Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AF1408
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AF1408
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 00/1056 NABW
Datum uitspraak: 22 oktober 2002
Wetsartikelen: artt. 8, 22, 78 en 83 Abw (= 7 en 7 IWwb en 58 en 58 Wwb)
Trefwoorden: zelfstandige; bedrijfskapitaal; bedrijfsbeëindiging; liquidatie; aflossing geldlening; schuldsanering; finale kwijting; buiteninvorderingstelling; kwijtschelding
Essentie: Terechte afwijzing verzoek medewerking te verlenen aan een schuldsanering, omdat de gewezen zelfstandige gedurende een periode van vijf jaar na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep 50% van het netto-inkomen boven de bijstandsnorm dient te besteden voor aflossing van de rentedragende geldlening verstrekt ter voorziening in de behoefte aan bedrijfskapitaal; daarna wordt de restantschuld buiten invordering gesteld dan wel kwijtgescholden.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 00/1056 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellant], wonende te [woonplaats], appellant,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Steenbergen, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Appellant heeft op bij het beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Breda op 1 februari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend en desverzocht nog een aantal nadere stukken ingezonden.

Het geding is behandeld ter zitting van 10 september 2002, waar appellant niet is verschenen en gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door R.F. Strikwerda, werkzaam bij de gemeente Steenbergen.




II. Motivering


De Raad gaat bij zijn oordeelsvorming uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Bij besluit van 21 november 1990 heeft gedaagde appellant op grond van het Bijstandsbesluit zelfstandigen (Bz) bedrijfskapitaal verstrekt ten bedrage van ƒ150.000,- in de vorm van een rentedragende lening. In februari 1993 heeft appellant zijn bedrijf beëindigd. Bij besluit van 7 maart 1996 heeft gedaagde de restantvordering uit hoofde van de Bz-lening vastgesteld op ƒ69.679,86 en het maandelijkse aflossingsbedrag (per 18 april 1994) bepaald op ƒ160,87. Daarbij is tevens aangegeven dat bij constante aflossing op 18 april 1999 kwijting van het eventuele restant van de vordering zal worden verleend. Bij besluit van 8 juli 1998 is aan appellant meegedeeld dat de betalingsachterstand op dat moment ƒ5378,42 bedroeg en is het aflossingsbedrag met ingang van 1 maart 1998 nader bepaald op ƒ121,- per maand.

Bij brief van 8 januari 1999 is namens appellant aan gedaagde verzocht medewerking te verlenen aan een schuldsanering, inhoudende het door appellant betalen van 47% van zijn betalingsachterstand tegen finale kwijting van het restant van de Bz-schuld. Gedaagde heeft dit verzoek bij besluit van 26 januari 1999 afgewezen omdat - kort gezegd - het inmiddels van kracht geworden Besluit bijstandverlening zelfstandigen (Bbz) daartoe geen ruimte biedt. Bij besluit van 20 april 1999 heeft gedaagde het bezwaar van appellant ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft het beroep tegen het besluit van 20 april 1999 ongegrond verklaard. Daartoe is - samengevat onder verwijzing naar artikel 23 van het Bbz - overwogen dat gedaagde op goede gronden geweigerd heeft medewerking te verlenen aan een schuldsanering, nu kwijtschelding van de Bz-schuld van appellant eerst aan de orde kan komen indien hij gedurende vijf jaar aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

Appellant heeft zich in hoger beroep tegen het oordeel van de rechtbank gekeerd. Daarbij heeft hij primair de toepasselijkheid van het Bbz betwist en voorts gesteld dat gedaagde, gelet op artikel 22 van het Bbz en artikel 78 van de Algemene bijstandswet (Abw), ten onrechte geen medewerking heeft verleend aan de verzochte schuldsanering.

De Raad overweegt het volgende.

De Raad stelt voorop dat ingevolge artikel 4, vierde lid, van de Invoeringswet herinrichting Algemene Bijstandswet besluiten op grond van de Algemene Bijstandswet (en daarop geënte regelingen als het Bz) inzake terugvordering of anderszins terugbetaling van reeds verleende bijstand van kracht blijven tot het moment waarop zich in het betrokken geval een zodanige wijziging van omstandigheden voordoet of heeft voorgedaan dat een herziening van het besluit dient plaats te vinden. Aangezien gedaagde bij besluit van 8 juli 1998 het aflossingsbedrag van de Bz-lening heeft herzien en met ingang van 1 maart 1998 nader heeft vastgesteld op ƒ121,- per maand, is vanaf dat moment de Abw, en daarmee ook het Bbz, op appellant van toepassing. Gedaagde en de rechtbank hebben het verzoek van appellant van 8 januari 1999 derhalve terecht aan het Bbz getoetst.

De Raad onderschrijft voorts het oordeel van de rechtbank dat artikel 22 van het Bbz, houdende de verplichting van het gemeentebestuur tot medewerking aan een schuldenregeling bij een actuele bedrijfsbeëindiging, in dit geval niet van toepassing is omdat de beëindiging van het bedrijf van appellant reeds in 1993 haar beslag heeft gekregen.
Daarentegen acht de Raad met gedaagde en de rechtbank artikel 23, tweede lid, van het Bbz wel op appellant van toepassing. Ingevolge artikel 23, tweede lid, tweede volzin, van het Bbz dient de gewezen zelfstandige gedurende een periode van vijf jaar na beëindiging van het bedrijf of zelfstandig beroep 50% van het netto-inkomen boven de bijstandsnorm als bedoeld in hoofdstuk IV, afdeling 1, van de Abw te besteden voor aflossing van deze lening. Daarna wordt het restant buiten invordering gesteld dan wel kwijtgescholden. Voor tussentijdse alternatieven ten behoeve van deze specifieke groep biedt het artikel - behoudens tijdelijke opschorting van de betalingsverplichting - ook naar het oordeel van de Raad geen ruimte.
Hetgeen appellant nog naar voren heeft gebracht met betrekking tot de toepassing van artikel 78, derde lid, van de Abw heeft de Raad niet tot een ander oordeel kunnen brengen. De Raad volstaat in dit verband met erop te wijzen dat artikel 23 van het Bbz voor de specifieke categorie van personen waartoe appellant behoort (de gewezen zelfstandige) bijzondere regels geeft voor terugbetaling en kwijtschelding. In deze fase is van terugvordering, welke voor geldleningen in algemene zin regeling heeft gevonden in artikel 83 van de Abw, nog geen sprake. Dit brengt mee dat artikel 78 van de Abw, dat immers deel uitmaakt van de terugvorderingsparagraaf van de Abw, evenzeer toepassing mist. Voor analoge toepassing van artikel 78, derde lid, van de Abw ziet de Raad, gegeven de strekking van artikel 23, tweede lid, van het Bbz, geen grond.

Uit het vorenstaande vloeit voort dat de aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

De Raad acht ten slotte geen termen aanwezig voor een proceskostenveroordeling.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus gewezen door mr. Th.C. van Sloten als voorzitter en mr. drs. Th.G.M. Simons en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg als griffier en uitgesproken in het openbaar op 22 oktober 2002.

(get.) Th.C. van Sloten.

(get.) I.J.M. Peereboom-Nieuwenburg.