij vormen de overwegingen in het advies van de Sociale Kamer van de commissie voor de bezwaar- en beroepschriften de motivering van het besluit. Deze commissie heeft, blijkens het bijgevoegde advies, overwogen dat de kinderen van eiser in de GBA zijn opgenomen onder vermelding van de code 31. Code 31 betekent dat men niet over een geldige verblijfstitel beschikt, zodat men ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Abw geen recht op bijstand heeft. Nadere informatie van de vreemdelingendienst heeft uitgewezen dat het niet juist is dat de kinderen op het pasje van eiser staan vermeld. Volgens de vreemdelingendienst wordt het oudste kind bij de procedure van de moeder betrokken en is voor het jongste kind een afzonderlijke aanvraag om toelating ingediend. De commissie stelt vast dat, nu er sprake is van discrepantie tussen de door eiser overgelegde bescheiden en de gegevens in de GBA, de vreemdelingendienst uitsluitsel dient te geven over de verblijfstitel. Het is ook aan de vreemdelingendienst deze gegevens met elkaar in overeenstemming te brengen. In die zin vervult de gemeente een lijdelijke rol. De gemeente heeft in formele zin een correct besluit genomen door de bijstandsnorm van eiser, gelet op code 31 bij de kinderen in de GBA, te handhaven op de norm van een alleenstaande van 21 tot 65 jaar. Uitgangspunt van de Abw is dat geen bijstand wordt verleend aan een persoon die niet over een geldige verblijfstitel beschikt. Dit geldt ook voor opname in de gezinsbijstand van de kinderen. Daarnaast is het niet mogelijk om wegens zeer dringende redenen de bijstandsnorm van eiser ten behoeve van de kinderen te verhogen omdat artikel 11, tweede lid, van de Abw dit uitsluit. Voorts heeft de Sociale Kamer geconstateerd dat er bij een andere overheidsinstantie een fout is gemaakt waardoor het verblijfsdocument van eiser niet in overeenstemming is met de verblijfcodes van de kinderen in de GBA. De Sociale Kamer heeft de aanbeveling gedaan om te bevorderen dat over deze discrepantie duidelijkheid komt, ofwel door tussenkomst van het Rijksconsulentschap van het ministerie van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, dan wel door rechtstreeks contact met de Immigratie- en Naturalisatiedienst of de vreemdelingendienst.
Verweerder heeft besloten deze aanbeveling niet over te nemen.

In dit geding is de vraag aan de orde of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

In beroep heeft de gemachtigde van eiser het volgende aangevoerd.
In de eerste plaats heeft de gemachtigde gewezen op de hierboven genoemde aanbeveling van de Sociale Kamer van de commissie voor bezwaar- en beroepschriften. Verweerder heeft deze aanbeveling in het bestreden besluit geheel terzijde gelegd en weigert hieraan te voldoen. Dat is in strijd met het vertrouwen dat een burger in de overheid mag stellen. De Sociale Kamer en verweerder constateren dat de vreemdelingendienst ten aanzien van eiser een foutieve code in de GBA heeft opgegeven, aldus eiser. Verweerder dient, alvorens een zo nadelige beslissing te nemen, de zaak op te helderen. Ook heeft verweerder onredelijk en in strijd met de rechtszekerheid gehandeld. Verweerder kent de feitelijke situatie van eiser en toch behandelt verweerder eiser als een alleenstaande.



Wettelijk kader

Per 1 juli 1998 is in werking getreden de Wet van 26 maart 1998 tot wijzigingen van de Vreemdelingenwet en enige andere wetten teneinde de aanspraak van vreemdelingen jegens bestuursorganen op verstrekkingen, voorzieningen, uitkeringen, ontheffingen en vergunningen te koppelen aan het rechtmatig verblijf van de vreemdeling in Nederland (hierna: de Koppelingswet).

Met deze wet zijn wijzigingen aangebracht in onder meer de bijstandverlening aan vreemdelingen.

Artikel 7 van de Abw luidt sindsdien (tot 1 april 2001, de datum van de inwerkingtreding van de Vreemdelingenwet 2000) als volgt:
-1. Iedere Nederlander die hier te lande in zodanige omstandigheden verkeert of dreigt te geraken dat hij niet over de middelen beschikt om in de noodzakelijk kosten van het bestaan te voorzien, heeft recht op bijstand van overheidswege.
-2. Met de Nederlander, bedoeld in het eerste lid, wordt gelijkgesteld de hier te lande verblijvende vreemdeling die rechtmatig in Nederland verblijf houdt in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen hier te lande verblijvende vreemdelingen, anders dan die bedoeld in artikel 1b, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet, voor de toepassing van deze wet met een Nederlander gelijk worden gesteld:
a. ter uitvoering van een verdrag dan wel een besluit van een volkenrechtelijke organisatie; of
b. in nader bij die maatregel aan te wijzen gevallen waarin de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet, tijdig toelating in aansluiting op dat verblijf heeft aangevraagd, dan wel bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen de intrekking van het besluit tot toelating, totdat op die aanvraag, dat bezwaar of dat beroep is beslist.

Artikel 1 van het Besluit gelijkstelling vreemdelingen Abw, Ioaw en Ioaz - zijnde de op het derde lid van artikel 7 van de Abw gebaseerde algemene maatregel van bestuur - luidde (tot 1 april 2001) als volgt:
-1. Voor de toepassing van de Algemene bijstandswet (...) wordt met een Nederlander gelijkgesteld de vreemdeling die, na rechtmatig in Nederland verblijf te hebben gehouden in de zin van artikel 1b, aanhef onder 1, van de Vreemdelingenwet:
a. vóór de beëindiging van dit verblijf een aanvraag heeft ingediend om voortgezette toelating; of
b. binnen de termijn, genoemd in de artikelen 30, derde lid, of 33c van de Vreemdelingenwet, of buiten die termijn, ingeval artikel 6:11 van de Algemene wet bestuursrecht toepassing heeft gevonden, bezwaar heeft gemaakt of beroep heeft ingesteld tegen intrekking van de toelating in de zin van artikel 1b, aanhef en onder 1, van de Vreemdelingenwet.
-2. De gelijkstelling eindigt zodra:
a. onherroepelijk op de aanvraag, het bezwaar of het beroep is beslist; of
b. de uitzetting van de vreemdeling is gelast, tenzij die uitzetting ingevolge de Vreemdelingenwet of op grond van een rechterlijke beslissing achterwege dient te blijven.

In het per 1 juli 1998 in werking getreden artikel 1b van de Vreemdelingenwet (oud) is bepaald dat vreemdelingen in Nederland slechts rechtmatig verblijf genieten:
1. op grond van een besluit tot toelating alsmede op grond van toelating als gemeenschapsonderdaan, tenzij deze onderdaan verblijf houdt in strijd met een beperking op grond van een regeling krachtens het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap;
2. op grond van een besluit tot voorwaardelijke toelating;
3. in afwachting van de beslissing op een aanvraag om toelating, voortgezette toelating daaronder begrepen, terwijl ingevolge deze wet dan wel op grond van een beschikking ingevolge deze wet of op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting achterwege dient te blijven totdat op de aanvraag is besloten;
4. binnen de termijn, bedoeld in artikel 8, eerste lid, mits voldaan is aan de daar omschreven voorwaarden;
5. indien tegen de uitzetting beletselen bestaan vastgesteld bij beschikking ingevolge deze wet.

Artikel 9 van de Vreemdelingenwet bepaalt dat het aan vreemdelingen die houder zijn van een vergunning tot verblijf is toegestaan in Nederland te verblijven tot het tijdstip waarop die vergunning haar geldigheid verliest.

Artikel 11 van de Abw luidt als volgt:
-1. Aan een persoon die geen recht op bijstand heeft, kunnen burgemeester en wethouders, gelet op alle omstandigheden, in afwijking van paragraaf 1 bijstand verlenen indien zeer dringende redenen daartoe noodzaken.
-2. Het eerste lid is niet van toepassing op andere vreemdelingen dan die, bedoeld in artikel 7, tweede en derde lid.



Beoordeling

Niet in geding is dat eiser rechtmatig in Nederland verblijft en dat hem op grond van het bepaalde in artikel 7, tweede lid, van de Abw bijstand is verleend.

Waar het in deze zaak om gaat, is of aan eiser over de periode van 20 maart 2001 tot 1 september 2001 een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande dan wel een bijstandsuitkering naar de norm van een alleenstaande ouder dient te worden toegekend.

Zoals blijkt uit de hierboven weergegeven standpunten is verweerder van oordeel dat eiser slechts recht heeft op bijstand naar de norm van een alleenstaande nu de GBA-code ten aanzien van de kinderen inhoudt dat zij geen verblijfsstatus hebben. Eiser stelt, kortweg, dat de vreemdelingendienst een fout heeft gemaakt, waardoor de verkeerde code in het GBA is vermeld en dat eiser door deze fout niet benadeeld mag worden. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser nog benadrukt dat de feitelijke situatie is dat beide kinderen ten laste van eiser komen en dat de bijstand, ook gelet op het bepaalde in artikel 13 van de Abw, afgestemd dient te worden op de mogelijkheden en middelen van het gezin. De status van de kinderen is dan niet relevant.

De rechtbank stelt vast dat partijen niet van mening verschillen omtrent het feit dat de code die in de GBA bij de kinderen staat vermeld bepalend is voor de status van de kinderen. In deze zaak staat bij de kinderen code 31 vermeld, hetgeen betekent dat zij niet over een geldige verblijfstitel beschikken. Dit is in tegenspraak met het verblijfsdocument van eiser. Verweerder heeft daarop, conform het in de circulaire "Bijstandverlening aan vreemdelingen" gestelde, informatie ingewonnen bij de vreemdelingendienst.
In deze circulaire staat voorts vermeld dat de vreemdelingendienst de instantie is die de wijzigingen in de verblijfstitel, en daarmee de wijziging in de code, aan de GBA doorgeeft. Bij wijzigingen in de uitkering dient verweerder de verblijfsstatus van de vreemdeling te onderzoeken aan de hand van het door de vreemdeling te overleggen verblijfsdocument. Deze gegevens dienen gecontroleerd te worden aan de hand van de gegevens in de GBA en indien de situatie hiertoe aanleiding geeft, dient verweerder informatie in te winnen bij de vreemdelingendienst.

De rechtbank is, gelet op deze gang van zaken, van oordeel dat verweerder een zorgvuldig onderzoek heeft verricht naar de verblijfsstatus van de kinderen van eiser. Verweerder heeft informatie ingewonnen bij de vreemdelingendienst en de mededeling van de vreemdelingendienst is dat de kinderen geen verblijfsstatus hebben en ten onrechte op de verblijfsvergunning van eiser staan vermeld. Indien eiser het met deze uitkomst niet eens is, dient hij zich tot de vreemdelingendienst te wenden. Verweerder kan hierin, zoals blijkt uit het bovenstaande, voor het overige geen actieve rol spelen. Dat desalniettemin naar code 31 van de minderjarige kinderen door de vreemdelingendienst dan wel de Immigratie- en Naturalisatiedienst nog een onderzoek gaande is, maakt de beoordeling van dit geschil niet anders. Het is naar het oordeel van de rechtbank immers zeer wel denkbaar dat de kinderen de status van de moeder in plaats van de vader volgen.

De Abw is een vangnet en nu niet is gebleken van de onjuistheid van code 31 heeft verweerder naar het oordeel van de rechtbank terecht de norm alleenstaande gehanteerd. De rechtbank kan eiser derhalve niet volgen in diens grief dat verweerder hem, los van de status van de kinderen, gelet op de feitelijke situatie bijstand dient te verlenen als alleenstaande ouder.

Nu de rechtbank ook niet is gebleken van een zeer dringende reden als bedoeld in artikel 11 van de Abw is het bestreden besluit rechtens houdbaar en dient het beroep ongegrond te worden verklaard.

Voor een veroordeling in de proceskosten ziet de rechtbank geen aanleiding.




3. Beslissing


De rechtbank,

recht doende:

verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. L.A.C. van Nifterick. De beslissing is, in tegenwoordigheid van mr. M.J. Zondervan als griffier, uitgesproken in het openbaar op 11 november 2002.

De griffier, De rechter,




Afschrift verzonden op:




Een belanghebbende - onder wie in elk geval eiser wordt begrepen - en verweerder kunnen tegen deze uitspraak hoger beroep instellen bij de Centrale Raad van Beroep, postbus 16002, 3500 DA Utrecht. De termijn voor het indienen van het beroepschrift bedraagt zes weken en vangt aan met ingang van de dag na die waarop het afschrift van deze uitspraak is verzonden.