Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AF1409
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2002:AF1409
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 00/1545 NABW en 02/5245 NABW
Datum uitspraak: 29 oktober 2002
Wetsartikelen: artt. 13 en 39 Abw (= 18 en 35 Wwb) / 6:19 Awb
Trefwoorden: bijzondere bijstand; inrichtingskosten; opknapkosten; speelgoed; televisie; telefoon; bijstand om niet; individualisering; tweedehands goederen; noodzakelijke kosten
Essentie: Juiste vaststelling van het bedrag aan bijzondere bijstand om niet voor kosten van speelgoed en van inrichting en opknappen van de nieuw betrokken woning (na echtscheiding), omdat geen sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan die kosten noodzakelijkerwijs hoger moesten zijn dan de in de werkinstructie vermelde richtbedragen, waarbij aangenomen dat voor een deel gebruikte goederen kunnen worden gekocht of overgenomen van de vorige bewoners. Terechte afwijzing van bijzondere bijstand voor kosten van een televisietoestel en telefoon, daar niet is aangetoond dat die kosten noodzakelijk zijn.

Transponeringstabel Abw naar Wwb

 

 

Uitspraak meervoudige kamer Centrale Raad van Beroep 00/1545 NABW en 02/5245 NABW




U I T S P R A A K




in het geding tussen:

[appellante], wonende te [woonplaats], appellante,

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Zwolle, gedaagde.




I. Ontstaan en loop van het geding


Namens appellante heeft mr. H.A. van der Kleij, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp Zwolle, op bij een aanvullend beroepschrift aangegeven gronden hoger beroep ingesteld tegen een door de rechtbank Zwolle op 21 februari 2000 tussen partijen gewezen uitspraak, waarnaar hierbij wordt verwezen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend. Tot de bijlagen bij dit verweerschrift behoort een besluit van 14 juni 2000, waarbij - onder wijziging in zoverre van het primaire besluit van 13 juli 1998 - de bijzondere bijstand voor inrichtingskosten alsnog is vastgesteld op ƒ12.000,- in verband met de inwoning per oktober 1998 van een zoon van appellante.

Het geding is behandeld ter zitting van 17 september 2002, waar voor appellante is verschenen mr. H.E. Nijk, werkzaam bij het Buro voor Rechtshulp te Zwolle, en waar gedaagde zich heeft doen vertegenwoordigen door G. Smit, werkzaam bij de gemeente Zwolle.




II. Motivering


Appellante is met ingang van 2 juli 1998 met drie van haar kinderen gescheiden gaan leven van haar toenmalige echtgenoot en ontvangt sedertdien een uitkering ingevolge de Algemene bijstandswet (Abw) naar de norm voor een alleenstaande ouder. In verband met haar verhuizing heeft appellante op 26 juni 1998 een aanvraag ingediend voor bijzondere bijstand ter voorziening in onder meer inrichtingskosten.

Bij besluit van 13 juli 1998 is aan appellante voor de inrichtingskosten van haar woning bijzondere bijstand in de vorm van een uitkering om niet toegekend tot een bedrag van ƒ11.000,-.

Bij besluit van 5 januari 1999 heeft gedaagde, voor zover hier van belang, de namens appellante tegen het besluit van 13 juli 1998 ingediende bezwaren ongegrond verklaard, met dien verstande dat in aanvulling op de reeds toegekende bijstand alsnog een bedrag van ƒ650,- zal worden verstrekt voor de kosten van het opknappen van de woning en voor de aanschafkosten van speelgoed.

De rechtbank heeft het namens appellante tegen het besluit van 5 januari 1999 ingestelde beroep ongegrond verklaard. Zij was - kort samengevat - van oordeel dat bij de aanschaf van een complete woninginrichting in beginsel kan worden uitgegaan van forfaitaire normbedragen, aangezien het een categorie van regelmatig terugkerende verstrekkingen met een belangrijke mate van uniformiteit betreft en dat van de zijde van appellante niet gemotiveerd is aangegeven dat het voor haar geldende normbedrag van ƒ11.000,- voor haar onvoldoende zou zijn. De kosten van een televisie en een telefoon komen naar het oordeel van de rechtbank behoudens bijzondere omstandigheden, welke zich hier niet voordoen, niet voor bijzondere bijstand in aanmerking.

In hoger beroep is dit oordeel van de rechtbank gemotiveerd bestreden.

De Raad stelt vast dat het hoger beroep betrekking heeft op de weigering om appellante bijzondere bijstand te verlenen voor de kosten van een telefoon, een telefoonkastje en een televisietoestel en op de vaststelling van de hoogte van de aan haar verstrekte bijzondere bijstand voor de kosten van het opknappen en inrichten van haar woning.

In artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw is bepaald dat, onverminderd hoofdstuk II, de alleenstaande of het gezin recht heeft op bijzondere bijstand voor zover deze niet beschikt over de middelen om te voorzien in de uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan en deze kosten naar het oordeel van burgemeester en wethouders niet kunnen worden voldaan uit de bijstandsnorm, bedoeld in afdeling 1, paragraaf 2 en 3, en de aanwezige draagkracht.

Met betrekking tot de aanschafkosten van een televisietoestel en een telefoon met een kastje is de Raad met gedaagde en de rechtbank van oordeel dat op grond van hetgeen door appellante ter zake is aangevoerd en overigens uit de stukken blijkt, niet is aangetoond dat aanschaf van deze goederen in haar geval noodzakelijk is. Naar het oordeel van de Raad kan dan ook niet worden gezegd dat de hier besproken kosten zijn aan te merken als uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan in de zin van artikel 39, eerste lid, (oud) van de Abw.

Wat betreft de opknapkosten en de inrichtingskosten is niet in geding dat in het geval van appellante sprake is van uit bijzondere omstandigheden voortvloeiende noodzakelijke kosten van het bestaan als bedoeld in deze bepaling waarin zij niet zelf kan voorzien en dat zij in aanmerking kwam voor bijzondere bijstand voor deze kosten.

Bij de vaststelling van de hoogte van de noodzakelijk te achten en voor bijzondere bijstand in aanmerking komende kosten van het opknappen en inrichten van een woning hanteerde gedaagde ten tijde hier van belang richtprijzen, welke als maximumbedragen moeten worden beschouwd en waarvan in individuele gevallen naar boven en naar beneden kan worden afgeweken. Deze, in de werkinstructie "Richtprijzen" van 1 maart 1997 opgenomen bedragen zijn ontleend aan gegevens van het NIBUD en de prijzengids van Divosa Limburg, en worden jaarlijks bijgesteld aan de hand van de prijsontwikkelingen. Blijkens de werkinstructie gelden in gevallen waarin bijstand wordt verleend voor een complete woninginrichting op de gezinsgrootte afgestemde forfaitaire bedragen. Deze bedragen zijn geen optelsom van de bedragen die gelden voor de verschillende onderdelen van de woninginrichting. Bij het inrichten van een complete woning mag volgens de instructie worden verondersteld dat een aantal zaken van vorige bewoners kan worden overgenomen en dat eventueel een deel van de aangeschafte goederen niet nieuw maar gebruikt is.

In het geval van appellante heeft toepassing van deze richtbedragen geresulteerd in toekenning van ƒ300,- voor opknapkosten, ƒ11.000,- voor inrichtingskosten, verhoogd met ƒ350,- voor speelgoed.

De Raad acht het aanvaardbaar dat gedaagde bij de vaststelling van de hoogte van bijzondere bijstand voor regelmatig terugkerende verstrekkingen als uitgangspunt richtprijzen hanteert en - in geval van een volledige woninginrichting - een op de gezinsgrootte afgestemd all-inbedrag. De hoogte van de aangehouden all-inbedragen kan niet als onredelijk worden bestempeld, aangenomen dat kennelijk beoogd wordt in de elementaire inrichtingskosten te voorzien en dat in geval van een noodzakelijke volledige inrichting voor een deel gebruikte goederen kunnen worden gekocht of overgenomen van de vorige bewoners. Dat deze bedragen lager zijn dan het totaalbedrag dat maximaal zou kunnen worden verstrekt indien alle in de werkinstructie vermelde afzonderlijke inrichtingsgoederen tegelijkertijd nieuw zouden worden aangeschaft, maakt dit niet anders.

Het vorenstaande neemt niet weg dat het bijstandverlenend orgaan, gelet op het bepaalde in de artikelen 13, eerste lid, en 39, eerste lid, van de Abw, bij de vaststelling van de hoogte van de in een concreet geval te verstrekken bijzondere bijstand steeds dient na te gaan of sprake is van individuele omstandigheden op grond waarvan voor de inrichting van de woning noodzakelijkerwijs hogere kosten moeten worden gemaakt dan de in de werkinstructie vermelde richtbedragen.

Gedaagde stelt zich blijkens het besluit op bezwaar op het standpunt dat in het geval van appellante van individuele omstandigheden als hier bedoeld niet is gebleken.
Hetgeen van de zijde van appellante in dit verband is aangevoerd en overigens uit de stukken blijkt, biedt ook naar het oordeel van de Raad onvoldoende grondslag voor het oordeel dat zij tengevolge van bijzondere individuele omstandigheden noodzakelijkerwijs hogere inrichtingskosten heeft gemaakt dan de door gedaagde aangehouden richtbedragen. De verwijzing door appellante naar het in haar geval berekende totaalbedrag van de in de werkinstructie vermelde onderdelen van inrichting acht de Raad daartoe niet toereikend, nu niet is gebleken dat zij genoodzaakt was al deze goederen daadwerkelijk tegen de daarvoor geldende richtprijzen aan te schaffen. Door gedaagde is weliswaar niet onderkend dat appellante niets van de vorige bewoner van haar woning heeft kunnen overnemen, maar dit brengt niet noodzakelijkerwijs mee dat zij niet in staat is geweest een deel van de inrichting tweedehands aan te schaffen. Ook de door appellante overgelegde aankoopbewijzen bieden onvoldoende grond voor de conclusie dat appellante voor het opknappen en inrichten van haar woning meer kosten heeft moeten maken dan haar op grond van de richtbedragen is toegekend.

Gezien het voorgaande kan niet worden gezegd dat gedaagde in afwijking van het richtbedrag van ƒ11.000,- aan appellante tot een hoger bedrag bijzondere bijstand in de kosten van woninginrichting had moeten verstrekken.

De aangevallen uitspraak dient daarom te worden bevestigd.

De Raad ziet aanleiding om het besluit van gedaagde van 14 juni 2000 op grond van de artikelen 6:19 en 6:24 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) mede in dit geding te betrekken. In het voorgaande ligt besloten dat het beroep dat appellante geacht moet worden te hebben ingesteld tegen dit besluit ongegrond moet worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad ten slotte geen aanleiding.




III. Beslissing


De Centrale Raad van Beroep,

recht doende:

bevestigt de aangevallen uitspraak;
verklaart het beroep dat appellante geacht moet worden te hebben ingesteld tegen het besluit van 14 juni 2000 ongegrond.

Aldus gewezen door mr. drs. N.J. van Vulpen-Grootjans als voorzitter en mr. J.M.A. van der Kolk-Severijns en mr. R.H.M. Roelofs als leden, in tegenwoordigheid van B.M. Biever-van Leeuwen als griffier en uitgesproken in het openbaar op 29 oktober 2002.

(get.) N.J. van Vulpen-Grootjans.

(get.) B.M. Biever-van Leeuwen.