Vrouwe Justitia

 

 

 


TIP: zoeken binnen deze pagina kan met Ctrl+F

 

LJN AA3954 - Verzoek CRvB aan het HvJEG om antwoord op de vraag: Moet onder "gezinslid" in de zin van artikel 41, eerste lid, van de Samenwerkingsovereenkomst tussen de EG en Marokko d.d. 27 april 1976 mede worden verstaan de alleenstaande moeder van een Marokkaanse werknemer die, nadat deze laatstgenoemde zich op volwassen leeftijd op het grondgebied van een lidstaat van de Gemeenschap heeft gevestigd, zich metterwoon bij hem heeft gevoegd?

LJN AA5722 - Toekenning AOW-pensioen ten bedrage van 96% van het AOW-pensioen voor een gehuwde met een echtgenoot jonger dan 65 jaar. In geding is de vraag of terecht een korting is toegepast wegens twee onverzekerde jaren. In hoger beroep vordert appellant dat de korting op zijn AOW-pensioen wordt teruggebracht tot 2%.

LJN AA8248 - Korting AOW-pensioen van 98% wegens 49 onverzekerde jaren, zulks mede gelet op de stand van appellants Duitse verzekering. De Raad oordeelt dat appellant als rijnvarende gedurende het tijdvak in geding te rekenen vanaf 1 februari 1970 aan de Duitse wetgeving was onderworpen. Derhalve kunnen vanaf laatstgenoemde datum geen tijdvakken als ingevolge de AOW verzekerd meer worden aangemerkt.

LJN AA8743 - Weigering AOW-pensioen voor in Suriname wonende gedaagde. Naar het oordeel van de Raad is in casu niet voldaan aan de voorwaarden waaronder van het horen kan worden afgezien, met name niet aan die van artikel 7:3, onderdeel c, van de Awb. De SVB heeft verzuimd gebruik te maken van de mogelijkheid de hoorzitting op de Nederlandse ambassade in Paramaribo te houden.

LJN AA8788 - Korting AOW-toeslag omdat de echtgenote van betrokkene niet ingevolge de AOW verzekerd is geweest gedurende twaalf jaren. De Raad oordeelt dat de rechter niet treedt in een belangenafweging welke reeds door de wetgever is verricht of geacht moet worden te zijn verricht, wat het geval zal zijn bij gebonden besluiten als het onderhavige. De Raad concludeert enerzijds dat de nationale regelgever als grondslag voor de uitsluiting van de verzekering van de gehuwde vrouw niet beslissend heeft willen laten zijn het antwoord op de vraag of het door de man in het buitenland opgebouwde pensioen feitelijk mede bestemd was voor zijn echtgenote, en zelfs niet het antwoord op de vraag of de man in het buitenland wel enig pensioen opbouwde, en anderzijds dat ook bij ontkennende beantwoording van die vragen daarvan de Hoge Raad een naar geslacht onderscheid makende uitsluiting van de verzekering heeft aanvaard.

LJN AB1658 - Schuldignalatigverklaring AOW-premie te betalen over 1990 en 1991. In geding is de vraag of het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid nu de SVB niet heeft onderzocht waarom ambtshalve aanslagen aan gedaagde zijn opgelegd. Niet alle relevante gedingstukken zijn in de bezwaarfase voor gedaagde ter inzage gelegd. De Raad ziet zich in deze procedure allereerst gesteld voor de beantwoording van de vraag of de SVB het bestreden besluit terecht heeft gebaseerd op de Wfv.

LJN AB1659 - Korting AOW-toeslag wegens inkomen in verband met arbeid van appellants echtgenote en vervolgens korting van 10% van de resterende AOW-toeslag wegens een niet-verzekerde periode van vijf jaren van de echtgenote. Het geding spitst zich toe op de vraag of toereikende grondslag bestaat om op de AOW-toeslag de betreffende inkomsten in verband met arbeid (verkregen uit een Belgisch rustpensioen) in mindering te brengen.

LJN AB1783 - Korting AOW-toeslag wegens inkomen in verband met arbeid van betrokkenes echtgenote. In geding is de vraag of terecht de VUT-uitkering van betrokkenes echtgenote volledig, zonder toepassing van inkomstenvrijlating, in mindering is gebracht op de AOW-toeslag.

LJN AB2199 - Weigering AOW-overlijdensuitkering omdat gedaagde niet een in artikel 18 van de AOW omschreven persoon is ten aanzien van wie de overledene (i.c. gedaagdes vader) grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde. De Raad beantwoordt de vraag of gedaagde met haar vader in gezinsverband leefde, anders dan de rechtbank, ontkennend. Beslissend hiervoor acht de Raad dat gedaagde in de periode in geding reeds vele jaren een gezinsverband met een ander had, namelijk haar echtgenoot, welk gezinsverband zij niet beoogd heeft te verbreken en na de verpleging van haar vader heeft voortgezet.

LJN AB2463 - Weigering verleende vrijstelling van de verplichte verzekering voor de AKW en de AWW eerder te doen ingaan dan de datum in geding omdat toepassing van artikel 25 van KB 164 slechts mogelijk is in gevallen waarin iemand op grond van een bepaling in KB 164 is uitgesloten van de kring van verzekerden of onder de kring van verzekerden is gebracht, hetgeen in appellants situatie niet aan de orde is. De Raad stelt vast dat er ten aanzien van appellant geen sprake is van een situatie waarin toepassing van KB 164 heeft geleid tot het aannemen van de verzekeringsplicht of tot de uitsluiting daarvan.

LJN AB3220 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de in het informatieblad "Inzicht" van de SVB opgenomen mededelingen omtrent de verschuiving van betaaldata, omdat voornoemde mededelingen geen (appellabel) besluit vormen in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Niet-ontvankelijkverklaring beroep in eerste aanleg tegen het besluit op bezwaar wegens gebrek aan belang. De Raad vernietigt de aangevallen uitspraak en verklaart het inleidend beroep ontvankelijk en alsnog ongegrond.

LJN AB3246 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag en boeteoplegging van ƒ900,- omdat gedaagde een wijziging in het inkomen van zijn echtgenote niet binnen vier weken aan de SVB heeft doorgegeven. In geding is de vraag of er sprake is van verminderde verwijtbaarheid met betrekking tot de schending van de inlichtingenverplichting.

LJN AB3256 - Herziening AOW-toeslag wegens inkomen in verband met arbeid van appellants echtgenote. In geding is de vraag of de rechtbank het beroep terecht ongegrond heeft verklaard in de overweging dat niet is gebleken dat de korting op de AOW-toeslag zich niet verdraagt met het bepaalde in de AOW en het Inkomensbesluit AOW 1996, dat een VUT-uitkering niet kan worden aangemerkt als inkomen uit vermogen en dat de toeslagregeling ook verenigbaar is te achten met diverse namens appellant genoemde bepalingen van internationaal recht.

LJN AD5261 - Betaalbaarstelling AOW-pensioen met twee jaren terugwerkende kracht. In geding is de vraag of betrokkene terecht heeft aangevoerd dat zij pas medio juli/augustus 1997 ervan op de hoogte was dat aan haar een AOW-pensioen was toegekend vanaf maart 1989, waardoor zij pas medio juli/augustus 1997 in de gelegenheid was over te gaan tot invordering van het aan haar toekomende AOW-pensioen en ook pas vanaf dat moment de vervaltermijn van twee jaren van artikel 23 van de AOW (waarna niet-ingevorderde termijnen niet meer behoeven te worden uitbetaald) in werking treedt.

LJN AD7125 - Korting AOW-pensioen van 12% wegens zes onverzekerde jaren, in tegenstelling tot de 2% zoals appellante ruim vijf jaar voordien door de SVB was medegedeeld. In geding is de vraag of bij het nemen van het bestreden besluit een deugdelijke belangenafweging heeft plaatsgevonden, zulks mede gelet op het feit dat appellante vanwege de bij haar gewekte verwachtingen heeft nagelaten zich aanvullend te verzekeren.

LJN AD8573 - Intrekking AOW-toeslag wegens inkomen uit weduwenpensioen van verzoekers partner. In geding is de vraag of het inkomen van verzoekers partner (een weduwenpensioen van Stichting Philips Pensioenfonds), dat niet is gerelateerd aan arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven van de partner, in mindering mag worden gebracht op de AOW-toeslag.

LJN AD9249 - Weigering vrijstelling van de verplichte verzekering ingevolge de AOW, Anw en AKW. De Raad oordeelt dat de toepasselijke nationale wettelijke regelingen noch de relevante bepalingen van EG-recht voorzien in de door appellant gewenste beperking van de inhoudingen op zijn Belgische brugpensioen tot hetgeen op die uitkering zou zijn ingehouden als hij onder de Belgische wetgeving zou vallen.

LJN AD9464 - Schuldignalatigverklaring AOW-premie te betalen over 1992, 1993 en 1995. In geding is de vraag of appellant terecht stelt dat hij als zelfstandige producten heeft verkocht voor een prijs die lager was dan de vastgestelde minimumprijs, terwijl de Belastingdienst bij de vaststelling van zijn inkomen is uitgegaan van die minimumprijs. Omdat hij de door de Belastingdienst vastgestelde inkomsten niet daadwerkelijk heeft ontvangen, heeft hij ook niet kunnen reserveren voor de betaling van de premie voor de volksverzekeringen. Van opzet of schuld is volgens appellant geen sprake, hij was volledig te goeder trouw, doch heeft zich door onervarenheid op essentiële punten vergist.

LJN AE0176 - Weigering verleende vrijstelling van de verplichte verzekering voor de volksverzekeringen eerder te doen ingaan dan de datum in geding. Tot zijn pensionering is gedaagde, die de Duitse nationaliteit bezit, werkzaam geweest als beroepsmilitair in Duitsland en sindsdien ontvangt hij een Duits pensioen. In geding is de vraag of de ingangsdatum van de verleende vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de AOW, Anw, AKW en AAW juist is vastgesteld en terecht de hoorzitting achterwege is gelaten omdat het bezwaar kennelijk ongegrond wordt geacht.

LJN AE4455 - Weigering toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw. In geding is de vraag of de overschrijding van de bezwaartermijn terecht verschoonbaar is geacht omdat appellant - zoals tevoren aan de SVB gemeld - gedurende langere tijd op vakantie was. De Raad concludeert dat appellant bij het bestreden besluit ten onrechte in zijn bezwaar is ontvangen, zodat dit besluit evenals de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

LJN AE4591 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 54% van het pensioen voor een gehuwde, waarbij ervan is uitgegaan dat appellant niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW van 1 januari 1984 tot en met 18 januari 1998 en dat hij niet voldoet aan de voorwaarden voor toekenning van de overgangsvoordelen over het tijdvak van zijn 15e verjaardag tot de inwerkingtreding van de AOW per 1 januari 1957 omdat hij niet in Nederland woont. Met de SVB en de rechtbank oordeelt de Raad dat appellant geen AOW-pensioendeel kan ontlenen aan het tijdvak gelegen vóór 1 januari 1957.

LJN AE4662 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. Weigering om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit omdat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden. De Raad oordeelt dat op appellant gedurende de periode dat hij werkzaam was voor de Europese Octrooi Organisatie de regeling inzake overlijden, arbeidsongeschiktheid, ouderdom en kinderbijslag van die organisatie van toepassing was, hetgeen betekent dat appellant toen niet verzekerd was ingevolge de AOW.

LJN AE4674 - Verzoek om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit waarbij appellante verzoekt om alsnog in het genot te worden gesteld van de overgangsvoordelen ingevolge de artikelen 55 en 56 van de AOW. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Niet-ontvankelijkverklaring van het beroep in eerste aanleg omdat het bestreden besluit nog niet tot stand is gekomen. De mededeling dat reeds beroep was ingesteld bij de rechtbank ontslaat het bestuursorgaan niet van de verplichting tot doorzending als bedoeld in artikel 6:15, eerste lid, van de Awb.

LJN AE5331 - Herberekening en terugvordering AOW-pensioen wegens een ouderdomspensioen toegekend ingevolge de sociale wetgeving van Nieuw-Zeeland. In dit geding is tussen partijen alleen in geschil of de wijze waarop de SVB bij het bestreden besluit, gelet op de koersfluctuaties van de Nieuw-Zeelandse dollar, toepassing heeft gegeven aan artikel 15, vierde lid, van de Overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Nieuw-Zeeland in rechte stand kan houden.

LJN AE6053 - Korting AOW-pensioen van 6% en korting AOW-toeslag van 4% wegens onverzekerde jaren. In geding is de vraag of appellant terecht stelt dat hij in de periode in geding in Nederland is blijven wonen, aangezien Nederlands Nieuw-Guinea moet worden gezien als een overzees gebiedsdeel van de Nederlandse Staat.

LJN AE8307 - Herberekening AOW-pensioen wegens een ouderdomspensioen toegekend ingevolge de sociale wetgeving van Nieuw-Zeeland. In dit geding is tussen partijen alleen in geschil of de wijze waarop de SVB bij het bestreden besluit, gelet op de koersfluctuaties van de Nieuw-Zeelandse dollar, toepassing heeft gegeven aan artikel 15, vierde lid, van de Overeenkomst inzake sociale zekerheid tussen Nederland en Nieuw-Zeeland in rechte stand kan houden.

LJN AE9808 - Schuldignalatigverklaring AOW-premie te betalen over 1995 en 1997. De Raad is van oordeel dat de door appellante genoemde omstandigheden er niet toe kunnen leiden dat het niet betalen van de belasting en premie haar niet toegerekend kan worden.

LJN AF1665 - Beëindiging bevoegdheid om deel te nemen aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering, zoals geregeld in Bijlage VI bij Vo. 1408/71, op de grond dat appellantes echtgenoot met ingang van de datum in geding de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. In geding is de vraag of appellante terecht stelt dat de beëindiging van haar vrijwillige verzekering bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd door haar echtgenoot op de voet van voornoemde Bijlage VI de vrije vestiging van haar man en haarzelf in andere lidstaten van de Unie belemmert, dat hierdoor haar recht op familieleven wordt geschonden en dat door die toepassing vrouwen worden gediscrimineerd.

LJN AF2361 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding en toekenning AOW-toeslag waarop in verband met onverzekerde jaren van appellants partner een korting is toegepast van 84%. Boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. In geding is de vraag of appellant aan bepalingen van gemeenschapsrecht aanspraak op een hogere AOW-toeslag kan ontlenen.

LJN AF2954 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat de brief betreffende de verzekering ingevolge de AWBZ niet kan worden aangemerkt als een (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Naar het oordeel van de Raad kan de stellige mededeling van de SVB in de brief niet anders worden gekwalificeerd dan als één die ontegenzeggelijk is gericht op rechtsgevolg, te weten het feit dat gedaagde verzekerd is ingevolge de AWBZ en dat hij premie verschuldigd is, die zal worden ingehouden op zijn AOW-pensioen.

LJN AF3116 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen de inhouding van de premies Zfw omdat de verzekering ingevolge de Zfw al is vastgesteld bij een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit en omdat de bezwaartermijn niet-verschoonbaar is overschreden. Voorts niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het in rekening brengen van overmakingskosten omdat het in rekening brengen van overmakingskosten een feitelijke handeling zou betreffen, waartegen geen bezwaar kan worden gemaakt. In geding is de vraag of de bezwaren terecht niet-ontvankelijk zijn verklaard.

LJN AF3442 - Oplegging schriftelijke waarschuwing wegens het te laat terugzenden van het formulier levensbewijs. In geding is de vraag of het primaire besluit een wettelijke grondslag mist en gedaagde het niet nakomen van zijn verplichting kan worden verweten.

LJN AF3855 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 60% van het maximale ouderdomspensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont onderscheidenlijk herziening van dit pensioen in verband met de toekenning aan gedaagde van een ouderdomspensioen uit Nieuw-Zeeland en terugvordering van het te veel betaalde AOW-pensioen. In geding is de proceskostenveroordeling met betrekking tot de door gedaagde en haar gemachtigde voor het hoger beroep gemaakte reiskosten, nu de SVB de bestreden besluiten heeft ingetrokken.

LJN AF4640 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 4%, in plaats van de gevorderde 14%, van het maximale AOW-pensioen voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont en een AOW-toeslag. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad stelt vast dat de SVB heeft nagelaten appellant te vragen naar de reden van de termijnoverschrijding als bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad oordeelt derhalve dat de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit voor vernietiging in aanmerking komen, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

LJN AF5501 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens wijziging van het inkomen van gedaagdes partner in de maanden in geding. De Raad stelt voorop dat in hoger beroep slechts in geschil is of de rechtbank met recht het bestreden besluit op grond van artikel 7:12, eerste lid, van de Awb heeft vernietigd nu de SVB bij dit besluit niet heeft gemotiveerd waarom zij met toepassing van artikel 24, zesde lid, van de AOW niet heeft afgezien van de in geding zijnde terugvordering van een gering bedrag.

LJN AF6065 - Korting AOW-pensioen in verband met jaren dat appellant niet in Nederland heeft gewoond en derhalve niet als ingezetene verzekerd was ingevolge de AOW. In geding is de vraag of terecht is overwogen dat appellant niet voldoet aan alle voorwaarden om in aanmerking te komen voor de overgangsvoordelen nu hij niet voldoet aan de in artikel 56, aanhef en onder b, van de AOW genoemde voorwaarde dat hij in Nederland woont.

LJN AF7507 - Korting AOW-toeslag omdat appellants echtgenote niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW gedurende de periode in geding en zij niet voldoet aan één van de voorwaarden op grond waarvan het tijdvak vanaf haar 15e verjaardag tot 1 januari 1957 als verzekerd tijdvak in aanmerking kan worden genomen, omdat zij niet in Nederland woont. In geding is de vraag of de niet-verzekerde periode waarop de korting op de AOW-toeslag is gebaseerd juist vastgesteld en appellant niet voldoet aan de voorwaarden om in aanmerking te komen voor de overgangsvoordelen.

LJN AF8725 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens inkomsten van appellants partner in de perioden in geding. In geding is de vraag of het appellant redelijkerwijs duidelijk heeft kunnen zijn dat hij te veel aan AOW-toeslag ontving. De Raad oordeelt dat appellants grief dat hij geen inzicht had in het inkomen van zijn echtgenote geen steun vindt in de gedingstukken.

LJN AG0227 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat het bezwaar zich richt tegen het feit dat het verzoek om de verschuldigde premie voor de vrijwillige AOW-verzekering op de WAO-uitkering in te houden niet is ingewilligd, terwijl de wijze van betaling geen onderdeel is van het bestreden besluit. De Raad oordeelt dat de bijlage bij het bestreden besluit, waarin onder meer de (voorlopige) hoogte van de premie is vastgelegd en de wijze van betaling is aangegeven, moet worden aangemerkt als een separaat, voor bezwaar en beroep vatbaar besluit. Het bezwaar tegen dit "betalingsbesluit" is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard.

LJN AH9600 - Schuldignalatigverklaring omdat appellant de verschuldigde premie ingevolge de AOW over de jaren 1967, 1968 en 1969 niet heeft betaald. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad komt het risico dat niet-aangetekend verzonden stukken niet worden ontvangen in beginsel voor rekening van de afzender. In casu is de Raad evenwel tot de conclusie gekomen dat bij uitzondering voldoende concrete aanknopingspunten aanwezig zijn om aan het niet-aangetekend verzenden van de betreffende besluiten door de SVB niet de consequentie te verbinden dat appellant wordt vermoed deze besluiten niet te hebben ontvangen.

LJN AI0648 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens het aangaan van een geregistreerd partnerschap. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat in het geval van gedaagde sprake is van duurzaam gescheiden leven vanaf de datum waarop het geregistreerd partnerschap is aangegaan.

LJN AJ6880 - Herziening AOW-pensioen omdat verzoekster niet langer duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot. Nu het hoger beroep is ingetrokken omdat de SVB gedeeltelijk aan verzoekster is tegemoetgekomen, ziet de Raad aanleiding om de SVB met toepassing van artikel 8:75 van de Awb te veroordelen in de kosten van rechtsbijstand van verzoekster.

LJN AL4293 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. Afwijzing verzoek om vergoeding van de door appellant gemaakte materiële kosten ten behoeve van zijn verdediging en eveneens een bedrag van €1000,- wegens immateriële schade (gederfde levensvreugde, inclusief morele schade).

LJN AN4052 - Weigering toelating tot de vrijwillige verzekering voor de AOW en AWW omdat het verzoek niet is ingediend binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering. Daarbij is overwogen dat de verplichte verzekering van appellante is geëindigd op de datum waarop zij zich feitelijk vanuit Nederland in Zwitserland heeft gevestigd teneinde aldaar te gaan samenwonen. De Raad oordeelt dat de enkele omstandigheid dat appellante Nederland feitelijk heeft verlaten onvoldoende is om te concluderen dat appellante niet meer in Nederland woont.

LJN AN8062 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De Raad stelt vast dat met de gekozen wijze van verzending vanuit Marokko het risico op termijnoverschrijding aanwezig is. Uit de door appellant overgelegde medische verklaring blijkt niet dat hij op medische gronden buiten staat is geweest om zoveel eerder dan op de laatste dag van de beroepstermijn, desnoods in summiere of voorlopige vorm, een hogerberoepschrift in te zenden.

LJN AN8565 - Korting AOW-pensioen van 12% en korting AOW-toeslag van 14% wegens onverzekerde jaren. In geding is de vraag of appellante voldoende omstandigheden heeft aangevoerd om te kunnen aannemen dat zij - anders dan de uitschrijving uit het bevolkingsregister doet vermoeden - gedurende de periode in geding haar woonplaats in Nederland heeft behouden.

LJN AO0614 - Toekenning AOW-pensioen voor een ongehuwde maar weigering eenouderpensioen, omdat appellant slechts gedeeltelijke kinderbijslag ontvangt voor het kind waarover appellant en zijn ex-echtgenote in co-ouderschap gezamenlijk het ouderlijk gezag uitoefenen en omdat het kind ook tot het huishouden van een ander (dat van appellants ex-echtgenote) behoort. De Raad acht de door de SVB voorgestane wetsuitleg, ertoe leidend dat beide co-ouders niet in aanmerking kunnen komen voor een eenouderpensioen, in ieder geval in strijd met doel en strekking van artikel 9, eerste lid, aanhef en onder c, van de AOW.

LJN AO1609 - Intrekking AOW-toeslag in verband met het bereiken van de 65-jarige leeftijd van de samen met appellant in België wonende echtgenote en toekenning aan haar van een eigen AOW-pensioen. In geding is de vraag of zulks in strijd is met het gemeenschapsrecht, waarbij appellant met name heeft gewezen op de bepalingen inzake het vrije verkeer.

LJN AO1672 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag of de SVB het nabetaalde AOW-pensioen heeft mogen verrekenen met de vordering en bij de berekening van de beslagvrije voet geen rekening hoefde te houden met de door de haar ingehouden (verplichte) ziekenfondspremie.

LJN AO1677 - Toekenning AOW-pensioen van 2% van het maximale pensioen van een gehuwde. Het bestreden besluit steunt op de overweging dat appellante, die nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt, aan het nationale recht geen recht op pensioen ingevolge de AOW kan ontlenen. De Raad stelt voorop dat in de onderhavige procedure uitsluitend (nog) in geschil is de periode van 17 september 1981 tot 16 december 1987, aangezien alleen in deze periode appellantes echtgenoot op grond van het verrichten van arbeid verzekerd is geweest voor de AOW, terwijl appellante toen als werknemer in Duitsland pensioenrechten heeft opgebouwd.

LJN AO3131 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 92% van het pensioen voor een gehuwde, waarbij is overwogen dat appellant niet voldoet aan één van de (nationale) voorwaarden op grond waarvan het tijdvak vanaf zijn 15e verjaardag tot 1 januari 1957 als verzekerd tijdvak in aanmerking kan worden genomen, omdat hij niet in Nederland woont, maar dat dit tijdvak wel als verzekerd tijdvak in aanmerking kan worden genomen op grond van Bijlage VI bij Vo. 1408/71. Na verhuizing van Frankrijk naar niet-EU-land Zwitserland is het AOW-pensioen herzien en nader vastgesteld op 66% van het pensioen voor een gehuwde. Hetgeen appellant stelt met betrekking tot de betreffende internationaalrechtelijke regels wordt niet gevolgd door de Raad.

LJN AO3758 - Toekenning uitkering gemoedsbezwaarden AOW met terugwerkende kracht van niet meer dan één jaar vóór de datum van aanvraag omdat geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, tweede volzin, van de AOW. De datum van aanvraag is later dan de mogelijke ingangsdatum van de uitkering gemoedsbezwaarden AOW omdat appellant geen nadere actie heeft ondernomen. De Raad oordeelt dat dit voor rekening van appellant blijft.

LJN AO3959 - Toekenning maximale AOW-pensioen voor een gehuwde omdat geen sprake is van duurzaam gescheiden levende echtgenoten en dat de feitelijke situatie per datum van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd niet afwijkt van de situatie ervoor. In geding is de vraag of appellanten terecht stellen dat zij met ingang van voornoemde datum duurzaam gescheiden hebben geleefd en dat zij op die grond ieder afzonderlijk in aanmerking komen voor een AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde.

LJN AO4347 - Toelating tot de vrijwillige AOW-verzekering over de periode 20 mei 1967 tot 25 september 1996, de datum waarop de verplichte AOW-verzekering is ingegaan voor appellante, die de Filippijnse nationaliteit bezit. Op basis van de premie over het jaar 1996, te weten ƒ6980,-, bedraagt de verschuldigde premie: (10.565 : 360) x ƒ6980,- = ƒ204.843,-. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit, voor zover daarbij aan appellante is geweigerd haar tegen gereduceerd tarief toe te laten tot de vrijwillige AOW-verzekering op de enkele grond dat zij niet de Nederlandse nationaliteit bezit, in rechte geen stand kan houden.

LJN AO4350 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat gedaagdes in Turkije wonende en aldaar overleden echtgenoot niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige AOW/Anw-verzekering aangezien het verzoek daartoe niet is ingediend binnen één jaar na de beëindiging van zijn verplichte AOW/Anw-verzekering. De Raad oordeelt dat de rechtbank ten onrechte heeft aangenomen dat gedaagdes zoon de bezwaar- en beroepsprocedure op eigen titel heeft gevoerd, hetgeen leidt tot de slotsom dat de rechtbank Dordrecht zich ten onrechte bevoegd heeft geacht. Nu gedaagde als belanghebbende partij is in de bezwaar- en beroepsprocedure, zij woonachtig is in Turkije en de SVB haar zetel in Amstelveen heeft, is de rechtbank Amsterdam de bevoegde rechtbank.

LJN AO5319 - Herziening AOW-uitkering wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Anders dan de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens in het onderhavige geval toereikend zijn voor de conclusie dat gedaagde en zijn partner ten tijde hier in geding zowel aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse verzorging voldeden, zodat geen sprake is van een kostgangersrelatie.

LJN AO6205 - Herziening AOW-pensioen en -toeslag naar 50% van het wettelijk minimumloon vanwege een wijziging dienaangaande van de AOW. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellant gesignaleerde ongelijkheid inzake de zogeheten 70/30%-regeling is terug te voeren op het onderscheid tussen pensioengerechtigden met een partner jonger dan 65 jaar die (een aantal jaren) niet verzekerd is (geweest) voor de AOW en pensioengerechtigden met een partner jonger dan 65 jaar die wel vanaf de 15-jarige leeftijd ononderbroken verzekerd is voor de AOW.

LJN AO6209 - Intrekking en terugvordering AOW-toeslag wegens (verzwegen) inkomsten uit arbeid van appellants echtgenote. De invordering geschiedt middels maandelijkse inhoudingen van ƒ350,- op het AOW-pensioen, welk bedrag in overleg met appellant is vastgesteld. In geding is de vraag of appellant terecht aanvoert dat er dringende redenen zijn om af te zien van terugvordering omdat de AOW-toeslag tijdens appellants detentie, buiten zijn beeld, feitelijk aan zijn echtgenote werd betaald, die appellant op diverse wijzen zou hebben opgelicht.

LJN AO6218 - Toekenning AOW-pensioen onder toepassing van een korting van 82% wegens 41 onverzekerde jaren. Appellant kan geen aanspraak maken op de overgangsvoordelen op grond van de AOW omdat hij niet in Nederland woont. De Raad oordeelt dat onbekendheid met de regels inzake de AOW geen aanleiding vormen tot het aannemen van een bijzonder geval.

LJN AO6221 - Herziening AOW-pensioen van een alleenstaande naar die van een gehuwde wegens gezamenlijke huishouding bij geregistreerd partnerschap. De Raad acht doorslaggevend dat appellant tijdens het buitendienstbezoek heeft verklaard dat hij iedere week van vrijdag tot en met dinsdag bij zijn partner verblijft, dat zij al jaren samen op vakantie gaan en ook andere activiteiten gezamenlijk ondernemen. Aan deze conclusie doet niet af dat appellant en zijn partner ieder over een eigen huishouden beschikken en dat er geen financiële verstrengelingen zijn. Appellant kan derhalve niet als duurzaam gescheiden levend worden aangemerkt.

LJN AO6227 - Herziening AOW-pensioen van een alleenstaande naar die van een gehuwde wegens gezamenlijke huishouding. Appellant stelt een LAT-huwelijk te zijn aangegaan: beide huwelijkspartners hebben hun eigen woning aangehouden en zij hebben huwelijksvoorwaarden gesloten waarbij is overeengekomen dat de kosten van ieders huishouding door de respectieve bewoner worden gedragen. In geding is de vraag of terecht is aangenomen dat appellant niet als duurzaam gescheiden levend kan worden aangemerkt en terecht is besloten het hem toegekende AOW-pensioen voor een ongehuwde te herzien in een pensioen voor een gehuwde.

LJN AO6231 - Toekenning AOW-pensioen voor een gehuwde omdat sprake is van zodanige zorg ten opzichte van elkaar dat niet gezegd kan worden dat beiden afzonderlijk hun eigen leven leiden alsof zij niet met elkaar gehuwd zijn. In geding is de vraag of er vanaf de datum van het huwelijk sprake is van duurzaam gescheiden leven als bedoeld in artikel 1, derde lid, onderdeel b, van de AOW en er in casu sprake is van een bijzondere situatie.

LJN AO6277 - Toekenning AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde of een ongehuwde meerderjarige die met een andere ongehuwde meerderjarige een gezamenlijke huishouding voert. Appellante, die voordien een Anw-uitkering ontving, deelt haar woning met haar gehandicapte broer. De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat appellante en haar broer hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning en dat ook is voldaan het vereiste van wederzijdse zorg. Daarbij tekent de Raad aan dat de AOW, anders dan de Anw, geen regeling bevat die is toegesneden op de situatie van een gezamenlijke huishouding ten behoeve van de verzorging van een hulpbehoevende.

LJN AO6369 - Herziening AOW-pensioenen naar de norm voor een gehuwde omdat gedaagden een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat op grond van de door de rechtbank genoemde feiten en omstandigheden niet is voldaan aan het criterium van wederzijdse verzorging.

LJN AO6488 - Herziening AOW-pensioenen naar de norm voor een gehuwde wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat er sprake is van een zakelijke kostgangersrelatie en derhalve niet van een gezamenlijke huishouding.

LJN AO6591 - Weigering AOW-pensioen omdat appellante nimmer verzekerd is geweest voor de AOW. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens overschrijding van de bezwaartermijn, waarbij niet is gebleken van redenen om deze overschrijding verschoonbaar te achten. Ook de Raad is van oordeel dat niet is gebleken van redenen om de termijnoverschrijding verschoonbaar te achten.

LJN AO6596 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde wegens gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat van duurzaam gescheiden leven vanaf de huwelijksdatum in het onderhavige geval geen sprake is. Uit het onderzoeksrapport komt naar voren dat appellant en zijn echtgenote elke week vanaf vrijdag tot en met maandag of dinsdag bij elkaar zijn, dat zij gezamenlijke sociale verplichtingen zoals verjaardagen hebben en dat zij samen op vakantie gaan.

LJN AO6598 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW-verzekering omdat gedaagde zich daarvoor niet tijdig, dat wil zeggen binnen één jaar na het einde van zijn verplichte verzekering, heeft aangemeld. Volgens de Raad heeft de rechtbank terecht overwogen dat er over het tijdvak waarin gedaagde niet meer verplicht was verzekerd ten onrechte premies volksverzekeringen op zijn WAO-uitkering zijn ingehouden. Beleid van de SVB is dat indien de betrokkene redelijkerwijs in de veronderstelling kon verkeren verzekerd te zijn geweest, een uitzondering kan worden gemaakt op de regel dat aanmelding voor vrijwillige verzekering binnen één jaar moet plaatsvinden. Indien de veronderstelling wordt geuit binnen één jaar nadat de verplichte premiebetaling is gestopt, kan eveneens voortzetting van de vrijwillige verzekering worden aangeboden.

LJN AO6599 - Toekenning AOW-pensioen voor een gehuwde onder toepassing van een korting van 90% wegens 45 onverzekerde jaren. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat betrokkene op grond van zijn WAO-uitkering niet verzekerd is geweest voor de AOW aangezien hij gelijktijdig een Italiaanse arbeidsongeschiktheidsuitkering heeft ontvangen, welke uitkering in de weg staat aan het verzekerd zijn ingevolge de Nederlandse volksverzekeringen van een persoon die in het buitenland woont.

LJN AO6600 - Korting AOW-toeslag wegens het niet verzekerd zijn voor de AOW van betrokkenes echtgenote in de periode in geding. De Raad stelt vast dat betrokkenes echtgenote, daargelaten de vraag of zij destijds ingezetene van Nederland was, in voornoemde periode werkzaam en verzekerd was in het Verenigd Koninkrijk zodat op grond van het socialezekerheidsverdrag met het Verenigd Koninkrijk in die periode op haar de wetgeving van het Verenigd Koninkrijk van toepassing was en van verzekering in Nederland geen sprake kon zijn.

LJN AO7635 - Intrekking AOW-toeslag als gevolg van de door appellants echtgenote ontvangen FPU-uitkering. In geding is de vraag of de FPU-uitkering dient te worden aangemerkt als een uitkering op grond van een regeling voor vervroegde uittreding of een regeling die daar naar aard en strekking mee overeenkomt, welke op grond van het bepaalde in artikel 7, eerste lid, aanhef en onder d, van het Inkomensbesluit AOW 1996 als inkomen in verband met arbeid in het bedrijfs- of beroepsleven dient te worden beschouwd en derhalve op de AOW-toeslag in mindering dient te worden gebracht.

LJN AO7669 - Intrekking en terugvordering AOW-toeslag in verband met het inkomen van appellants partner, waarbij een vast bedrag per maand op het AOW-pensioen in mindering wordt gebracht. Ook al wil de Raad wel aannemen dat appellant niet de bedoeling heeft gehad opzettelijk onjuiste informatie te verstrekken, toch is de Raad van oordeel dat zulks niet wegneemt dat hij had kunnen en moeten begrijpen dat hij ook het weduwepensioen van zijn partner op de betreffende formulieren had dienen te vermelden.

LJN AO8070 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat de vooraankondiging van de terugvordering met een betalingsvoorstel geen (appellabel) besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb, zodat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit het door de SVB ingestelde onderzoek voldoende is gebleken dat betrokkene en haar partner sedert 1980 een gezamenlijke huishouding voeren als bedoeld in artikel 1, vierde lid, van de AOW. Ten aanzien van betrokkenes stelling dat zij haar hoofdverblijf tot november 1997 in Amsterdam had, heeft de rechtbank terecht overwogen dat het verzorgen van haar moeder nog niet betekent dat betrokkene haar hoofdverblijf toen in Amsterdam had.

LJN AO8169 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in Mexico wonende appellant niet binnen één jaar na beëindiging van de verplichte AOW/Anw-verzekering een aanvraag voor vrijwillige verzekering heeft ingediend. De Raad oordeelt dat, nu appellant niet verzekerd wordt beschouwd op grond van het feit dat hij niet in Nederland woont en/of werkt, de hardheidsclausule op hem niet van toepassing is.

LJN AO8652 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in Marokko wonende appellant niet binnen één jaar na beëindiging van de verplichte AOW/Anw-verzekering een aanvraag voor vrijwillige verzekering heeft ingediend. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat appellant de aanvraag als voornoemd te laat heeft ingediend en dat onbekendheid met de regelgeving volgens vaste jurisprudentie niet een omstandigheid oplevert waarin van de betreffende dwingendrechtelijke bepalingen kan worden afgeweken. Bovendien blijkt uit de gedingstukken dat appellant ten tijde van zijn vestiging in Marokko door een medewerker van het GUO (belast met de uitvoering van de WAO) op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering is gewezen.

LJN AO8723 - Toekenning AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde omdat appellant met zijn broer een gezamenlijke huishouding voert. In geding is de vraag of sprake is van een kostgangersrelatie dan wel van twee autonome huishoudens. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde datum zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan.

LJN AO8735 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde omdat appellant met zijn broer een gezamenlijke huishouding voert. In geding is de vraag of sprake is van een kostgangersrelatie dan wel van twee autonome huishoudens. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde datum zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan.

LJN AO9042 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in Marokko wonende appellant niet binnen één jaar na beëindiging van de verplichte AOW/Anw-verzekering een aanvraag voor vrijwillige verzekering heeft ingediend. Met de SVB en de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant om voornoemde reden niet bevoegd was tot de vrijwillige verzekering toe te treden.

LJN AO9049 - Herziening AOW-pensioenen met terugwerkende kracht tot en met 1 augustus 1995 naar de norm voor een gehuwde wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag of appellanten op de in geding zijnde data voldoen zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg.

LJN AO9462 - Afwijzing verzoek om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit, waarbij appellant als in Nederland werkzaam geweest Frans ambtenaar van de Europese Commissie heeft verzocht om de aan hem verleende vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen alsnog op een eerdere datum dan de datum in geding te doen laten ingaan. De Raad stelt vast dat in dit geding een combinatie van omstandigheden als door het HvJ EG genoemd niet aan de orde is, zodat de SVB niet gehouden is het oorspronkelijk besluit opnieuw te onderzoeken in het licht van relevante bepalingen van gemeenschapsrecht.

LJN AP0533 - Vaststelling hoogte netto-AOW-pensioen. De Raad oordeelt dat de brief ter zake van de wijziging van het netto uit te betalen bedrag een (appellabel) besluit is in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. In geschil is of artikel 9 van de AOW een minimumgarantie bevat in die zin dat deze bepaling de SVB verplicht om aan appellant een netto-AOW-pensioen uit te betalen ter hoogte van het wettelijk minimumloon, ongeacht of appellant de loonheffingskorting laat toepassen door de SVB of door een andere werkgever/uitkeringsinstantie.

LJN AP0535 - Weigering toelating tot de vrijwillige Anw-verzekering. In geding is de vraag of appellant terecht stelt dat hij verzekerd is gebleven op grond van de door hem ontvangen overbruggingsuitkering en dat PGGM ten onrechte geen premies op die uitkering heeft ingehouden. De Raad oordeelt dat uit de toepasselijke regelgeving niet volgt dat appellant op grond van de door hem ontvangen overbruggingsuitkering verplicht verzekerd was voor de Anw. Over die uitkering waren derhalve geen premies verschuldigd.

LJN AP0537 - Intrekking AOW-toeslag omdat appellants partner in de maand in geding 65 jaar wordt. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad oordeelt dat de SVB heeft nagelaten te vragen naar de reden van de termijnoverschrijding zoals bedoeld in artikel 6:11 van de Awb. De Raad vernietigt derhalve de aangevallen uitspraak en het bestreden besluit, met dien verstande dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

LJN AP0538 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens hogere inkomsten uit arbeid van gedaagdes partner. Anders dan de rechtbank oordeelt de Raad dat de aankondiging van de terugvordering in de begeleidende brief geen (appellabel) besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb is. Er is geen sprake van een prematuur bezwaar nu gedaagde op grond van de tekst van voornoemde brief redelijkerwijs niet kon menen dat reeds een besluit over de terugvordering tot stand was gekomen.

LJN AP1016 - Weigering AOW-pensioen omdat appellant niet verzekerd is geweest voor de AOW. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad oordeelt dat de SVB heeft verzuimd te vragen naar de redenen van de termijnoverschrijding. Voorts oordeelt de Raad dat appellant rekening diende te houden met het trage Argentijnse postverkeer.

LJN AP1520 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens inkomsten uit arbeid van appellants echtgenote. De Raad oordeelt dat het door de SVB aan het bestreden besluit ten grondslag gelegde - uit het strafrechtelijk onderzoek afkomstige - bewijsmateriaal onrechtmatig is verkregen en uit dien hoofde niet mag meewerken tot het bewijs in de onderhavige procedure. Het houden van een hoorzitting is in strijd met artikel 7:2 van de Awb afhankelijk gesteld van een daaraan voorafgaand verzoek van de SVB om verlenging van de behandeltermijn van het bezwaar.

LJN AP1553 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. Afwijzing van het verzoek om deelname aan de vrijwillige AOW-verzekering en de op het militair weduwenrijkspensioen ingehouden loonbelasting, meer specifiek de ingehouden en afgedragen AOW-premie, te beschouwen als premie betaald voor de vrijwillige verzekering. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat het verzoek om deelname aan de vrijwillige AOW-verzekering te laat is ingediend en dat de destijds betaalde loonbetaling niet kan worden aangemerkt als voor de vrijwillige AOW-verzekering ingehouden dan wel betaalde premie.

LJN AP1686 - Herziening AOW-pensioen en toekenning AOW-toeslag wegens gezamenlijke huishouding. De AOW-toeslag kan niet eerder ingaan dan één jaar vóór de datum waarop de gezamenlijke huishouding is geconstateerd. In geding is de vraag of appellant op de in geding zijnde data voldoet zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg.

LJN AP1900 - Herziening AOW-pensioenen naar de norm voor een gehuwde wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens in het onderhavige geval toereikend zijn voor de conclusie dat appellanten op de in geding zijnde data zowel aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse verzorging voldeden, zodat geen sprake is van een kostgangersrelatie.

LJN AP4556 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens in het onderhavige geval toereikend zijn voor de conclusie dat appellant op de in geding zijnde data zowel aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse verzorging voldeed.

LJN AP4596 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde wegens gezamenlijke huishouding met een partner van Canadese nationaliteit die ongeveer negen maanden per jaar op het adres van appellant woont. De Raad oordeelt dat is voldaan zowel aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse verzorging. Dat geen sprake zou zijn van enig schaalvoordeel doordat appellants partner haar woning in Canada aanhoudt en niet wezenlijk bijdraagt in de kosten van haar verblijf bij appellant, doet aan vorenstaande conclusie niet af.

LJN AP4598 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een alleenstaande in verband met duurzaam gescheiden leven van appellanten per datum van opname van appellant in een verzorgingshuis. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de SVB terecht de telefonische mededeling door appellante inzake het verblijfadres van haar echtgenoot, zijnde het adres van een verpleeginrichting, niet heeft aangemerkt als een aanvraag tot herziening van het AOW-pensioen van appellanten, zodat per eerdere datum het AOW-pensioen diende te worden herzien.

LJN AP4599 - Toekenning AOW-pensioen met een terugwerkende kracht van niet meer dan één jaar omdat er geen aanleiding is om met toepassing van artikel 16, tweede lid, van de AOW het pensioen eerder te doen ingaan nu niet is gebleken dat er sprake is van een bijzonder geval. Appellantes echtgenoot heeft de aanvraag namens appellante, die altijd in Marokko heeft gewoond, pas ingediend toen hij zelf de 65-jarige leeftijd bereikte, omdat hij meende dat zij pas vanaf dat moment recht zou hebben op een AOW-pensioen. In geding is de vraag of de SVB een aanvraag diende te bevorderen.

LJN AQ0941 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 10% van het maximale pensioen voor een gehuwde aangezien appellant gedurende de perioden in geding niet verzekerd is geweest voor de volksverzekeringen. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat vanwege zijn Joegoslavische arbeidsongeschiktheidsuitkering appellant niet verzekerd was voor de volksverzekeringen op grond van de opeenvolgende Besluiten uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen.

LJN AQ1018 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag. De Raad oordeelt dat het beroep in eerste aanleg ten onterechte niet-ontvankelijk is verklaard, omdat de datum van aanvang van de beroepstermijn niet met zekerheid is vast te stellen. Niet-aangetekende verzending of verzending zonder bevestiging van ontvangst van het besluit komt voor risico van de SVB. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN AQ1023 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep omdat niet-verschoonbaar geen griffierecht is betaald. Nu op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest, acht de Raad het hoger beroep kennelijk niet-ontvankelijk, zodat zonder verder onderzoek wordt beslist.

LJN AQ1027 - Beëindiging AOW-pensioen wegens overlijden van de betrokkene, waarbij er geen rechthebbenden zijn voor een AOW-overlijdensuitkering. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de systematiek van de AOW en de wetsgeschiedenis voortvloeit dat er op de dag na het overlijden van de betrokkene geen recht meer bestaat op AOW-pensioen.

LJN AQ6264 - Herziening AOW-pensioenen naar de norm voor een gehuwde wegens het aangaan van een geregistreerd partnerschap. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft geoordeeld dat gedaagden op en na de datum in geding duurzaam gescheiden leefden, zodat geen sprake is van een gezamenlijke huishouding.

LJN AQ6268 - Niet-ontvankelijkverklaring verzet wegens niet-verschoonbare overschrijding van de verzetstermijn. De Raad is van oordeel dat opposant ter sauvering van de verzetstermijn een voorlopig verzetschrift had kunnen laten indienen. Dat hij dat niet heeft gedaan, moet voor zijn rekening blijven.

LJN AQ6803 - Toekenning AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde omdat appellant op hetzelfde adres woont als zijn (hulpbehoevende) stiefvader. Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken, verschilt bloedverwantschap in de eerste graad zodanig van aanverwantschap dat de wetgever op objectieve en redelijke gronden tot het gemaakte onderscheid tussen bloedverwanten en aanverwanten heeft kunnen komen. Ook de omstandigheid dat (thans) wordt samengewoond met het oog op de hulpbehoevendheid van de stiefvader staat niet in de weg aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding.

LJN AQ6805 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde omdat appellant, die hulpbehoevend is, op hetzelfde adres woont als zijn stiefzoon. Zoals de Raad reeds eerder heeft uitgesproken, verschilt bloedverwantschap in de eerste graad zodanig van aanverwantschap dat de wetgever op objectieve en redelijke gronden tot het gemaakte onderscheid tussen bloedverwanten en aanverwanten heeft kunnen komen. Ook de omstandigheid dat (thans) wordt samengewoond met het oog op appellants hulpbehoevendheid staat niet in de weg aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding.

LJN AQ7011 - Afwijzing verzoek om herziening van het in rechte onaantastbaar geworden besluit inzake de ingangsdatum van de vrijstelling van de verplichte verzekeringsplicht voor de AOW, AKW en Anw, omdat er geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden aangezien het hier omstandigheden betreft die betrokkene bekend waren dan wel konden zijn ten tijde van zijn eerste aanvraag en hij deze omstandigheden bij zijn eerste aanvraag dan wel in een bezwaarprocedure naar voren had kunnen brengen.

LJN AQ7063 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde wegens het aangaan van een huwelijk. Met de rechtbank acht de Raad doorslaggevend dat appellant heeft verklaard dat hij en zijn echtgenote enkele malen per week bij elkaar verblijven, gezamenlijk activiteiten ondernemen en dat appellant in zijn testament een zorgplicht jegens zijn echtgenote heeft erkend. Aan deze conclusie doet niet af dat appellant en zijn echtgenote ieder over een eigen huishouden beschikken en dat er geen financiële verstrengelingen zijn. Ook het gestelde dat appellant en zijn echtgenote een huwelijk zijn aangegaan om de nalatenschap na het overlijden veilig te stellen, leidt de Raad niet tot een ander oordeel.

LJN AQ8133 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in Marokko wonende gedaagde in het jaar voorafgaande aan het verzoek niet verplicht verzekerd is geweest. De Raad oordeelt dat nu het bestreden besluit op de juiste wijze is bekendgemaakt, het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

LJN AQ8815 - Berekening AOW-pensioen en -toeslag. Omdat van onjuiste pensioenbedragen is uitgegaan, oordeelt de Raad dat het beroep dat appellanten geacht worden te hebben ingesteld, gegrond moet worden verklaard en dat het bestreden besluit wegens strijd met de betreffende bepalingen van de AOW dient te worden vernietigd.

LJN AR1491 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering. De Raad oordeelt dat, nu in Marokko wonende appellante de van belang zijnde inlichtingen reeds had verschaft en de SVB daarover beschikte, niet de in de betreffende regelgeving bedoelde situatie aan de orde is waarin de bevoegdheid van een belanghebbende zich vrijwillig te verzekeren, vervalt. Dit betekent dat appellante overeenkomstig haar aanmelding reeds vrijwillig verzekerd was, zodat de SVB ten onrechte het inzenden van het betreffende formulier op de datum in geding als een nieuwe (en te late aanmelding) heeft beschouwd.

LJN AR1990 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde datum zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De Raad ziet in de omstandigheden van appellant geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

LJN AR2786 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering. Ook de Raad oordeelt dat een vrijwillige verzekering alleen mogelijk is in aansluiting op een periode van verplichte verzekering ingevolge de AOW en Anw, aan welke voorwaarde in Turkije wonende appellant niet voldoet.

LJN AR2788 - Vaststelling hoogte van het gezamenlijk AOW-pensioen van appellant en zijn echtgenote, die nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Ook in hoger beroep heeft in Marokko wonende appellant aangegeven dat hij niet verzoekt om een AOW-toeslag, maar dat hij verzoekt het AOW-pensioen van zijn echtgenote vast te stellen op een zodanig bedrag dat vanaf de datum in geding tezamen met zijn AOW-pensioen een bedrag wordt ontvangen gelijk aan hetgeen hij vóór die datum aan AOW-pensioen en -toeslag ontving. De Raad stelt vast dat de SVB in het bestreden besluit niet is ingegaan op deze bezwaren.

LJN AR2789 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 14% van de norm voor een gehuwde met een terugwerkende kracht van één jaar. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat in de VS wonende appellant na het bereiken van de leeftijd van 65 jaar onvoldoende activiteit en oplettendheid heeft getoond inzake het tijdig aanvragen van het AOW-pensioen of het inwinnen van informatie daarover.

LJN AR2790 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in Marokko wonende appellante voorafgaande aan de door haar gewenste vrijwillige verzekering niet verplicht verzekerd is geweest ingevolge de AOW en Anw. De Raad oordeelt dat aan appellante weliswaar per datum in geding een uitkering krachtens de Anw is toegekend, maar dat zij voorafgaande aan de toekenning van dat recht woonde noch werkte in Nederland en dat voorts niet is gebleken dat zij toen op een andere grond verplicht verzekerd was ingevolge de AOW/Anw.

LJN AR3431 - Afwijzing verzoek om herziening van het in rechte onaantastbaar geworden besluit inzake de weigering om toegelaten te worden tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering. De Raad oordeelt dat de SVB bevoegd is om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen wegens gebrek aan nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit.

LJN AR3432 - Terugvordering te veel betaalde Anw-uitkering en niet AOW-pensioen zoals vermeld in de bestreden besluiten. De Raad oordeelt dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens overschrijding van de bezwaartermijn.

LJN AR3438 - Afwijzing verzoek om herziening van het in rechte onaantastbaar geworden besluit inzake de weigering om toegelaten te worden tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering. De Raad oordeelt dat de SVB bevoegd is om met toepassing van artikel 4:6, tweede lid, van de Awb de aanvraag af te wijzen wegens gebrek aan nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en voor de motivering van die beslissing te volstaan met te verwijzen naar het eerdere, in rechte onaantastbaar geworden besluit.

LJN AR3441 - Weigering AOW-pensioen omdat in Marokko wonende appellante nimmer verzekerd is geweest voor de AOW. De Raad stelt vast dat onduidelijk is gebleven of, en zo ja, hoe de SVB appellante in 1991 heeft geïnformeerd over haar pensioenrechten. De Raad oordeelt dat het bestreden besluit onzorgvuldig is voorbereid en genomen en op die grond niet in stand kan blijven.

LJN AR3458 - Alsnog toekenning maximale AOW-toeslag per 1 juni 2000 nu ingevolge een uitspraak van de Raad een Wuv-uitkering niet langer als inkomen uit of in verband met arbeid op de AOW-toeslag in mindering mag worden gebracht. In geding is de vraag of toekenning met verdere terugwerkende kracht had dienen plaats te vinden.

LJN AR4478 - Herziening AOW-pensioen naar de norm van een gehuwde wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde datum zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Tevens overweegt de Raad dat hij geen betekenis toekent aan het gegeven dat het openbaar ministerie wegens gebrek aan bewijs geen strafvervolging tegen appellant heeft ingesteld.

LJN AR4853 - Toekenning voorschot op AOW-pensioen. Omdat voorschotverlening ten tijde in geding een discretionaire bevoegdheid van de SVB betreft, komt de Raad ten aanzien van de gebruikmaking van die bevoegdheid slechts een beperkte toetsing toe. De Raad oordeelt dat een besluit tot voorschotverlening geen definitief besluit omtrent het recht op AOW-pensioen is. Appellants grieven kunnen geen grond vormen tot aantasting van het besluit tot voorschotverlening en dienen aan de orde te komen in de bezwaarschriftprocedure tegen het besluit dat het recht op het AOW-pensioen tot onderwerp heeft.

LJN AR5240 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 50% van het volledige pensioen voor een persoon die woont in een land waarvoor de Wet BEU geldt. De Raad oordeelt dat in Argentinië wonende appellant geen aanspraak kan maken op de zogenoemde overgangsvoordelen. Voorts heeft de Wet BEU voor gehuwde pensioengerechtigden met een partner van 65 jaar of ouder - zoals appellant - geen gevolgen voor de hoogte van het AOW-pensioen. Er is geen sprake van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.

LJN AR5258 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep bij de rechtbank omdat in Marokko wonende appellante het verschuldigde griffierecht niet-verschoonbaar niet heeft betaald. De Raad oordeelt dat, nu appellante middels de door haar overgelegde bonnen voldoende aannemelijk heeft gemaakt een poging te hebben gedaan het griffierecht te betalen, welke poging kennelijk niet tot resultaat heeft geleid als gevolg van omstandigheden gelegen buiten de invloedssfeer van appellante, de rechtbank haar nadat was gebleken van de hiervoor bedoelde poging alsnog in de gelegenheid had moeten stellen het griffierecht (aantoonbaar) te betalen. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN AR6072 - Vaststelling AOW-pensioen op 48% van de norm voor een gehuwde en intrekking van de eerder aan appellant toegekende AOW-toeslag omdat appellants huwelijkspartner de 65-jarige leeftijd heeft bereikt. Hangende het hoger beroep heeft de SVB appellants AOW-pensioen met ingang van de datum in geding gewijzigd in een AOW-pensioen voor een alleenstaande, waarmee de SVB volledig aan appellants beroep is tegemoetgekomen. De Raad verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk wegens gebrek aan belang en veroordeelt de SVB in de proceskosten in beroep en in hoger beroep.

LJN AR6534 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep omdat appellante heeft verzuimd het verschuldigde griffierecht te voldoen. De Raad acht de overschrijding van de termijn voor betaling van het griffierecht verschoonbaar omdat appellante middels het door haar overgelegde afschrift van het document van het Bureau de Poste Nador te Marokko voldoende aannemelijk heeft gemaakt een poging te hebben gedaan het griffierecht te betalen, welke poging kennelijk niet tot resultaat heeft geleid als gevolg van omstandigheden gelegen buiten de invloedssfeer van appellante. De Raad wijst de zaak terug naar de rechtbank.

LJN AR6537 - Weigering AOW-pensioen omdat in Groot-Brittannië wonende appellante nimmer verzekerd is geweest krachtens de AOW. De Raad oordeelt dat onvoldoende is onderzocht of appellante mogelijk op grond van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen voor de AOW verzekerd is geweest op grond van haar nabestaandenpensioen krachtens de AWW.

LJN AR6539 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in Marokko wonende appellante, die nooit in Nederland gewoond of gewerkt heeft, niet verplicht verzekerd is geweest. Ook de Raad is van oordeel dat appellante niet verplicht verzekerd is geweest, zodat zij niet in aanmerking komt voor deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw.

LJN AR7371 - Weigering vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de AOW, Anw en AKW omdat appellant niet voldoet aan het vereiste dat de ontvangen Belgische uitkering ten minste gelijk is aan 70% van het Nederlandse wettelijk minimumloon. Evenals de rechtbank onderschrijft de Raad de conclusie van de SVB dat, gelet op de hoogte van het door appellant ontvangen pensioen, artikel 22, eerste lid, van KB 746 geen vrijstelling van de verzekeringsplicht mogelijk maakt.

LJN AR7374 - Vaststelling verschuldigde premie voor de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw. In geschil is of de SVB de door appellante verschuldigde vrijwillige premie ingevolge de AOW en Anw over 1998 en 2001 terecht heeft vastgesteld op de voor die jaren geldende minimale premie.

LJN AR7376 - Korting AOW-toeslag van 74% omdat appellants partner 37 jaren niet verzekerd is geweest voor de AOW. De Raad oordeelt dat het nieuwe besluit niet kan worden gezien als een loutere herhaling van het oude besluit, zodat de rechtbank het beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

LJN AR7380 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 96% van het volledige AOW-pensioen. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad oordeelt dat appellant een besluit van de SVB kon verwachten tijdens zijn vakantie. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad dient een betrokkene die voor een langere tijd afwezig is toereikende maatregelen te treffen ter behartiging van de eigen belangen.

LJN AR7737 - Schuldignalatigverklaring AOW-premie te betalen over de jaren 1995, 1996 en 1997. De Raad stelt vast dat in de loop van deze procedure de Belastingdienst appellant in de gelegenheid heeft gesteld alsnog aangifte te doen over 1997 en dat over dat jaar een nieuwe - reële - aanslag is opgelegd voor een lager bedrag, waardoor de ambtshalve aanslag is vervallen. Dit betekent dat de grondslag aan het bestreden besluit, voor zover betrekking hebbend op het jaar 1997, is komen te ontvallen nu niet langer sprake is van een ambtshalve aanslag als bedoeld in artikel 18, derde lid, onderdeel a, van de Wfv.

LJN AR8130 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een persoon die een gezamenlijke huishouding voert met een andere meerderjarige persoon. Weigering AOW-toeslag omdat het inkomen van appellantes inwonende stiefzoon zodanig is dat geen recht bestaat op AOW-toeslag. De Raad oordeelt dat het in de AOW gemaakte onderscheid tussen bloedverwanten in de eerste graad en aanverwanten gerechtvaardigd is.

LJN AR8492 - Korting AOW-toeslag in verband met inkomsten uit onderneming van appellants echtgenote. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of de SVB bij de vaststelling van het inkomen terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid, van het Inkomensbesluit AOW 1996, en zo ja, of dit artikellid op de juiste wijze is toegepast.

LJN AR8498 - Korting AOW-toeslag in verband met inkomsten uit onderneming van appellantes echtgenoot. Het geschil spitst zich met name toe op de vraag of de SVB bij de vaststelling van het inkomen terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 6, vierde lid, van het Inkomensbesluit AOW 1996, en zo ja, of dit artikellid op de juiste wijze is toegepast.

LJN AR8537 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Door opposant is in verzet niets aangevoerd dat aanleiding zou kunnen vormen om thans in andere zin te oordelen.

LJN AR8766 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 12% van het volledige ouderdomspensioen voor een gehuwde. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet is komen vast te staan dat appellant naast de zes verzekerde jaren verzekerd is geweest ingevolge de AOW.

LJN AS1906 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Door opposant is in verzet niets aangevoerd dat aanleiding zou kunnen vormen om thans in andere zin te oordelen.

LJN AS1908 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Hetgeen door opposante is aangevoerd, vormt naar het oordeel van de Raad onvoldoende grond om het verzuim van opposante te verontschuldigen.

LJN AS2231 - Proceskostenveroordeling in geval van tegemoetkoming aan de indiener van het (hoger)beroepschrift als bedoeld in artikel 8:75a van de Awb.

LJN AS2413 - Korting AOW-pensioen van 94% wegens 47 onverzekerde jaren. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar tegen het primaire voorschotbesluit wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Voorts heeft de SVB overwogen dat in Spanje wonende appellant op de datum waarop het besluit op bezwaar werd genomen geen belang meer had bij een beoordeling van dit bezwaar ten gronde nu reeds een definitief besluit over zijn AOW-pensioen was genomen. De Raad oordeelt dat het bezwaar tegen het primaire voorschotbesluit en het beroep tegen het bestreden besluit niet konden worden geacht mede te zijn gericht tegen het primaire toekenningsbesluit.

LJN AS2724 - Korting AOW-pensioen van 84% wegens 42 onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat uit de uitschrijving uit het bevolkingsregister moet worden afgeleid dat in de Verenigde Staten wonende appellante Nederland metterwoon heeft verlaten; het tegendeel is niet aangetoond. Het achterwege blijven van een hoorzitting acht de Raad terecht.

LJN AS2809 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. In geschil is de vraag of appellant in de periode in geding ingevolge de AOW verzekerd is geweest. Hij ontving weliswaar geen uitkering krachtens de AWW, maar hij had er naar zijn opvatting wel aanspraak op kunnen maken, zo hij die uitkering tijdig had aangevraagd.

LJN AS3251 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag met ingang van welke maand er sprake is van duurzaam gescheiden leven. Appellant is naar het oordeel van de Raad niet al zijn verplichtingen jegens de SVB nagekomen door niet reeds bij de aanvraag maar pas ruim een jaar later en slechts naar aanleiding van vragen van de SVB te melden dat hij en zijn echtgenote met ingang van de datum in geding niet op één en hetzelfde adres wonen.

LJN AS3253 - Toekenning AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde omdat verzoeker een gezamenlijke huishouding voert. De voorzieningenrechter van de Raad oordeelt dat het AOW-pensioen van verzoeker terecht wegens gezamenlijke huishouding op de norm voor een gehuwde is vastgesteld. Gelet op de wederzijdse zorg wonen verzoeker en zijn partner niet op commerciële basis in dezelfde woning.

LJN AS4883 - Weigering AOW-pensioen omdat in Turkije wonende appellant nimmer verzekerd is geweest. Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad stelt vast dat niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan redelijkerwijs zou moeten worden geoordeeld dat appellant niet in verzuim is geweest.

LJN AS4901 - Korting AOW-toeslag wegens inkomsten uit bedrijfspensioen van appellants partner. De Raad oordeelt dat het bedrijfspensioen moet worden aangemerkt als "inkomen in verband met arbeid", dat volledig op de AOW-toeslag in mindering moet worden gebracht. Daarbij merkt de Raad op dat slechts loondervingsuitkeringen welke worden ontvangen zolang de dienstbetrekking voortduurt, worden beschouwd als inkomen uit arbeid, zodat ten aanzien van deze categorie uitkeringen niet kan worden gezegd dat het door appellants echtgenote ontvangen bedrijfspensioen daarmee kan worden gelijkgesteld.

LJN AS6895 - Herziening AOW-pensioen voor een alleenstaande naar een AOW-pensioen voor een gehuwde omdat gebleken is dat verzoeker gehuwd is. Terugvordering van ten onrechte betaald AOW-pensioen. De voorzieningenrechter van de Raad oordeelt dat verzoeker terecht niet als duurzaam gescheiden levend is aangemerkt. De ingangsdatum van de herziening van het AOW-pensioen naar een pensioen voor een gehuwde is juist vastgesteld.

LJN AT0189 - Toekenning AOW-pensioen, waarbij in Zwitserland wonende appellant niet de zogeheten overgangsvoordelen AOW zijn toegekend. Niet-ontvankelijkverklaring beroep bij de rechtbank wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. De Raad stelt vast dat er geen redenen zijn aangevoerd die de termijnoverschrijding verschoonbaar maken.

LJN AT0328 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde datum zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Tevens overweegt de Raad dat hij geen betekenis toekent aan het gegeven dat de strafrechter appellante van de haar ten laste gelegde valsheid in geschrifte heeft vrijgesproken.

LJN AT0416 - Herziening AOW-pensioen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat op de in geding zijnde datum zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De Raad ziet in de omstandigheden van appellant geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen op grond waarvan de SVB de bevoegdheid toekwam om geheel of gedeeltelijk van herziening af te zien.

LJN AT0986 - Herziening AOW-pensioen voor een gehuwde in een AOW-pensioen voor een alleenstaande wegens duurzaam gescheiden leven. De Raad oordeelt dat uit de feitelijke omstandigheden van het geval blijkt dat sprake is van duurzaam gescheiden leven. Al hetgeen van de kant van appellant in hoger beroep is aangevoerd, kan geen afbreuk doen aan het feit dat bedoelde toestand medio 1999 is ingetreden.

LJN AT1588 - Vaststelling premie voor de vrijwillige verzekering op het maximale premie-inkomen omdat in Duitsland wonende appellant, na meerdere verzoeken daartoe, geen gegevens omtrent zijn inkomsten heeft verstrekt omdat dit hem te veel werk was. De Raad oordeelt dat de SVB de premie voor appellants vrijwillige verzekering terecht op de maximale heeft vastgesteld.

LJN AT2040 - Herziening AOW-pensioen in een ouderdomspensioen voor een gehuwde omdat geen sprake meer is van duurzaam gescheiden leven. Terugvordering van het te veel betaalde AOW-pensioen. Op grond van appellants verklaring, in samenhang bezien met de overige onderzoeksresultaten, is de Raad van oordeel dat in het geval van appellant en zijn ex-echtgenote geen sprake was van duurzaam gescheiden levende echtgenoten in de periode in geding.

LJN AT2850 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Vaste jurisprudentie van de Raad is dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door betrokkene ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking of wijziging van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

LJN AT2858 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Vaste jurisprudentie van de Raad is dat in het algemeen van de juistheid van een tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en door betrokkene ondertekende verklaring mag worden uitgegaan en dat aan een latere intrekking of wijziging van die verklaring geen doorslaggevende betekenis kan worden toegekend.

LJN AT2864 - Intrekking Anw-uitkering en toekenning AOW-pensioen en -toeslag in verband met het voeren van een gezamenlijke huishouding. De SVB acht appellant niet hulpbehoevend in de zin van de Anw. In geding is de vraag of sprake is van de door appellanten gestelde kostgangersrelatie of van een gezamenlijke huishouding en gelijkstelling met gehuwden.

LJN AT3919 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat de omstandigheid dat met betaling van het griffierecht is gewacht tot de aangevraagde toevoeging zou zijn afgegeven, geen omstandigheid is op grond waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest.

LJN AT3976 - Korting AOW-pensioen van 68% wegens 34 onverzekerde jaren. Naar het oordeel van de Raad is het bestreden besluit niet zorgvuldig voorbereid. Noch uit de brief van het GAK noch uit het betreffende nader overgelegde stuk kan de Raad afleiden dat appellants mate van arbeidsongeschiktheid in de voor dit geding relevante periode steeds minder dan 45% heeft bedragen. De SVB zal ter zake nader onderzoek dienen te verrichten.

LJN AT4331 - Korting AOW-pensioen en -toeslag van 10% onderscheidenlijk 2% wegens onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat de drie betreffende tijdvakken van verplichte verzekering ingevolge de Duitse wetgeving, op grond van de in de aangevallen uitspraak aangegeven regels van supranationaal recht en de vaste rechtspraak niet als verzekerde tijdvakken ingevolge de AOW kunnen worden aangemerkt.

LJN AT4561 - Korting AOW-pensioen van 18% wegens onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat de negen jaren dat appellant werkzaam is geweest bij een NAVO-onderdeel in Nederland en vrijgesteld was van premiebetaling, in aanmerking dienen te worden genomen als verzekerde jaren. De SVB heeft toetsing aan de hardheidsclausule van artikel 25 van KB 164 verzuimd.

LJN AT4582 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van verschoonbare termijnoverschrijding. Het hogerberoepschrift is blijkens de poststempel op de enveloppe na het verstrijken van de beroepstermijn ter post bezorgd.

LJN AT5003 - Toekenning AOW-pensioen aan in Zwitserland wonende appellanten zonder toekenning van de zogeheten overgangsvoordelen AOW. In geding is onder meer de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat de Overeenkomst Nederland-Zwitserland niet voorziet in toekenning van overgangsvoordelen in een situatie als hier aan de orde. Tot slot is de Raad van oordeel dat de in artikel 6 van het EVRM bedoelde redelijke termijn is overschreden.

LJN AT5072 - Herziening AOW-pensioenen naar de norm voor een gehuwde wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is van oordeel dat zowel in de zaak van appellant als in die van appellante de bevoegde rechtbank uitspraak heeft gedaan. Voorts is de Raad van oordeel dat met betrekking tot de gezamenlijke huishouding zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan.

LJN AT5213 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de SVB er terecht van is uitgegaan dat appellant sedert juni 1995 een gezamenlijke huishouding voerde met zijn partner. Volgens de Raad doet zich geen dringende reden voor die de SVB ertoe had moeten nopen geheel of gedeeltelijk van terugvordering af te zien.

LJN AT5265 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde wegens gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De Raad ziet voorts in de omstandigheden van appellante geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen om geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien. Naar aanleiding van hetgeen appellante in hoger beroep heeft aangevoerd, merkt de Raad nog op dat de ontvanger van een AOW-pensioen een actieve informatieplicht heeft.

LJN AT5339 - Korting AOW-pensioen van 20% wegens tien onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht heeft vastgesteld dat er geen nationale of internationale regel bestaat op grond waarvan in België wonende appellante gedurende het betreffende tijdvak als verzekerde kan worden aangemerkt. De Raad stelt vast dat appellante destijds tijdig is geïnformeerd over haar verzekeringspositie.

LJN AT5814 - Toekenning AOW-pensioen en -toeslag met een korting van onderscheidenlijk 24% en 52% wegens onverzekerde jaren. Voorschotverlening omdat de beschikking op de AOW-aanvraag binnen negen maanden zal worden toegezonden. De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht het verzoek tot vergoeding van immateriële schade heeft afgewezen. De gestelde emotionele schade kan niet worden gekwalificeerd als "een aantasting van zijn persoon" als bedoeld in artikel 6:106, eerste lid, onderdeel b, van het BW.

LJN AT6242 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat het bezwaar tegen de herziening van het AOW-pensioen terecht niet-ontvankelijk is verklaard. Termijnoverschrijding wegens ziekte en vakantie van appellantes gemachtigde wordt niet verschoonbaar geacht.

LJN AT6693 - Toekenning AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde die samenwoont. In geding is de vraag of de SVB zich terecht op het standpunt stelt dat er tussen gedaagde en zijn kostganger geen sprake is van een commerciële relatie, zodat de betalingen van gedaagde aan zijn kostganger moeten worden aangemerkt als een bijdrage in de kosten van de huishouding. Naar de mening van de SVB is er derhalve sprake van zowel gezamenlijk hoofdverblijf in dezelfde woning als van wederzijdse verzorging.

LJN AT7295 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag of de rechtbank terecht heeft overwogen dat gedaagde en haar partner wel hun hoofdverblijf hebben in dezelfde woning, maar dat geen sprake is van wederzijdse zorg, zodat van een gezamenlijke huishouding geen sprake is.

LJN AT7669 - Weigering AOW-pensioen omdat in Marokko wonende appellant nimmer verzekerd is geweest voor de AOW. Met de rechtbank oordeelt de Raad dat het bezwaar terecht niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. Appellant stelt ten onrechte dat hij nooit het in het Frans vertaalde en door CNSS aan hem doorgezonden besluit heeft ontvangen, nu in het bezwaarschrift onder vermelding van het juiste referentienummer wordt verwezen naar dat besluit.

LJN AT8032 - Herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met betrekking tot de stelling van appellant dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie overweegt de Raad dat dit onvoldoende aannemelijk is gemaakt.

LJN AT8180 - Afwijzing verzoek om veroordeling in de proceskosten omdat voor de op eigen naam verrichte proceshandelingen geen vergoeding van proceskosten kan worden toegekend. In vergoeding van kosten in verband met de voorbereiding van een zaak is in het Besluit proceskosten bestuursrecht niet (afzonderlijk) voorzien.

LJN AT8456 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Voor zover appellant meent dat de inwoning van zijn partner uitsluitend zijn oorzaak vindt in de hulpbehoevendheid aan de zijde van zijn partner, staat dit in het kader van de toepassing van de AOW niet in de weg aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding.

LJN AT8459 - Toekenning AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde of een ongehuwde die samenwoont. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat de SVB op goede gronden heeft aangenomen dat appellante en haar partner ten tijde van de aanvraag een gezamenlijke huishouding voerden in de zin van artikel 1 van de AOW. Voor zover appellante meent dat de inwoning bij haar partner uitsluitend zijn oorzaak vindt in haar hulpbehoevendheid, staat dit in het kader van de toepassing van de AOW niet in de weg aan het aannemen van een gezamenlijke huishouding.

LJN AT8503 - Schorsing en vervolgens herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens niet toereikend zijn voor de conclusie dat appellante en betrokkene vanaf 1 november 1991 aan het criterium van de wederzijdse verzorging voldeden. De financiële verstrengeling tussen appellante en betrokkene gaat in het algemeen niet verder dan het delen van de aan de woning verbonden vaste lasten.

LJN AT8584 - Beëindiging verplichte AOW-verzekering van in Marokko wonende appellant. De Raad overweegt dat de betreffende brief in elk geval op rechtsgevolg is gericht voor zover daarin is aangegeven dat geen premie meer op appellants WAO-uitkering zal worden ingehouden. Appellants brief van 19 november 2002 moet worden aangemerkt als een tegen het bestreden besluit gericht en tijdig ingediend beroepschrift, dat door de SVB had moeten worden doorgezonden naar de rechtbank. Daaruit vloeit voort dat de rechtbank appellants beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard.

LJN AT8585 - Toekenning AOW-pensioen en -toeslag. De Raad oordeelt dat de WAO-uitkering en het nabestaandenpensioen van appellants echtgenote terecht volledig in mindering zijn gebracht op de aan appellant toegekende AOW-toeslag. Naar vaste rechtspraak van de Raad is er een voldoende rechtvaardiging voor het onderling afwijkend regime ter zake van inkomstenverrekening tussen de AOW en Anw.

LJN AT9076 - Toekenning AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde wegens gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat medehuurderschap op zichzelf niet voldoende grond is voor de vaststelling dat er sprake is van (wederzijdse) zorg in de zin van artikel 1, vierde lid, van de AOW. De Raad wijst erop dat het feit dat de eigenaar van de woning met het verzoek om medehuurderschap heeft ingestemd geenszins impliceert dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

LJN AT9088 - Beëindiging Anw-uitkering en herziening AOW-pensioen van de norm voor een ongehuwde naar de norm voor een gehuwde wegens gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat medehuurderschap op zichzelf niet voldoende grond is voor de vaststelling dat er sprake is van (wederzijdse) zorg in de zin van artikel 1, vierde lid, van de AOW en artikel 3, derde lid, van de Anw. De Raad wijst erop dat het feit dat de eigenaar van de woning met het verzoek om medehuurderschap heeft ingestemd geenszins impliceert dat sprake is van een gezamenlijke huishouding.

LJN AT9102 - Toekenning volledig AOW-pensioen voor een gehuwde alsmede een AOW-toeslag ter hoogte van 36% van de volledige AOW-toeslag wegens 32 onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat de SVB onvoldoende heeft onderzocht of en hoe lang appellants partner als verzekerde krachtens de volksverzekeringen aangemerkt moet worden.

LJN AT9156 - Weigering overlijdensuitkering. In geding is de vraag of appellant, wiens moeder vóór haar overlijden 5½ jaar in een verpleeghuis verbleef, moet worden aangemerkt als een persoon ten aanzien van wie de overledene grotendeels in de kosten van het bestaan voorzag en met wie hij in gezinsverband leefde.

LJN AT9158 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad verenigt zich met het oordeel van de rechtbank dat de gedingstukken onvoldoende grondslag bieden voor het standpunt van de SVB dat in dit geval sprake is van wederzijdse zorg. Ook de Raad is niet gebleken van enige financiële verstrengeling tussen gedaagde en betrokkene dan wel van gezamenlijke activiteiten of aspecten van wederzijdse zorg met een meer dan (zeer) incidenteel karakter.

LJN AT9765 - Korting AOW-pensioen van 34% wegens zeventien onverzekerde jaren. Naar vaste jurisprudentie van de Raad dient in alle bepalingen van de AOW onder "het Rijk" te worden verstaan "het Rijk in Europa". Nu appellant in de periode in geding woonachtig was in Suriname en hij in die periode evenmin in Nederland aan loonbelasting onderhevige arbeid verrichtte, moet worden geconcludeerd dat appellant in die periode niet als ingezetene en ook niet op grond van artikel 6, eerste lid, aanhef en onder b, van de AOW verzekerd was voor de AOW.

LJN AT9773 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in Marokko wonende appellant zijn aanvraag niet binnen één jaar na het einde van zijn verplichte verzekering heeft ingediend. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de SVB op grond van de dwingendrechtelijke bepalingen van de AOW en Anw ten aanzien van de voorwaarden voor deelname aan de vrijwillige verzekering appellant terecht heeft uitgesloten van deelname. De Raad voegt daaraan nog toe dat op de SVB geen rechtsplicht rust om personen zoals appellant wier verplichte verzekering is geëindigd, op de mogelijkheid van vrijwillige verzekering te attenderen.

LJN AU0018 - Weigering verleende vrijstelling van verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen alsnog per 19 januari 1992 te doen ingaan. De SVB voert als beleid dat geen terugwerkende kracht wordt verleend aan een vrijstelling indien uitsluitend sprake is van onbekendheid met de regelgeving. De Raad oordeelt dat volgens zijn vaste jurisprudentie onbekendheid met de wettelijke regelingen niet tot de conclusie kan leiden dat sprake is van een onbillijkheid van overwegende aard.

LJN AU0554 - Ongegrondverklaring verzet tegen de niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep vanwege niet-tijdige betaling van het griffierecht. De Raad stelt vast dat blijkens de door hem ingewonnen informatie de ABN/AMRO-bank het ontvangen bedrag van €87,- twee dagen later heeft teruggestort op opposantes Marokkaanse rekening omdat op het overschrijvingsformulier niet duidelijk was vermeld naar welke bank het bedrag moest worden overgemaakt.

LJN AU1511 - Herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Niettegenstaande de overeenkomst tot kamerverhuur en de huurbetalingen door appellants partner aan appellant is de Raad van oordeel dat er voor de SVB voldoende grond was om aan te nemen dat de relatie tussen appellant en zijn partner die van een louter zakelijke te boven ging en dat ten tijde in geding aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan.

LJN AU2778 - Intrekking AOW-pensioen wegens het overlijden van appellantes echtgenoot. In Marokko wonende appellante heeft nimmer in Nederland gewoond of gewerkt. De Raad kan appellante niet volgen in haar stelling dat zij rechten kan ontlenen aan het per 22 juni 2000 gewijzigde Verdrag tussen Nederland en Marokko, met Administratief Akkoord, nu daarbij geen wijzigingen zijn aangebracht in de voor het onderhavige geding relevante bepalingen.

LJN AU2906 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde wegens het aangaan van een geregistreerd partnerschap. In geding is de vraag of appellant en zijn partner vanaf de datum van de registratie van hun partnerschap duurzaam gescheiden leefden als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

LJN AU2935 - Herziening AOW-pensioenen naar de norm voor een gehuwde wegens het aangaan van een geregistreerd partnerschap. Anders dan de rechtbank is de Raad niet tot het oordeel kunnen komen dat in het geval van betrokkenen uit de feiten en de omstandigheden ondubbelzinnig blijkt dat zij duurzaam gescheiden leven.

LJN AU3066 - Weigering AOW-pensioen omdat appellant nimmer verzekerd is geweest voor de AOW. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat niet kan worden geconcludeerd dat in de periode vanaf appellants aankomst als vreemdeling in Nederland tot de inwerkingtreding van de Koppelingswet per 1 juli 1998 sprake was van ingezetenschap in de zin van artikel 2 van de AOW. In de periode vanaf 1 juli 1998 tot en met appellants 65ste verjaardag op 1 juli 2001 staat het bepaalde in artikel 6, tweede lid, van de AOW aan de verzekering van appellant in de weg.

LJN AU3067 - Afwijzing verzoek om herziening van de uitspraak waarbij het beroep tegen het besluit tot weigering om verzoeker toe te laten tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn niet-ontvankelijk is verklaard. De Raad overweegt dat hetgeen door verzoeker is aangevoerd niet kan worden aangemerkt als een feit of omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb.

LJN AU3496 - Herziening AOW-pensioenen naar de norm voor een ongehuwde op verzoek van appellanten omdat zij met ingang van de datum in geding als duurzaam gescheiden levend willen worden aangemerkt nu appellant voor onbepaalde duur is opgenomen in een AWBZ-instelling. Vanwege de forse verhoging van de AWBZ-bijdrage hebben appellanten vervolgens verzocht de pensioenen weer om te zetten in pensioenen naar de norm voor een gehuwde. De SVB zal alsnog een nader standpunt innemen voor de gevallen als de onderhavige waarin de beschikking nog niet rechtens onaantastbaar is. De Raad vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat de SVB op de bezwaarschriften opnieuw beslist met inachtneming van deze uitspraak.

LJN AU3588 - Herziening AOW-toeslag wegens inkomsten uit WAO-uitkering van gedaagdes echtgenote. Ter zitting van de Raad heeft de SVB medegedeeld dat het bestreden besluit, gelet op recente rechtspraak van de Raad, niet wordt gehandhaafd en dat een nader besluit genomen zal worden waarbij de terugwerkende kracht van de herziening zal worden beperkt tot de helft. De Raad is anders dan de rechtbank van oordeel dat het gedaagde redelijkerwijs duidelijk had kunnen zijn dat de wijziging van de aard van de inkomsten van zijn echtgenote na de toekenning van de WAO-uitkering van belang was voor de vaststelling van de hoogte van zijn aanspraak op AOW-toeslag.

LJN AU3981 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 72% van het volledige pensioen voor een gehuwde. Daarbij heeft de SVB overwogen dat er geen sprake is van een bijzonder geval, zodat het pensioen niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar vóór de eerste dag van de maand waarin de aanvraag werd ingediend, kan worden toegekend. Ter zitting van de Raad heeft de SVB desgevraagd medegedeeld dat de aanvraag om een Duits ouderdomspensioen gelet op artikel 86 van Vo. 1408/71 tevens aangemerkt moet worden als een aanvraag om een Nederlands AOW-pensioen en dat een nieuwe beslissing op bezwaar genomen moet worden waarbij met dit gegeven rekening dient te worden gehouden.

LJN AU3984 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 64% van het volledige pensioen voor een gehuwde alsmede toekenning van de volledige AOW-toeslag. Appellant heeft zich in bezwaar en in beroep op het standpunt gesteld dat hij vanaf september 1969 in Nederland heeft gewoond en gewerkt, zodat hij aanspraak heeft op een hoger AOW-pensioen. De Raad is van oordeel dat de door appellant gestelde vanaf september 1969 in Nederland verrichte werkzaamheden in voldoende mate aannemelijk zijn geworden.

LJN AU4107 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat hetgeen in Marokko wonende opposante heeft aangevoerd geen grond bevat op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposante niet in verzuim is geweest het griffierecht tijdig te betalen.

LJN AU4538 - Alsnog toekenning hoger AOW-pensioen hangende het hoger beroep. Appellante heeft de Raad verzocht de SVB te veroordelen tot vergoeding van de wettelijke rente over het na te betalen AOW-pensioen. Appellante heeft mitsdien belang bij handhaving van het hoger beroep en bij vernietiging van het bestreden besluit, zodat de Raad daartoe zal overgaan. Gelet daarop dient ook de aangevallen uitspraak, waarbij dat besluit in stand is gelaten, te worden vernietigd.

LJN AU5112 - Korting AOW-pensioen van 72% wegens 36 onverzekerde jaren. Tijdens het hoger beroep heeft de SVB de ingangsdatum van appellantes AOW-pensioen alsnog gesteld op 1 juli 1999, zijnde de eerste dag van de maand waarin appellante voldoet aan de voorwaarden als bedoeld in de artikelen 55 en 56 van de AOW. De SVB wordt veroordeelt tot vergoeding van de renteschade over de nabetaalde AOW-uitkering.

LJN AU5217 - Herziening AOW-pensioen met terugwerkende kracht van slechts één jaar wegens duurzaam gescheiden leven, terwijl appellants echtgenote al langer dan twee jaar is opgenomen in een verpleeghuis. De Raad is met de rechtbank en de SVB van oordeel dat op grond van de door appellant aangevoerde redenen waarom niet tijdig is verzocht om herziening van het AOW-pensioen, niet aangenomen kan worden dat sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, van de AOW. Krachtens vaste rechtspraak van de Raad levert onbekendheid met wettelijke voorschriften - als hier aan de orde - geen bijzonder geval op.

LJN AU5635 - Herziening AOW-pensioen omdat appellant met betrokkene in het huwelijk is getreden en met haar een gezamenlijke huishouding voert. De Raad is van oordeel dat er voor de SVB onvoldoende grond was om aan te nemen dat de relatie tussen appellant en betrokkene vóór het huwelijk reeds kon worden aangemerkt als een gezamenlijke huishouding, aangezien niet aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan.

LJN AU5798 - Korting AOW-pensioen van 70% wegens 35 onverzekerde jaren, in beroep herzien naar 66% wegens 33 onverzekerde jaren. De rechtbank heeft geoordeeld dat het einde van appellantes verplichte verzekering met ingang van 1 januari 2000 buiten het toetsingskader van het beroep valt nu deze beëindiging met het besluit van 11 juli 2000 rechtens is komen vast te staan en voorts dat het feit dat het tijdvak van appellantes huwelijk waarin wijlen haar echtgenoot in Nederland woonde en werkte voor haar niet als verzekerd tijdvak in aanmerking is genomen, in rechte stand kan houden.

LJN AU6045 - Korting AOW-pensioen en -toeslag van 70% wegens 35 onverzekerde jaren, op basis van de verzekerde jaren van de echtgenoot van in Marokko wonende appellante. Appellante is zelf nimmer werkzaam en/of woonachtig in Nederland geweest. Aan het bestreden besluit heeft de SVB ten grondslag gelegd het standpunt dat appellantes echtgenoot verzekerd is geweest van 8 augustus 1966 tot en met 12 oktober 1980. Uit de dossierstukken heeft de Raad niet kunnen afleiden hoe de SVB tot de vaststelling van deze periode is gekomen.

LJN AU6318 - Korting AOW-toeslag van 18% wegens negen onverzekerde jaren. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellants echtgenote over de periode in geding in Nederland geen beloning heeft ontvangen en derhalve niet ter zake van in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting hier te lande onderworpen is geweest. Sprake is van bewoning van een duurzame woning in het buitenland, waarbij het koopgedrag, theater- en tandartsbezoek in Nederland niet doorslaggevend is.

LJN AU7328 - Intrekking vrijstelling verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen omdat appellant vanaf de datum in geding niet langer voldoet aan de voorwaarde dat geen arbeid in Nederland wordt verricht. De Raad is met de rechtbank van oordeel dat het bestreden besluit in stand kan blijven. De Raad wijst er nog op dat appellant de door hem verrichte arbeid niet uit eigen beweging aan de SVB heeft opgegeven en in antwoord op een hem door de SVB schriftelijk gestelde vraag bovendien heeft ontkend arbeid te hebben verricht. Zou hij de arbeid tijdig hebben gemeld of de hem gestelde vraag naar waarheid hebben beantwoord, dan zou, naar aannemelijk is, anders zijn beslist.

LJN AU7656 - Intrekking AOW-pensioen wegens het overlijden van de echtgenoot van in Marokko wonende en nimmer in Nederland gewoond of gewerkt hebbende appelante. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat appellante na het overlijden van haar echtgenoot op grond van het Verdrag tussen Nederland en Marokko (VNM) geen aanspraak kan maken op een AOW-pensioen. Het feit dat aan appellante eerst met ingang van 1 november 2004 op grond van het gewijzigde VNM weer een AOW-pensioen is toegekend en niet eerder, vindt zijn grond in het feit dat het gewijzigde VNM pas per 1 november 2004 in werking is getreden en de verdragssluitende partijen nimmer besloten hebben tot de voorlopige toepassing van het wijzigingsverdrag van 30 september 1996. Derhalve had ten tijde in geding een beroep op het gewijzigde VNM appellante evenmin kunnen baten.

LJN AU7749 - Afwijzing verzoek om schadevergoeding wegens gebrekkige informatieverstrekking door de SVB waardoor in Duitsland wonende appellant in de toekomst - te weten bij het bereiken van de 65-jarige leeftijd - niet het maximale AOW-pensioen zal krijgen toegekend. Evenals de rechtbank komt de Raad tot het oordeel dat de door appellant gestelde nalatigheid van de SVB moet worden aangemerkt als een feitelijk handelen. Appellants verzoek om schadevergoeding ontbeert derhalve connexiteit met een besluit tot beoordeling waarvan de bestuursrechter bevoegd zou zijn.

LJN AU7756 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Dat appellantes partner elders een woning heeft aangehouden, doet daaraan niet af.

LJN AU8500 - Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om de SVB te veroordelen in de proceskosten omdat het verzoek niet gelijktijdig met de intrekking van het verzoek om voorlopige voorziening is gedaan.

LJN AU8844 - Herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De Raad ziet in de omstandigheden van gedaagde geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen waardoor de SVB de bevoegdheid toekomt om geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien.

LJN AU8847 - Herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De Raad ziet in de omstandigheden van gedaagde geen grond voor het oordeel dat sprake is van dringende redenen waardoor de SVB de bevoegdheid toekomt om geheel of gedeeltelijk van de herziening af te zien.

LJN AU8965 - Herziening AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde en intrekking AOW-toeslag, omdat appellante geen gezamenlijke huishouding meer voert met betrokkene. De Raad is, anders dan de rechtbank, van oordeel dat de onderzoeksbevindingen van de sociale recherche onvoldoende feitelijke grondslag bieden voor de conclusie dat appellante sedert 1 juni 2000 geen gezamenlijke huishouding meer heeft gevoerd met betrokkene.

LJN AU9006 - Herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De Raad merkt nog op dat de enkele intentie van (één van) de partners om weer afzonderlijk te gaan wonen onvoldoende is om niet langer het bestaan van een gezamenlijke huishouding aan te nemen.

LJN AU9488 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag hoe de gezamenlijke huishouding met een volwassen kleinzoon, door betrokkene opgevoed als haar eigen kind vanaf de kleutertijd, moet worden beoordeeld in het kader van de AOW.

LJN AU9649 - Herziening AOW-pensioen met terugwerkende kracht van slechts één jaar wegens duurzaam gescheiden leven, terwijl betrokkenes partner al langer dan zeven jaar was opgenomen in een verpleeghuis. De Raad oordeelt dat er geen sprake is van een bijzonder geval als bedoeld in artikel 16, tweede lid, eerste volzin, van de AOW. Krachtens vaste rechtspraak van de Raad levert onbekendheid met wettelijke voorschriften geen bijzonder geval op. Eveneens naar vaste rechtspraak van de Raad dient het handelen en nalaten van degene die de belangen van een ander behartigt in een situatie als hier aan de orde te worden toegerekend aan degene namens wie wordt opgetreden.

LJN AU9938 - Herziening AOW-pensioen naar 50% in plaats van 70% van het nettominimumloon in verband met de Wet BEU nu appellant weer officieel naar Ghana is verhuisd. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare termijnoverschrijding. De Raad oordeelt dat de door appellant aangevoerde omstandigheid dat hij enige tijd nodig heeft gehad om informatie te vergaren omtrent zijn recht op AOW-pensioen alvorens hij het bezwaarschrift kon opstellen, appellant niet kan baten aangezien hij een voorlopig bezwaarschrift had kunnen indienen.

LJN AV0666 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 2% van het AOW-pensioen voor een gehuwde. Tussen partijen is in geschil of de SVB vanaf de eerste betaling van het AOW-pensioen aan in Spanje wonende appellant terecht daarop overmakingskosten in mindering heeft gebracht.

LJN AV0698 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht voor het hoger beroep niet binnen de gestelde termijn is betaald. De Raad stelt vast dat in Marokko wonende opposant in verzet niets heeft aangevoerd op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat hij niet in verzuim is geweest.

LJN AV0802 - Herziening AOW-pensioen omdat het AOW-pensioen van gedaagde vermeerderd met haar Nieuw-Zeelandse pensioen hoger is dan het maximale AOW-pensioen. De Raad is van oordeel dat de SVB ten aanzien van gedaagde vanaf 1 april 2002 terecht toepassing heeft gegeven aan artikel 35 van het Verdrag tussen Nederland en Nieuw-Zeeland. Ook onderschrijft de Raad de berekeningswijze van het AOW-pensioen.

LJN AV1067 - Korting AOW-pensioen van 68% wegens 34 onverzekerde jaren. Appellant heeft de Iraakse nationaliteit en staat sedert 10 oktober 1984 ingeschreven in het bevolkingsregister van zijn woonplaats in Nederland. De Raad oordeelt dat niet gezegd kan worden dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellant al vóór 10 oktober 1987 geacht moet worden in Nederland te zijn gelegen.

LJN AV1846 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Ter zitting van de rechtbank heeft de SVB aangegeven dat het besluit om de terugwerkende kracht van de herziening met 50% te beperken het gevolg is van een combinatie van verschillende omstandigheden, waaronder de verwachtingen die zijn gewekt door het overgangsregime, het feit dat de gezamenlijke huishouding door een overlijden is ontstaan en de sociaal-financiële situatie van appellante. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan.

LJN AV1973 - Terugvordering AOW-pensioen omdat gedurende de periode in geding ten onrechte geen ziekenfondspremie is ingehouden op het AOW-pensioen. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad is van oordeel dat niet is gebleken, althans niet aannemelijk is geworden, dat de betreffende onduidelijkheden ertoe hebben geleid dat appellant tegen het bestreden besluit niet tijdig bezwaar heeft gemaakt.

LJN AV2068 - Toekenning AOW-pensioen met terugwerkende kracht van niet meer dan één jaar vóór de datum van aanvraag omdat geen sprake is van een bijzonder geval. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. De Raad overweegt dat ook indien het besluit van 28 maart 2003 eerst half april 2003 door in de Verenigde Staten wonende appellanten is ontvangen, er nog voldoende tijd resteerde om een bezwaarschrift in te dienen. De ziekte van de adviseur van appellanten heeft niet tot gevolg gehad dat appellanten zelf buiten staat waren een - eventueel voorlopig - bezwaarschrift in te dienen.

LJN AV2577 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in België wonende appellante haar aanvraag niet binnen één jaar na het einde van haar verplichte verzekering heeft ingediend. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Met de SVB en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de door appellante aangedragen gronden niet kunnen leiden tot het oordeel dat de overschrijding van de bezwaartermijn door de SVB verschoonbaar moet worden geacht.

LJN AV2651 - Korting AOW-pensioen van 6% wegens werkzaamheden in Duitsland gedurende de perioden in geding. Op grond van die werkzaamheden is appellant voor die perioden verzekerd is geweest volgens de wetgeving van Duitsland. In hoger beroep kan niet inhoudelijk op de gronden worden ingegaan aangezien hetgeen is aangevoerd, samenhangt met reeds bij een eerdere uitspraak ongegrond verklaarde grieven.

LJN AV4232 - Ongegrondverklaring verzet omdat het griffierecht voor het hoger beroep niet binnen de gestelde termijn is betaald. De Raad oordeelt dat hetgeen opposant heeft aangevoerd geen grond bevat op basis waarvan redelijkerwijs kan worden geoordeeld dat opposant niet in verzuim is geweest. De Raad weegt daarbij mee dat aan opposant, gelet op zijn financiële situatie, een zeer ruime termijn is gegeven voor de betaling van het griffierecht.

LJN AV5208 - Niet-ontvankelijkverklaring bezwaar omdat het bezwaar niet is gericht tegen een onderwerp van de betalingsbeslissing ter uitvoering van het door de Belastingdienst gelegde beslag op het AOW-pensioen. De Raad oordeelt dat de betalingsbeslissing een besluit is, zodat het bezwaar ten onrechte niet-ontvankelijk is verklaard. Hetgeen appellant in bezwaar, beroep en hoger beroep heeft aangevoerd, leidt niet tot de conclusie dat de SVB met zijn betalingsbeslissing niet is gebleven binnen het kader van het beslag. De burgerlijke rechter komt een inhoudelijk oordeel toe over het derdenbeslag.

LJN AV5906 - Korting AOW-pensioen van 18% wegens negen onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat de korting terecht is toegepast. De Raad ziet in hetgeen appellante in hoger beroep naar voren heeft gebracht geen aanknopingspunten om tot een ander oordeel te komen.

LJN AV7281 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat de niet-ontvankelijkverklaring van appellants bezwaar onterecht is, aangezien de schriftelijke mededeling inzake uitbetaling van achterstallig AOW-pensioen is gericht op rechtsgevolg en derhalve een besluit in de zin van de Awb is. De Raad concludeert dat gedurende het gehele tijdvak in geding op appellant uitsluitend Belgisch recht van toepassing is geweest, zodat hij gedurende dat tijdvak niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW.

LJN AV7637 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat aangezien het huwelijk van appellanten op 1 september 1998 reeds langer dan twee jaar geleden door echtscheiding was ontbonden, de SVB niet gerechtigd was om met toepassing van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AOW enkel op basis van een vastgesteld hoofdverblijf in dezelfde woning het bestaan van een gezamenlijke huishouding aan te nemen. Dit betekent dat de bestreden besluiten wegens strijd met artikel 26 van het IVBPR niet in stand kunnen blijven. Met de rechtbank is de Raad evenwel van oordeel dat, gezien de onderzoeksbevindingen als neergelegd in het proces-verbaal socialezekerheidsfraude, zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan.

LJN AV7771 - Herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat aangezien het huwelijk van appellanten reeds langer dan twee jaar geleden door echtscheiding was ontbonden, de SVB niet gerechtigd was om met toepassing van artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder a, van de AOW enkel op basis van een vastgesteld hoofdverblijf in dezelfde woning het bestaan van een gezamenlijke huishouding aan te nemen. De Raad ziet evenwel aanleiding om de rechtsgevolgen van de te vernietigen besluiten in stand te laten en overweegt daartoe dat, nu vast staat dat uit de relatie van appellanten kinderen zijn geboren, ten aanzien van appellanten is voldaan aan het bepaalde in artikel 1, vijfde lid, aanhef en onder b, van de AOW.

LJN AV7823 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag wegens inkomsten uit nabestaandenpensioen. Tussen partijen is in hoger beroep met name in geschil of de SVB met recht de AOW-toeslag met terugwerkende kracht over het gehele in geding zijnde tijdvak heeft herzien, nu appellant de inkomsten tijdig heeft gemeld.

LJN AV7896 - Korting AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. Tussen partijen is in geschil of de SVB bij het bestreden besluit terecht een korting van 78% heeft toegepast op het met ingang van 1 januari 2002 aan appellant toegekende AOW-pensioen omdat appellant niet verzekerd zou zijn geweest krachtens de AOW van 1 november 1960 tot en met 3 november 1985 - met uitzondering van de periode van 16 september tot 12 oktober 1963, gedurende welk tijdvak appellant in militaire dienst is geweest - en van 1 januari 1987 tot en met 22 januari 2002.

LJN AV8306 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt dat, anders dan gedaagde heeft aangevoerd, de gedingstukken een toereikende grondslag bieden voor het standpunt van de SVB dat gedaagde en betrokkene ten tijde hier in geding hun hoofdverblijf hadden in de woning van gedaagde. Vaststaat dat betrokkene sedert 12 januari 2001 op dat adres staat ingeschreven.

LJN AV8545 - Herziening AOW-pensioenen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. In geding is de vraag of appellanten redelijkerwijs niet konden weten dat hun situatie was aan te merken als een gezamenlijke huishouding in plaats van een kostgangersrelatie, zodat de SVB ten onrechte met terugwerkende kracht hun AOW-pensioenen heeft herzien.

LJN AV8804 - Herziening AOW-pensioenen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met de SVB en de rechtbank is de Raad van oordeel dat uit de tijdens het huisbezoek door appellanten tegenover de sociale recherche afgelegde verklaringen genoegzaam naar voren komt dat appellanten ten tijde in dit geding van belang hun hoofdverblijf in de woning van appellant hadden. De Raad is voorts van oordeel dat ook aan het tweede criterium, de wederzijdse zorg, is voldaan.

LJN AV8814 - Toelating tot de vrijwillige AOW/AWW-verzekering. Tussen partijen is in geschil of de SVB, in het kader van de toelating van gedaagde tot de vrijwillige AOW/AWW-verzekering, terecht heeft beslist dat gedaagde vanaf de datum in geding niet verplicht verzekerd is gebleven ingevolge de volksverzekeringen. Daarbij spitst het geschil zich met name toe op de vraag of gedaagde vanaf die datum daadwerkelijk werkzaamheden in Nederland heeft verricht voor de CV. Bij een bevestigende beantwoording van die vraag moet immers, ervan uitgaande dat geen sprake is van andere werkzaamheden in loondienst of als zelfstandige buiten Nederland, aangenomen worden dat gedaagde verzekerd is gebleven krachtens de volksverzekeringen.

LJN AV9546 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Anders dan de SVB en de rechtbank is de Raad van oordeel dat de voorhanden zijnde gegevens niet toereikend zijn voor de conclusie dat appellant en zijn partner ten tijde van belang aan het criterium van de wederzijdse verzorging voldeden. Enige financiële verstrengeling tussen hen anders dan het delen van de aan de bewoning van de woning verbonden lasten is niet vastgesteld. Evenmin is door de SVB vastgesteld dat appellant en zijn partner op andere wijze blijk geven zorg te dragen voor elkaar.

LJN AW1803 - Korting AOW-pensioen en -toeslag wegens onverzekerde jaren. De Raad oordeelt dat blijkens het bestreden besluit de SVB er onder meer van is uitgegaan dat appellant in de periode dat hij in Nederland werkzaam is geweest, verzekerd was ingevolge de AOW. Anders dan appellant kennelijk denkt, is over deze periode geen korting op zijn AOW-pensioen toegepast.

LJN AW1869 - Weigering toelating tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering omdat in Marokko wonende appellante haar aanvraag niet binnen één jaar na het einde van haar verplichte verzekering heeft ingediend en zij in het jaar voorafgaand aan de aanvraag niet verplicht verzekerd is geweest voor de AOW en de Anw. De Raad oordeelt dat, aangezien appellante nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt, zij niet kan worden geacht verplicht verzekerd te zijn geweest ingevolge de AOW en Anw.

LJN AW5642 - Niet-ontvankelijkverklaring verzoek om herziening omdat een verzoek om herziening van een uitspraak gegeven naar aanleiding van een eerder verzoek om herziening niet passend is binnen het wettelijk systeem.

LJN AW6667 - Toekenning vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de AOW, Anw en AKW per datum aanvraag en niet vanaf de overlijdensdatum van appellantes echtgenoot. De Raad oordeelt dat de rechtbank terecht de visie van de SVB heeft onderschreven dat onbekendheid met de wettelijke regeling niet als een onbillijkheid in de zin van artikel 22, derde lid, van KB 746 is te beschouwen. Het standpunt dat aan appellante onjuiste informatie was verstrekt, heeft de rechtbank terecht verworpen, evenals het standpunt dat appellante een brief inzake de vrijstelling niet zou hebben ontvangen.

LJN AW7197 - Afwijzing verzoek om herziening van 's Raads uitspraak inzake de weigering verzoeker toe te laten tot de vrijwillige AOW/Anw-verzekering. De Raad kan niet inzien dat uit het door verzoeker gestelde enig feit of enige omstandigheid af te leiden valt als bedoeld in artikel 8:88 (8:119 nieuw) van de Awb. De Raad merkt daarbij op dat enkele van de overgelegde medische verklaringen ook zijn overgelegd ten behoeve van de procedure in hoger beroep en dat de Raad in de betreffende uitspraak daarin geen grond heeft gezien om de beslissing op bezwaar onjuist te achten.

LJN AW7288 - Korting AOW-toeslag van 32% wegens zestien onverzekerde jaren. In geding is de vraag of in België wonende appellant terecht heeft aangevoerd dat hij recht heeft op een volledige AOW-toeslag omdat de band met Nederland zowel privé als beroepsmatig steeds aanwezig is geweest, alsmede dat hij loonbelasting en premies volksverzekeringen heeft voldaan in Nederland.

LJN AX1265 - Korting AOW-pensioen van 26% wegens dertien onverzekerde jaren, nadien herzien naar het volledige AOW-pensioen voor een gehuwde omdat de korting op het AOW-pensioen van gehuwde vrouwen voor tijdvakken waarin hun echtgenoot buiten Nederland werkte in strijd is met artikel 14 van het EVRM. Tussen partijen is in geschil of de SVB terecht heeft besloten het aan appellante toegekende AOW-pensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan tot één jaar vóór het herzieningsverzoek te herzien naar het volledige AOW-pensioen voor een gehuwde.

LJN AX1624 - Korting AOW-pensioen van 20% wegens tien onverzekerde jaren, nadien herzien naar het volledige AOW-pensioen voor een gehuwde omdat de korting op het AOW-pensioen van gehuwde vrouwen voor tijdvakken waarin hun echtgenoot buiten Nederland werkte in strijd is met artikel 14 van het EVRM. Tussen partijen is in geschil of de SVB terecht heeft besloten het aan appellante toegekende AOW-pensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan tot één jaar vóór het herzieningsverzoek te herzien naar het volledige AOW-pensioen voor een gehuwde.

LJN AX2204 - Herziening en terugvordering AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding. Ter zitting van de Raad heeft de SVB medegedeeld dat het bestreden besluit niet wordt gehandhaafd nu nader is gebleken dat in ieder geval over het tijdvak van maart 2004 tot oktober 2004 het maandelijks te verrekenen terugvorderingsbedrag niet juist is berekend en dat nader bezien dient te worden of het vanaf oktober 2004 gehanteerde bedrag juist is.

LJN AX4869 - Korting AOW-pensioen van 82% wegens 41 onverzekerde jaren. Naar het oordeel van de Raad is met betrekking tot de overgangsvoordelen niet dan wel onvoldoende aannemelijk gemaakt dat in Suriname wonende appellant reeds vóór 1 januari 1957 naar Nederland is gekomen. Voorts is het besluit van de SVB om appellant over de betreffende tijdvakken niet als verzekerde voor de AOW aan te merken volgens de Raad op goede gronden genomen.

LJN AX8281 - Herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank en de SVB is de Raad van oordeel dat met betrekking tot de gezamenlijke huishouding zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan.

LJN AX9009 - Proceskostenveroordeling. Naar het oordeel van de Raad kan onder door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand niet worden verstaan de niet als professionele rechtsbijstand te beschouwen bijstand van de zoon ten gunste van zijn vader, welke veeleer is gebaseerd op ondersteuning voortvloeiend uit het bestaan van een nauwe familierelatie.

LJN AX9318 - Schuldignalatigverklaring voor de onbetaald gebleven AOW-premie over 1998. De Raad is met appellant van oordeel dat de SVB bij zijn onderzoek naar de schuldignalatigheid van appellant niet heeft kunnen volstaan met het zenden van de betreffende brief naar het adres van de gemachtigde, die appellant in de onderhavige kwestie (nog) niet bijstond. De Raad oordeelt dat het onderzoek inzake de schuldignalatigverklaring onzorgvuldig is geweest.

LJN AX9435 - Herziening Anw-uitkering en AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. De Raad is van oordeel dat met betrekking tot de gezamenlijke huishouding zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Ten tijde van het aangaan van de gezamenlijke huishouding was appellantes levenspartner niet als een hulpbehoevende in de zin van de Anw aan te merken. Van schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM is geen sprake.

LJN AX9515 - Weigering vrijstelling verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen met verdergaande terugwerkende kracht dan tot 1 juli 2001 omdat het niet tijdig indienen van het verzoek om vrijstelling uitsluitend het gevolg is van onbekendheid met de regelgeving. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellants verzoek aangemerkt moet worden als een herhaalde aanvraag als bedoeld in artikel 4:6 van de Awb. Volgens de Raad heeft de SVB in redelijkheid kunnen besluiten dat de door appellant genoemde omstandigheden niet kunnen leiden tot de slotsom dat sprake is van onbillijkheden van overwegende aard indien de vrijstelling niet wordt verleend met ingang van een datum gelegen vóór 1 juli 2001.

LJN AX9559 - Onbevoegdverklaring van de Raad omdat hij niet bevoegd is kennis te nemen van een hoger beroep tegen een uitspraak van de rechtbank ter zake van herziening.

LJN AX9571 - Terugvordering AOW-pensioen, waarbij de openstaande vordering in maandelijkse termijnen van €50,- met het AOW-pensioen wordt verrekend. In geding is de vraag of de SVB terecht heeft besloten dat er geen dringende redenen zijn om af te zien van de terug- en invordering van het te veel betaalde AOW-pensioen en subsidiair of de SVB de aflossingscapaciteit van appellant ten tijde in geding correct heeft berekend.

LJN AX9584 - Niet-ontvankelijkverklaring beroep bij de rechtbank omdat de overschrijding van de beroepstermijn niet verschoonbaar is. De Raad heeft geen aanleiding gevonden de aangevallen uitspraak wegens schending van de goede procesorde te vernietigen en het geschil terug te wijzen naar de rechtbank nu appellant na kennisneming van de aangevallen uitspraak in hoger beroep geen feiten of omstandigheden heeft aangevoerd welke bij de beoordeling van de toepassing van artikel 6:11 van de Awb van belang zouden kunnen zijn.

LJN AX9602 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 42% van het AOW-pensioen voor een alleenstaande. In geding is de vraag of er ten onrechte overmakingskosten op het AOW-pensioen van in Spanje wonende appellant in mindering worden gebracht.

LJN AY0202 - Herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank en de SVB is de Raad van oordeel dat met betrekking tot de gezamenlijke huishouding zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Niettegenstaande de naderhand opgemaakte verklaring van kamerverhuur en de overgelegde kwitanties ter zake van huurbetaling, is de Raad van oordeel dat ten tijde hier van belang geen sprake was van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangers- of onderhuurrelatie.

LJN AY0255 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Voornemen tot boeteoplegging. De Raad is van oordeel dat in het onderhavige geval aan het criterium van de wederzijdse verzorging niet is voldaan. De enkele omstandigheid dat betrokkene zo nu en dan heeft geholpen met de boodschappen door deze in de rollator van appellante te tillen, acht de Raad onvoldoende voor de conclusie dat wederzijds sprake is geweest van het dragen van zorg voor elkaar.

LJN AY1703 - Herziening AOW-pensioenen per 1 april 2004 wegens gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank en de SVB is de Raad van oordeel dat met betrekking tot de gezamenlijke huishouding zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. De SVB heeft in het geval van appellanten ervan afgezien de AOW-pensioenen met terugwerkende kracht tot en met 1 mei 2000 te herzien. Eén en ander echter leidt er niet toe dat de SVB ook niet meer bevoegd was het AOW-pensioen van appellanten per 1 april 2004 te herzien. Een eventuele onjuiste beoordeling in het verleden kan er niet toe leiden dat ook voor de toekomst een met de wet strijdige situatie blijft voortbestaan.

LJN AY2215 - Herziening AOW-pensioen wegens (verzwegen) gezamenlijke huishouding. Toekenning AOW-toeslag, die niet eerder ingaat dan één jaar vóór de aanvraag. In geding is de vraag of niet eerder dan met ingang van 6 januari 2003, de datum waarop appellants partner zich naar de mening van appellant definitief in Nederland had gevestigd in zijn woning, sprake is geweest van een gezamenlijke huishouding en de ingangsdatum van de AOW-toeslag moet worden bepaald op de datum met ingang waarvan een gezamenlijke huishouding wordt aangenomen.

LJN AY3543 - Ongegrondverklaring verzet. De Raad oordeelt dat het hoger beroep terecht niet-ontvankelijk is verklaard omdat niet aannemelijk is dat het beroepschrift vóór het einde van de beroepstermijn ter post is bezorgd. Een reden waarom de termijnoverschrijding verschoonbaar zou zijn te achten, is niet gesteld en daarvan is de Raad evenmin gebleken.

LJN AY3773 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank en de SVB is de Raad van oordeel dat met betrekking tot de gezamenlijke huishouding zowel aan het criterium van het hebben van hoofdverblijf in dezelfde woning als aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan.

LJN AY3961 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep omdat de SVB geheel tegemoet is gekomen aan alle door appellant aangevoerde grieven, waardoor appellant geen belang meer heeft bij een beoordeling van het geschil in hoger beroep.

LJN AY3964 - Weigering AOW-pensioen omdat in Marokko wonende appellant nimmer verzekerd is geweest voor de AOW. De Raad oordeelt dat er geen verifieerbare gegevens zijn die een aanknopingspunt zouden kunnen geven voor de door appellant gestelde verzekerde periode in Nederland.

LJN AY4011 - Herziening AOW-pensioen met terugwerkende kracht. Terugvordering van onverschuldigd betaalde toeslag.

LJN AY4047 - Er is geen sprake van een situatie waarin niet tijdig een besluit is genomen. Het ingediende bezwaar wordt als prematuur aangemerkt.

LJN AY4086 - Verzoek tot deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de Anw. Bevoegdheid SVB. Tijdigheid van de aanleveren gegevens.

LJN AY4097 - Er is geen sprake van een verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

LJN AY4101 - Korting op het AOW-pensioen wegens onverzekerde tijdvakken.

LJN AY4138 - Korting op het AOW-pensioen wegens onverzekerde tijdvakken.

LJN AY4787 - Korting van 10% op het AOW-pensioen: betrokkene is geen ingezetene in de zin van AOW gedurende een bepaalde periode. Onvoldoende is komen vast te staan dat betrokkene in die periode het middelpunt van zijn maatschappelijk leven in Nederland heeft gehad.

LJN AY5431 - Het verzet is ongegrond omdat betrokkene heeft verzuimd de gronden waarop het verzet berust in te dienen.

LJN AY6077 - Niet-ontvankelijkverklaring van het hoger beroep aangezien het beroep in eerste aanleg niet-ontvankelijk is verklaard wegens niet-verschoonbare overschrijding van de beroepstermijn. Op grond van het rechtens onaantastbaar geworden besluit staat vast dat recht bestaat op ouderdomspensioen voor een ongehuwde die een gezamenlijke huishouding voert.

LJN AY6359 - Is op goede gronden besloten het inkomen van betrokkenes echtgenoot in mindering te brengen op de toeslag op het AOW-pensioen en wel zodanig dat de toeslag in zijn geheel niet wordt uitbetaald? Uitleg van het begrip "opbrengst van arbeid".

LJN AY6548 - Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is er sprake van een kostgangersrelatie?

LJN AY6549 - Herziening van het AOW-pensioen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding. De vraag of in een bepaald geval sprake is van een gezamenlijke huishouding dient te worden beantwoord aan de hand van objectieve criteria, waarbij de omstandigheden die tot het voeren van een gezamenlijke huishouding hebben geleid, de motieven van de betrokkenen en de aard van hun onderlinge relatie niet van belang zijn.

LJN AY6721 - Herziening van het AOW-pensioen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning en van wederzijdse zorg?

LJN AY8027 - Afwijzing van het verzoek om deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw omdat aanmelding moet plaatsvinden binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering en betrokkene in het jaar voorafgaand aan de aanvraag niet verplicht verzekerd is geweest ingevolge die wetten.

LJN AY8177 - Korting op het AOW-pensioen wegens onverzekerde tijdvakken. Afwijzing van het verzoek om terug te komen van een eerder genomen, in rechte onaantastbaar geworden besluit, op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden.

LJN AY8406 - Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is er sprake van een zakelijke relatie? Is voldaan aan het zorgcriterium?

LJN AY8820 - Herziening van het AOW-pensioen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Er is geen sprake van een commerciële relatie.

LJN AY8827 - In geschil was de ingangsdatum van het AOW-pensioen. Nu betrokkene zich kan verenigen met de door de SVB nader vastgestelde ingangsdatum van zijn ouderdomspensioen en met de toegezegde wettelijke rente over de nabetaling, bestaat er tussen partijen geen geschil meer. Het hoger beroep is derhalve niet-ontvankelijk.

LJN AY8871 - Toekenning van een AOW-pensioen ter hoogte van 44% van het maximale pensioen van een ongehuwde, waarbij is opgemerkt dat betrokkene van 1 januari 1957 tot en met 19 mei 1985, gedurende welke periode hij in Suriname woonde, niet verzekerd is geweest ingevolge de AOW. Met wonen binnen het Rijk wordt bedoeld het Rijk in Europa (artikel 2 (oud) van de AOW). Het wonen binnen het Rijk (Suriname tot 25 november 1975) kan derhalve niet worden gelijkgesteld met wonen in Nederland. Betrokkene kan aan zijn dienstbetrekking bij de Surinaamse overheid (tot de onafhankelijkheid van Suriname in 1975) geen aanspraken ontlenen op verzekering ingevolge de AOW. Ook betrokkenes grief dat de AOW ten onrechte niet is gepubliceerd in het Gouvernementsblad slaagt niet. Wegens overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM wordt de SVB veroordeeld tot betaling van €1000,- ter vergoeding van geleden immateriële schade.

LJN AY9195 - Afwijzing van het verzoek om vrijstelling te verlenen van de verplichte verzekering ingevolge de AOW, Anw en AKW op de grond dat de Duitse Altersrente van betrokkene minder bedraagt dan 70% van het Nederlandse wettelijk minimumloon. Er is geen strijd met Europees- of internationaalrechtelijke regels.

LJN AY9731 - Is terecht besloten dat betrokkene gedurende de periode 1 januari 1957 tot en met 23 juni 1974, toen hij in Suriname woonde en werkte, niet verzekerd was ingevolge de AOW? Met wonen binnen het Rijk wordt bedoeld het Rijk in Europa (artikel 2 (oud) van de AOW). Het wonen binnen het Rijk (Suriname tot 25 november 1975) kan derhalve niet worden gelijkgesteld met wonen in Nederland. Betrokkene kan aan zijn dienstbetrekking destijds met het Ministerie van Opbouw geen aanspraken ontlenen op verzekering ingevolge de AOW, omdat deze overheidsdienst niet kan worden aangemerkt als een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon in de zin van artikel 3, vierde lid, van de AOW, zoals dat luidde ten tijde in geding. Maar zelfs indien zulks wel het geval zou zijn geweest, zou betrokkene hieraan evenmin een verzekeringsgrond kunnen ontlenen, omdat hij buiten het Rijk werkzaam was in het land waar hij was aangeworven.

LJN AZ0058 - Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is er sprake van een kostgangersrelatie? Is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg?

LJN AZ0155 - Herziening en terugvordering van de toeslag op het AOW-pensioen wegens inkomsten van betrokkenes echtgenote. Inhouding op het pensioen van €25,- per maand ter aflossing van de terugvorderingsschuld. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen het in kracht van gewijsde gegane terugvorderingsbesluit.

LJN AZ0950 - Herziening van het AOW-pensioen in verband met opname van betrokkenes partner in een verpleeghuis. Is er sprake van gescheiden leven? Terugwerkende kracht van maximaal één jaar. Er is geen sprake van een bijzonder geval.

LJN AZ1183 - Herziening en terugvordering van het AOW-pensioen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg? Niet kan worden gesproken van een commerciële onderhuurrelatie of kostgangersrelatie.

LJN AZ2194 - Herziening van de vastgestelde toeslag op het AOW-pensioen wegens hogere inkomsten uit arbeid van betrokkene.

LJN AZ2370 - Aanvraag voor herziening van het ouderdomspensioen naar de norm voor een ongehuwde, zulks op de grond dat er tussen betrokkene en haar partner sprake is van een louter commerciële kostgangersrelatie.

LJN AZ2586 - Afwijzing van het verzoek om herziening op de grond dat niet is gebleken van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 8:88, eerste lid, van de Awb. Het Gemeenschapsrecht gebiedt de nationale rechter niet om artikel 8:88 van de Awb buiten toepassing te laten.

LJN AZ2594 - Hoogte van het toegekende AOW-pensioen en de toeslag daarop, gelet op de onverzekerde jaren. Ingangsdatum van de toeslag. Beleidswijziging in verband met een andere interpretatie van Verordening (EEG) nr. 1408/71.

LJN AZ2599 - Korting op het AOW-pensioen in verband met verblijf in het buitenland. Moet betrokkene gedurende de periode dat hij heeft verbleven in Parijs en de eerste twee jaren van zijn verblijf in Burkina Faso voor de Witte Paters als ingezetene van Nederland worden beschouwd?

LJN AZ2871 - Niet-ontvankelijkverklaring van het verzet wegens niet-verschoonbare overschrijding van de verzetstermijn.

LJN AZ2970 - Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar op de grond dat betrokkene, als niet-rechthebbende partner, bij het bestreden besluit geen belanghebbende is.

LJN AZ3014 - Herziening van het AOW-pensioen in een pensioen voor een gehuwde op de grond dat uit onderzoek is gebleken dat betrokkenen, die zijn gescheiden van tafel en bed, niet duurzaam gescheiden leven.

LJN AZ3054 - Ingangsdatum van het toegekende AOW-pensioen. Er is geen sprake van een bijzonder geval, zodat het pensioen niet met een langere terugwerkende kracht dan één jaar wordt toegekend. De late aanvraag is niet een aantoonbaar gevolg van onjuiste/onvolledige voorlichting door de SVB.

LJN AZ3443 - Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg? Is er sprake van een commerciële huurder-verhuurderrelatie?

LJN AZ4081 - Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning en van wederzijdse zorg?

LJN AZ4113 - Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning en van wederzijdse zorg?

LJN AZ5444 - Beëindiging van de Anw-uitkering en herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Proceskostenveroordeling. Onbevoegdverklaring door de rechtbank. De onbevoegdverklaring brengt met zich - in tegenstelling tot een gegrondverklaring - dat de rechtbank niet toekomt aan een inhoudelijk oordeel over de gronden van het beroep.

LJN AZ5465 - Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning en van wederzijdse zorg?

LJN AZ5696 - Is terecht op het ouderdomspensioen en op de toeslag daarop een korting toegepast wegens onverzekerde jaren? De buiten het Rijk verblijf houdende Nederlander die in dienstbetrekking staat tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon wordt geacht binnen het Rijk te wonen. Betrokkene was gedurende de periode in geding werkzaam in dienst van de FAO en stond toen niet in dienstbetrekking tot een Nederlandse publiekrechtelijke rechtspersoon.

LJN AZ7661 - Was betrokkene verplicht verzekerd ingevolge de opeenvolgende besluiten uitbreiding en beperking van de kring verzekerden volksverzekeringen, op de grond dat hij een WAO-uitkering vanuit Nederland ontving?

LJN AZ7911 - Herhaalde aanvraag om herziening van het AOW-pensioen naar de norm voor een ongehuwde, zulks op de grond dat de registratie van het samenlevingscontract inmiddels twee jaar geleden is opgeheven. In de feitelijke woon- en leefsituatie tezamen met betrokkens partner is op zichzelf niets gewijzigd.

LJN AZ7930 - Toekenning van een AOW-pensioen naar de norm voor een gehuwde. Is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg?

LJN AZ8319 - Herziening van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg?

LJN AZ9241 - Afwijzing van het verzoek tot deelname aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw, omdat het verzoek eerst na het overlijden van betrokkenes echtgenoot is gedaan en niet is gebleken van bijzondere omstandigheden op grond waarvan hij alsnog postuum zou moeten worden toegelaten tot de vrijwillige verzekering. Ten onrechte is het houden van een hoorzitting achterwege gebleven.

LJN AZ9846 - Herziening met volledige terugwerkende van het AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van wederzijdse zorg?

LJN AZ9858 - Ter zitting wordt door de SVB aangegeven dat het bestreden besluit in verband met een geconstateerd motiveringsgebrek niet langer wordt gehandhaafd. Proceskostenveroordeling.

LJN AZ9860 - Herziening van het AOW-pensioen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Terugvordering en boeteoplegging. Is de ingangsdatum van de gezamenlijke huishouding juist vastgesteld? Is voldaan aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning?

LJN BA0205 - Betrokken AOW-gerechtigde is met een rechterlijke machtiging in het kader van de Bopz met ingang van de datum in geding opgenomen in een instelling als bedoeld in artikel 1 van de AWBZ. Inhouding van de eigen bijdrage AWBZ op het AOW-pensioen. Is de inhouding terecht en is de hoogte van de eigen bijdrage juist vastgesteld? Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar tegen de hoogte van de eigen bijdrage wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn.

LJN BA0284 - Weigering AOW-pensioen omdat betrokkene niet aannemelijk heeft kunnen maken dat hij in Nederland voor de AOW verzekerd is geweest.

LJN BA1440 - Herziening en terugvordering van het AOW-pensioen in verband met een wijziging in het inkomen van de partner. Boeteoplegging. Onterechte niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar omdat de brief bevattende bezwaren tegen de terugvordering en de boete binnen de bezwaartermijn is ontvangen.

LJN BA2308 - Herziening van de toeslag op het AOW-pensioen omdat het door de partner van betrokkene ontvangen nabestaandenpensioen als inkomen in verband met arbeid volledig moet worden gekort op de toeslag. Terugvordering en invordering van het te veel betaalde AOW-pensioen. Had betrokkene redelijkerwijs kunnen onderkennen dat zijn pensioen werd berekend naar een onjuiste grondslag?

LJN BA2500 - Beëindiging van de verplichte verzekering ingevolge de AOW en Anw. Betrokkene heeft zich te laat aangemeld voor de vrijwillige verzekering. Is er sprake van verschoonbare termijnoverschrijding? Voor vergoeding van de schade ontstaan in verband met de schending van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM dient betrokkene zich te wenden tot de burgerlijke rechter.

LJN BA2759 - Herziening van het AOW-pensioen van de norm voor een ongehuwde naar de norm voor een gehuwde, op de grond dat betrokkene een gezamenlijke huishouding voert met haar broer. Daarbij is overwogen dat vanwege bijzondere omstandigheden herziening met volledige terugwerkende kracht niet redelijk is. Schending van de inlichtingenverplichting.

LJN BA3493 - Betrokkene is niet bevoegd deel te nemen aan de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw omdat aanmelding daarvoor had moeten plaatsvinden binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering en betrokkene in het jaar voorafgaand aan de aanvraag niet verplicht verzekerd is geweest ingevolge de AOW en Anw.

LJN BA4472 - Vaststelling van de premie voor de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw.

LJN BA5082 - Korting op het AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren waarin betrokkene niet als ingezetene was aan te merken.

LJN BA7162 - Herziening van en korting op de toeslag op het AOW-pensioen in verband met een over de periode in geding in Groot-Brittannië opgebouwd bedrijfspensioen.

LJN BA7165 - Toekenning van een AOW-pensioen ter hoogte 84% (in plaats van 90%) van het maximale AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren in de periode 1 januari 1957 tot en met 25 oktober 1965. Gedurende een gedeelte van deze periode heeft betrokkene gewoond en gewerkt aan boord van zeeschepen die hun thuishaven binnen Nederland hadden. Wanneer is betrokkene aan te merken als ingezetene van Nederland?

LJN BA7222 - Verlaging van het AOW-pensioen naar 50% van de gehuwdennorm wegens gezamenlijke huishouding. Is er sprake van wederzijdse zorg of slechts van eenzijdige zorg van betrokkene aan de hulpbehoevende aan wie hij een kamer verhuurt?

LJN BA7324 - De brief van betrokkene is ten onrechte door de rechtbank aan de CRvB doorgezonden ter behandeling als hogerberoepschrift. De brief wordt ter behandeling als beroepschrift doorgezonden aan de rechtbank.

LJN BA7363 - Weigering AOW-pensioen omdat betrokkene, die nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt, nooit verzekerd is geweest voor de AOW. Ook is zij niet op grond van de in 1998 toegekende Anw-uitkering verzekerd geweest voor de AOW, omdat die uitkering niet aansloot op de verplichte verzekering dan wel de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW. Er kunnen geen AOW-rechten worden ontleend aan het Algemeen verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko.

LJN BA7742 - Toekenning, gelet op het (gewijzigde) Algemeen verdrag inzake de sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko, van een AOW-pensioen ter hoogte van 38% van het volledige AOW-pensioen omdat betrokkenes echtgenoot verzekerd is geweest ingevolge de AOW van 1 januari 1969 tot 4 juli 1987.

LJN BA7941 - Betrokkene is ten onrechte uitgesloten van het recht op vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en Anw. In de uitspraak van het HvJEG van 7 juli 2005, Van Pommeren-Bourgondiën, C-227/03 (LJN AU1322) heeft de SVB aanleiding gezien haar standpunt te herzien en is aan betrokkene de gelegenheid geboden zich vanaf 1 januari 2000 vrijwillig te verzekeren voor de duur van zes jaar.

LJN BA8637 - Niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar wegens niet-verschoonbare overschrijding van de bezwaartermijn. Het tekortschieten door degene die de post voor betrokkene behandelde levert geen verschoonbare termijnoverschrijding op.

LJN BA8667 - Beëindiging van het AOW-pensioen omdat betrokkene, die nimmer in Nederland heeft gewoond of gewerkt en derhalve nooit verzekerd is geweest op grond van artikel 6 van de AOW, door het overlijden van haar partner vanaf 1 december 2002 ongehuwd is en op grond van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko niet langer verzekerd wordt geacht. Aangezien bij de toekenning van het AOW-pensioen verzuimd is betrokkene in te lichten over de beëindiging van haar AOW-pensioen bij overlijden van haar echtgenoot wordt het AOW-pensioen geleidelijk afgebouwd tot 1 december 2003. Is er sprake van inbreuk op het eigendomsrecht?

LJN BA8920 - Herziening van de AOW-pensioenen wegens verzwegen gezamenlijke huishouding. Is voldaan aan het criterium van hoofdverblijf in dezelfde woning en van wederzijdse zorg?

LJN BB0746 - Korting AOW-uitkering omdat betrokkene geen ingezetene in de zin van de AOW is geweest gedurende de periode in geding toen hij als kloosterling na een verblijf van reeds drie jaren in het buitenland voortgezette studies volgde in respectievelijk België en Duitsland. De Raad is van oordeel dat niet is komen vast te staan dat betrokkene in die periode nog langer het middelpunt van zijn maatschappelijk leven daadwerkelijk in Nederland heeft gehad, op grond waarvan hij toentertijd alsnog als ingezetene in de zin van de AOW zou kunnen worden beschouwd.

LJN BB2684 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding met appellants broer en boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. Van dringende redenen om af te zien van terugvordering is niet gebleken; er is geen sprake van onaanvaardbare consequenties die door de terugvordering zouden optreden. De hoogte van de boete is in overeenstemming met de relevante wet- en regelgeving. Het ontbreken van kwade trouw bij appellant is niet van belang is.

LJN BB8253 - Herziening en terugvordering toeslag AOW-pensioen wegens verzwegen inkomen van appellants echtgenote uit PGB en boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. Tussen partijen is met name in geschil of de SVB met recht het AOW-pensioen van appellant met een volledige terugwerkende kracht heeft herzien en daarbij de juiste mate van verwijtbaarheid heeft toegepast.

LJN BC1162 - Herziening toeslag AOW-uitkering wegens gezamenlijke huishouding met appellantes pleegzoon. Het inkomen van degene met wie appellante een gemeenschappelijke huishouding voert is zodanig dat op een toeslag geen recht bestaat. De Raad ziet geen aanleiding (voormalige) pleegkinderen met bloedverwanten in de eerste graad gelijk te stellen.

LJN BC2165 - Ingangsdatum AOW-pensioen voor een alleenstaande. De ontvangen adreswijziging had voor de SVB aanleiding moeten zijn nader te onderzoeken of in dit geval sprake was van duurzaam gescheiden leven. De SVB was vanaf het moment van ontvangst van de adreswijziging op de hoogte van de opname van de echtgenote van betrokkene in een verpleeghuis.

LJN BC4723 - Korting van 28% op het AOW-pensioen wegens onverzekerde jaren. Niet gesteld kan worden dat het middelpunt van het maatschappelijk leven van appellant in de in geding zijnde periode in Nederland lag. Er is geen bewijs van appellants dienstbetrekking(en). Ook niet kan worden aangenomen dat appellant als niet-ingezetene ter zake van in Nederland in dienstbetrekking verrichte arbeid aan de loonbelasting onderworpen is geweest.

LJN BC4928 - Weigering vrijstelling van de verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen omdat de hoogte van betrokkenes Duitse uitkering minder bedraagt dan 70% van het wettelijk minimumloon, zodat niet is voldaan aan één van de voorwaarden voor vrijstelling als bedoeld in artikel 22 van het Besluit uitbreiding en beperking kring verzekerden volksverzekeringen 1999.

LJN BC6691 - Verlaging AOW-pensioen. Beslaglegging op het AOW-pensioen. De Raad is van oordeel dat de SVB zich, met inachtneming van de vaste jurisprudentie van de Raad, terecht op het standpunt heeft gesteld dat hij gehouden is aan het beslag medewerking te verlenen en dat het niet op zijn weg ligt de geldigheid van het door de deurwaarder gelegde beslag te beoordelen. Dit is voorbehouden aan de burgerlijke rechter.

LJN BC8024 - Weigering appellante toe te laten tot de vrijwillige verzekering voor de Anw omdat appellante op grond van haar AOW-pensioen op 31 december 1999 niet verplicht verzekerd was voor de Anw. Ingevolge artikel 63b van de Anw dient aanmelding voor de vrijwillige verzekering te geschieden binnen één jaar na het einde van de verplichte verzekering. Het verzoek van appellante om deel te nemen aan de vrijwillige verzekering is ruim buiten de termijn van één jaar bij de SVB ingediend.

LJN BD1956 - Korting van 2% op het AOW-pensioen wegens verblijf van ruim één jaar in het buitenland. Het staat de rechter op grond van artikel 11 van de Wet algemene bepalingen niet vrij de innerlijke waarde of billijkheid van de wet te beoordelen. Aan een beoordeling van appellants grief dat de korting op zijn AOW-pensioen niet billijk is, kan de Raad derhalve niet toekomen. Bij een ingezetenenverzekering wordt het onderscheid tussen al dan niet ingezetenen in het algemeen niet beschouwd als een door artikel 26 van het IVBPR verboden onderscheid. De Raad merkt daarbij nog op dat voor appellant de mogelijkheid openstond om zich tijdens zijn verblijf in de Verenigde Staten vrijwillig te verzekeren voor (onder andere) de AOW.

LJN BD8623 - Korting op AOW-pensioen en toeslag omdat appellant vanaf september 1968 tot zijn 65ste verjaardag niet meer verzekerd is geweest krachtens de AOW en zijn echtgenote nimmer verzekerd is geweest krachtens die wet. Bij een verhuizing naar het buitenland ligt het primair op de weg van de betrokkene om zich volledig te laten informeren omtrent alle mogelijke gevolgen. Niet is gebleken dat appellant zich vóór of na 1968 heeft ingespannen om informatie te verkrijgen omtrent zijn Nederlandse pensioenaanspraken na de verhuizing naar Duitsland.

LJN BD8827 - Korting AOW-pensioen wegens niet-verzekerde jaren omdat appellanten in de periode in geding in Suriname woonachtig waren. Er is geen sprake van vooringenomenheid van de rechtbank door zaken te voegen. Evenmin is sprake van niet-gerechtvaardigde ongelijke behandeling naar woonplaats. De Raad benadrukt dat voor het begrip verzekerde in de AOW niet de nationaliteit van belang is, maar, voor zover in deze gedingen van belang, het ingezetenschap. Nederlanders niet woonachtig in Nederland kunnen in principe niet op grond van ingezetenschap verzekerd zijn voor de AOW. Daarbij is niet van belang in welk ander land dan Nederland betrokkenen woonachtig zijn. In die zin wordt iedere Nederlander woonachtig buiten Nederland gelijk behandeld. Onder het begrip Rijk moet worden verstaan het Rijk in Europa. De Raad is niet bevoegd tot toetsing van de AOW aan het Statuut voor het Koninkrijk der Nederlanden.

LJN BE9031 - Weigering AOW-uitkering omdat appellant niet heeft aangetoond of aannemelijk heeft gemaakt dat hij in de periode in geding in Nederland heeft gewoond dan wel loonbelasting heeft betaald. De SVB heeft verzuimd te onderzoeken of appellant onder de betreffende twee namen bekend is bij de door hem genoemde werkgevers, dan wel bij de betreffende gemeente of bij één of meer pensioenfondsen. De Raad is van oordeel dat het bestreden besluit wegens een onzorgvuldige voorbereiding niet in stand kan blijven.

LJN BF7042 - Weigering AOW-pensioen omdat appellant niet voor de AOW verzekerd is geweest. Appellant heeft niet aangetoond dat hij ingezetene is geweest, noch heeft hij aannemelijk gemaakt dat hij hier te lande arbeid in dienstbetrekking heeft verricht ter zake waarvan hij aan loonbelasting onderworpen is geweest.

LJN BG3082 - Verzoek om vrijstelling van de verzekeringsplicht op grond van de volksverzekeringen. De Raad wijst erop dat naar zijn vaste jurisprudentie onbekendheid met de vrijstellingsregeling in het algemeen geen grond vormt om het bestaan van een onbillijkheid van overwegende aard aan te nemen. Dat betrokkene afkomstig is uit een cultuur die nauwelijks aansluiting heeft met de onze, zoals namens betrokkene in beroep naar voren is gebracht, neemt niet weg dat het op betrokkenes weg ligt zich te informeren over de hier toepasselijke regelgeving.

LJN BG5595 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. De onderzoeksbevindingen geven een toereikende grondslag voor het standpunt van de SVB dat ten tijde hier in geding is voldaan aan de criteria van hoofdverblijf in dezelfde woning en wederzijdse verzorging.

LJN BG8458 - Korting AOW-pensioen wegens niet-verzekerde jaren, onder de overweging dat met wonen in het Rijk in het kader van de AOW wordt verstaan wonen in het Rijk in Europa en dat daarmee wonen in Nederlands Nieuw Guinea niet gelijkgesteld kan worden. Appellant heeft betoogd dat de Nederlandse regering gehouden is eerherstel toe te kennen aan ingezetenen uit de voormalige koloniën. Daarbij heeft appellant ook verwezen naar conclusies getrokken tijdens een tribunaal in Nijmegen omtrent de morele en juridische verantwoordelijkheid van Nederland voor de inwoners van West Papua. Wat er verder zij van de conclusies in genoemd tribunaal, dit kan niet leiden tot het aannemen van verzekerde jaren voor de AOW.

LJN BG8822 - Weigering volledig AOW-pensioen omdat onvoldoende is komen vast te staan dat appellanten in de periode in geding het middelpunt van hun maatschappelijk leven in Nederland hebben gehad, op grond waarvan zij als ingezetenen kunnen worden beschouwd. Naar het oordeel van de Raad blijkt vooral uit het bij de uitschrijving uit de GBA aangegeven vertrek naar Spanje dat appellanten de intentie hadden om zich definitief in een ander land te vestigen.

LJN BH0285 - Afwijzing verzoek om herziening. Het (bijzondere) rechtsmiddel van herziening is niet gegeven om, anders dan op grond van enig nieuw feit of enige nieuwe omstandigheid als bedoeld in artikel 8:88 van de Awb juncto artikel 21 van de Beroepswet, een hernieuwde discussie over de betrokken uitspraak te openen.

LJN BH2400 - Afwijzing verzoek om herziening omdat niet gebleken is van nieuwe feiten of omstandigheden. In een geval waarin naar het oordeel van de bestuursrechter de in het besluit op bezwaar opgenomen - inhoudelijke - beslissing ondanks de vernietiging van dat besluit in stand kan blijven, is het in stand laten van de rechtsgevolgen met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb de meest aangewezen weg. Van een processuele misslag in de uitspraak waarvan thans om herziening wordt verzocht, is derhalve geen sprake, zodat de door verzoekster genoemde uitspraak geen verdere bespreking behoeft.

LJN BH2441 - Herziening AOW-pensioen naar de gehuwdennorm. Appellanten hebben de gezamenlijke huishouding niet op het inlichtingenformulieren gemeld. Ook indien later van een afgelegde verklaring wordt teruggekomen, kan in het algemeen worden uitgegaan van de juistheid van de aanvankelijk tegenover een sociaal rechercheur afgelegde en vervolgens door de betrokkene ondertekende verklaring. De bestuursrechter is niet gebonden aan het oordeel van de strafrechter.

LJN BH6073 - Weigering AOW-pensioen omdat appellant na 1 januari 1957 niet verzekerd is geweest voor de AOW. Appellant is niet bekend in het bevolkingsregister en is evenmin geregistreerd in de administratie van het pensioenfonds van het bedrijf waar hij zegt gewerkt te hebben in de betreffende periode. Evenmin heeft appellant andere overtuigende, objectieve en verifieerbare stukken - zoals (vervolg)bewijzen van inschrijving bij het ziekenfonds in latere jaren - over kunnen leggen waaruit blijkt dat hij in die periode verzekerd was voor de AOW.

LJN BI0907 - Herziening en terugvordering AOW-toeslag omdat het inkomen van de echtgenote van appellant is gewijzigd, zonder dat daarvan de SVB op de hoogte is gesteld. De aangevoerde beroepsgronden leveren geen dringende redenen op om bij voorbaat van terugvordering af te zien. Niet gebleken is van dermate bijzondere omstandigheden dat die leiden tot het oordeel dat terugvordering voor appellant onaanvaardbare financiële en/of sociale gevolgen met zich meebrengt. Uit een onderzoek naar de aflossingscapaciteit van appellant is niet gebleken dat er de komende vijf jaar geen sprake meer zal zijn van enige aflossingscapaciteit.

LJN BI1210 - Weigering af te zien van het schuldig nalatig stellen van appellante over de jaren in geding nu aan appellante over die jaren ambtshalve aanslagen zijn opgelegd door de Belastingdienst. Appellante heeft de verschuldigde inkomstenbelasting en premies volksverzekeringen niet betaald. Dit betekent dat reeds uit artikel 18, derde lid, onderdeel a, van de Wfv volgt dat appellante over deze jaren schuldig nalatig is de premie krachtens de AOW te betalen. Hetgeen door appellante in hoger beroep is aangevoerd, kan hieraan niet afdoen.

LJN BI9814 - Vaststelling premie-inkomen over de jaren 2000 tot en met 2003. De in geding zijnde kostenposten zijn terecht niet als aftrekpost in aanmerking genomen door de SVB. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat de plukkosten en de bouwkosten van de hangar agricole, omdat deze kosten niet zijn aangetoond, terecht niet in aanmerking zijn genomen bij de berekening van het premie-inkomen. Ook is de Raad van oordeel dat de kosten van de aanleg van het zonne-energiesysteem en van het telefoonabonnement niet zijn aan te merken als zakelijke kosten, zodat ook deze kosten terecht niet van het premie-inkomen zijn afgetrokken.

LJN BJ2374 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 92% van het volledige pensioen voor een gehuwde. De Raad is van oordeel dat sprake is van een plausibele verklaring voor het feit dat de inschrijving in het Duitse bevolkingsregister mogelijk niet overeenstemde met de feitelijke woonplaats van appellant. Appellant heeft voldoende tegenbewijs geleverd.

LJN BJ2454 - Afwijzing aanvraag om deelname aan de vrijwillige verzekering AOW en Anw omdat appellante nimmer verplicht verzekerd is geweest en daarom, gezien de dwingendrechtelijke bepalingen, niet bevoegd is deel te nemen aan de vrijwillige verzekering. Ingevolge de artikelen 34, 35 en 36 van de AOW en 63, 63a en 63b van de Anw is vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de Anw alleen mogelijk in aansluiting op een periode van verplichte verzekering ingevolge die wetten en voor zover de aanvraag voor toelating tot de vrijwillige verzekering wordt ingediend uiterlijk één jaar na de dag waarop de verplichte verzekering is geëindigd.

LJN BJ3042 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat appellant er niet in is geslaagd aannemelijk te maken dat betrokkene meer dan de helft van de tijd bij haar vriend verbleef. Betrokkene heeft een minder vast en voortdurend verblijfspatroon. De Raad acht van betekenis dat betrokkene in de relevante periode een nieuwe woning heeft betrokken en ingericht.

LJN BJ3850 - Verzoek herziening AOW-pensioen. Weigering om de korting op het AOW-pensioen van appellante met een verdere terugwerkende kracht dan tot 1 januari 2002 ongedaan te maken. Er is geen sprake van nova. Appellante had onder meer op grond van de publicatie in het blad "Inzicht" in januari 1999 en de aandacht in de media voldoende bekend kunnen zijn met de mogelijke consequenties van het arrest-Wessels-Bergervoet voor haar uitkeringssituatie alsmede met de mogelijkheid een verzoek om herziening dienaangaande in te dienen. De Raad stelt vast dat appellante behoort tot de in het beleid van de SVB bedoelde groep van personen die binnen één jaar na het arrest-Wessels-Bergervoet hebben verzocht om herziening van hun ouderdomspensioen nu zij in oktober 2002 een verzoek daartoe heeft ingediend. De SVB heeft geheel in overeenstemming met de hiervoor weergegeven handelwijze voor deze groep personen het ouderdomspensioen van appellante herzien in een volledig pensioen voor een gehuwde, met een terugwerkende kracht tot en met 1 januari 2002.

LJN BJ3923 - Toekenning van 42% van het volledige AOW-pensioen omdat appellant niet verzekerd was gedurende een periode van 29 jaar. Het E205-formulier kan niet worden aangemerkt als een uitdrukkelijke, ondubbelzinnige en ongeclausuleerde toezegging aan appellant. Het feit dat appellant in 1996 op grond van een niet rechtstreeks aan hem verstrekt en niet ondertekend of anderszins herleidbaar formulier meende dat hij gedurende het tijdvak dat hij in België werkzaam was voor de AOW verzekerd was, is niet onbegrijpelijk maar kan naar het oordeel van de Raad niet tot de conclusie leiden dat aan appellant een toezegging is gedaan in bovenvermelde zin zodanig dat op grond daarvan de korting op zijn AOW-pensioen - contra legem - met 2% verlaagd zou moeten worden.

LJN BJ7423 - Weigering AOW-pensioen. De Raad constateert dat appellant, ondanks herhaalde verzoeken van de SVB, slechts summiere gegevens met betrekking tot zijn verblijf en arbeidsverleden in Nederland heeft verstrekt. Informatie over het woonadres of over de duur van het dienstverband en de aard van de verrichte werkzaamheden ontbreekt volledig. Evenals de rechtbank komt de Raad dan ook tot het oordeel dat onder deze omstandigheden niet kan worden aangenomen dat appellant in de periode 1971-1972 voor de AOW verzekerd is geweest.

LJN BK3194 - Weigering AOW-pensioen. Vóór het huwelijk van appellante door haar echtgenoot opgebouwde tijdvakken zijn geen huwelijkse tijdvakken die kunnen leiden tot verzekering van appellante. De rechtbank heeft daarbij terecht overwogen dat artikel 21, eerste lid, van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en het Koninkrijk Marokko immers duidelijk spreekt over tijdvakken waarover appellante niet verzekerd was ingevolge de AOW, maar haar echtgenoot wel, terwijl zij gedurende haar huwelijk op het grondgebied van Marokko woonde.

LJN BK3330 - De toekenning van het AOW-pensioen is met ingang van 1 mei 2004 nader vastgesteld op 82% van het pensioen voor een alleenstaande ouder met een kind jonger dan 18 jaar. Appellant is gedurende de in geschil zijnde tijdvakken niet verplicht verzekerd geweest krachtens artikel 6 van de AOW omdat appellant toen op de Filippijnen woonde en geen ingezetene van Nederland was. Het middelpunt van zijn maatschappelijk leven lag toen immers niet in Nederland. Ten aanzien van de door appellant gestelde ongelijke behandeling met personen die in Nederland bijstand ontvingen, merkt de Raad op dat de verzekering krachtens de AOW in die gevallen niet gekoppeld is aan het ontvangen van bijstand in Nederland, maar aan het ingezetenschap van Nederland. Aan die voorwaarde voldeed appellant gedurende de in geschil zijnde tijdvakken niet. De AOW voorziet niet in een hardheidsclausule.

LJN BK4579 - Korting AOW-pensioen met 48% wegens 24 niet-verzekerde jaren. De SVB heeft terecht 1942 als geboortejaar van appellant aangemerkt. Appellant twijfelde blijkens de informatie van de IND bij zijn binnenkomst in Nederland slechts over zijn geboortedag en -maand, maar niet over zijn geboortejaar. De verklaringen van appellant zelf en van zijn broer worden op geen enkele wijze ondersteund door authentieke stukken die vóór de migratie van appellant naar Nederland door de bevoegde instanties in Marokko zijn opgemaakt.

LJN BL1111 - Vaststelling AOW-pensioen op 92% van het volledige AOW-pensioen. Evenals de rechtbank kan de Raad uit de door appellant overgelegde stukken niet opmaken dat appellant in de in geding zijnde periode verzekerd moet worden geacht voor de AOW. De bewijsproblematiek dient voor rekening en risico van appellant te blijven nu hij in de in geding zijnde periode kennelijk opzettelijk onduidelijkheid heeft laten ontstaan en bestaan over zijn activiteiten en woonplaats.

LJN BL1765 - Schuldignalatigstelling. Nu vaststaat dat betrokkene de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen over 2001 niet heeft betaald en geen omstandigheden zijn aangevoerd of gebleken op grond waarvan het niet betalen van de premie betrokkene niet toegerekend kan worden, heeft appellant terecht besloten betrokkene schuldig nalatig te stellen over 2001. Vernietiging van de aangevallen uitspraak en ongegrondverklaring van het beroep.

LJN BL3630 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep wegens het ontbreken van procesbelang nu appellant is overleden. Niet gebleken is van erfgenamen die appellant als partij in het onderhavige geding zijn opgevolgd en die het geding zouden willen voortzetten. Ook na ’s Raads oproep in de Staatscourant hebben geen belanghebbenden verzocht als partij aan het geding deel te mogen nemen.

LJN BL5977 - Weigering overlijdensuitkering. Op appellante rust de bewijslast om aannemelijk te maken dat zij en betrokkene op de datum van het overlijden van betrokkene hun hoofdverblijf in dezelfde woning hadden. Appellante is hiering niet geslaagd. Er is geen sprake van eenduidige verklaringen. Er was sprake van financiële verstrengeling, maar uit de stukken blijkt niet dat appellante en betrokkene op de datum van het overlijden hun hoofdverblijf op hetzelfde adres hadden.

LJN BL9498 - Weigering AOW-uitkering omdat appellant niet verzekerd is geweest voor de AOW. De Raad acht het aannemelijk dat appellant enige tijd krachtens de Ziekenfondswet verzekerd is geweest, zij het dat de precieze periodes niet bekend zijn. De Raad draagt de SVB op een nieuw besluit op bezwaar te nemen. Indien uit nader onderzoek niet duidelijk wordt in welke perioden appellant precies verzekerd is geweest, moet in ieder geval de conclusie zijn dat appellant - eventueel afgerond - één jaar verzekerd is geweest en recht heeft op een AOW-pensioen van 2% van het maximale pensioen.

LJN BM2220 - Toekenning AOW-pensioen van 10% van het volledige AOW-pensioen en een toeslag van 12% van de volledige toeslag. Reformatio in peius in hoger beroep. Uit de gegevens van het UWV alsmede uit andere gedingstukken maakt de Raad op dat appellant over de periode van maart tot juli 1992 een WAO-uitkering heeft ontvangen van meer dan 35% van het wettelijk minimumloon. Derhalve zou deze periode moeten worden meegenomen als verzekerde periode voor de AOW. De Raad bepaalt dat voornoemde periode als verzekerde periode moet worden meegenomen bij de berekening van het AOW-pensioen van appellant met ingang van mei 2007. Hierdoor is er sprake van een niet-verzekerde periode van ruim 46 jaar, hetgeen leidt tot een AOW-pensioen van 8% van het volledige pensioen. De hoogte van de tot juli 2006 uitbetaalde toeslag blijft ongewijzigd.

LJN BM5100 - Schorsing van het toegekende voorschot op de AOW-toeslag omdat appellant niet heeft gereageerd op verzoeken om informatie over zijn echtgenote. Er bestaat grote onduidelijkheid over de vraag met wie appellant gehuwd was. Deze informatie is van wezenlijk belang voor de beoordeling van de aanspraak op de toeslag-AOW. De SVB heeft terecht de toeslag geschorst.

LJN BM6643 - De SVB heeft terecht afgezien van het postuum toekennen van een AOW-uitkering met een terugwerkende kracht van meer dan één jaar. Bij de beoordeling of sprake is van een bijzonder geval, evenals bij de beoordeling of sprake is van (financiële) hardheid, dient het te gaan om de individuele omstandigheden van de uitkeringsgerechtigde en niet die van de erven.

LJN BM7374 - Weigering toelating tot de vrijwillige verzekering voor de AOW en de Anw. Gedurende het jaar voorafgaande aan de aanvraag was appellant in ieder geval niet verplicht verzekerd krachtens die wetten omdat hij toen niet in Nederland woonde. Na de eerste uitbetaling van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht heeft appellant kunnen onderkennen dat geen premie volksverzekeringen op zijn WAO-uitkering was ingehouden. Door pas in juni 2007 de SVB te verzoeken hem toe te laten tot de vrijwillige verzekering AOW/Anw kan niet gezegd worden dat appellant binnen een redelijk te achten termijn zich bij de SVB heeft gemeld.

LJN BM9883 - Weigering overlijdensuitkering omdat er gelet op de bloedverwantschap in de eerste graad met appellants moeder geen sprake kan zijn van het voeren van een gemeenschappelijke huishouding. Met betrekking tot het verzoek tot vergoeding van schade in verband met overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM, overweegt de Raad dat de redelijke termijn in een procedure als deze in beginsel niet is overschreden als de procedure in haar geheel niet langer dan vier jaar in beslag heeft genomen.

LJN BN4693 - Korting AOW-pensioen omdat appellant in de perioden dat hij in Duitsland werkzaam was niet mede onder de Nederlandse socialezekerheidswetgeving viel en derhalve in die perioden niet voor de AOW verzekerd is geweest. Ten aanzien van de tijdvakken waarin hij in Duitsland heeft gewerkt, merkt de Raad op dat appellant toen daadwerkelijk verzekerd was in Duitsland, onder meer voor de Duitse ouderdomsverzekering, en dat aan hem ook een Duits ouderdomspensioen is toegekend. Met betrekking tot de stelling van appellant dat hij gedurende die tijdvakken wel premie voor de AOW heeft betaald, wijst de Raad erop dat appellant die stelling niet aan de hand van bewijsstukken heeft aangetoond.

LJN BN5191 - Weigering AOW-pensioen aan een zeeman. Evenals de rechtbank is de Raad niet gebleken van zodanige omstandigheden dat de conclusie moet worden getrokken dat appellant tijdens de periode in geding in Nederland aan de vaste wal woonde en moet worden geoordeeld dat hij woonde aan boord van de schepen waarop hij werkzaam was. Van strijdigheid destijds met enige internationaalrechtelijke bepaling is de Raad niet gebleken.

LJN BO0012 - Schuldignalatigstelling. Appellant is schuldig nalatig de over de jaren 1998 en 1999 verschuldigde premie krachtens de AOW te betalen. Daarbij is terecht overwogen dat nu over voornoemde jaren een ambtshalve aanslag is opgelegd door de Belastingdienst, op grond van artikel 18, derde lid, van de Wfv niet kan worden afgezien van het schuldig nalatig stellen (zie ook LJN AR7737). Indien appellant van oordeel is dat de curator in gebreke is gebleven zijn werkzaamheden op een juiste wijze te verrichten, dan had het op zijn weg gelegen daartegen actie te ondernemen.

LJN BO4328 - Exportverbod AOW. Beëndiging AOW-toeslag omdat appellant woonachtig is in een land, namelijk Libanon, waarvoor de Wet BEU geldt. De Raad is van oordeel dat met de in het bestreden besluit opgenomen afbouwregeling aan het proportionaliteitsvereiste is voldaan. Niet kan worden gezegd dat de in die regeling in algemene zin neergelegde afweging van de publieke belangen en de belangen van betrokkene de rechterlijke toetsing aan artikel 1 van het EP niet kan doorstaan. De Raad is niet gebleken van omstandigheden om daar in het geval van appellant anders over te denken.

LJN BO7877 - Vaststelling AOW-pensioen en toeslag. Artikel 39 EG (thans artikel 45 VWEU) biedt niet de garantie dat overbrenging van de woonplaats naar een andere lidstaat voor de sociale zekerheid neutraal is. Bij de vaststelling van de hoogte van de aan appellant toegekende toeslag is het aantal verzekerde jaren van zijn echtgenote bepalend. Een in Nederland wonende toeslaggerechtigde wordt met een korting op zijn toeslag geconfronteerd indien zijn huwelijkspartner gedurende één of meer jaren niet in Nederland verzekerd is geweest. Appellant wordt hierin niet anders behandeld dan een toeslaggerechtigde die ingezetene is en geen gebruik heeft gemaakt van zijn recht op vrij verkeer. De echtgenote van appellant heeft de mogelijkheid gehad zich in 1992, na haar vertrek naar België, vrijwillig te verzekeren voor de AOW.

LJN BO8871 - Gegrondverklaring verzet. Mede gelet op hetgeen appellante en haar echtgenoot ter zitting hebben verklaard, ziet de Raad in de medische situatie van appellante zoals geschetst in haar brieven - thans - aanleiding appellante het voordeel van de twijfel te geven en de overschrijding van de hogerberoepstermijn verschoonbaar te achten.

LJN BP7977 - Vaststelling AOW-pensioen. Het inkomen van appellants echtgenote is zodanig dat de toeslag op het AOW-pensioen volledig wordt gekort. Slechts uitkeringen op grond van particuliere verzekeringen, gesloten door zelfstandigen of door werknemers los van de arbeidsovereenkomst in de privésfeer, worden niet als inkomen in de zin van het Inkomensbesluit AOW 1996 beschouwd. Er is geen sprake van schending van artikel 26 van het IVBPR.

LJN BQ9533 - Weigering toelating met terugwerkende kracht tot de vrijwillige verzekering voor de AOW. Volgens vaste rechtspraak leidt onbekendheid met de wet op zichzelf niet tot de conclusie dat er sprake is van een zodanig bijzonder geval dat een overschrijding van een wettelijke aanmeldtermijn verschoonbaar is te achten. Reeds omdat niet is gebleken dat appellant de SVB destijds van zijn remigratie op de hoogte heeft gesteld, acht de Raad niet van betekenis dat de SVB appellant destijds niet actief heeft geïnformeerd over de mogelijkheid om een vrijwillige verzekering voor de AOW te sluiten. Naar het oordeel van de Raad heeft het primair op de weg van appellant zelf gelegen om de opbouw van zijn pensioenrechten na zijn remigratie in de gaten te houden en om desgewenst zeker te stellen dat deze opbouw werd voortgezet door tijdig een vrijwillige verzekering voor de AOW aan te gaan.

LJN BR3541 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 86% van het pensioen voor een gehuwde. Weigering toeslag omdat appellant woont in een land waarop de Wet BEU van toepassing is. Het beroep op artikel 1 van het EP faalt. De Raad stelt vast dat appellant ten tijde van de inwerkingtreding van artikel 8a van de AOW, op 1 januari 2000, nog geen recht had op een ouderdomspensioen en een toeslag krachtens de AOW. Appellant was op dat moment ook nog niet gehuwd met zijn huidige echtgenote. Dit betekent dat in dit geval in ieder geval geen sprake is van een ontneming van een bestaand recht op een toeslag bij het bestreden besluit. Voor zover sprake is van de ontneming van een aanspraak waarvan de verwachting gerechtvaardigd is dat die gerealiseerd zal worden, hetgeen de Raad in het midden laat, is deze eigendomsontneming naar het oordeel van de Raad op grond van artikel 1 van het EP gerechtvaardigd.

LJN BS1143 - Herziening AOW-pensioen met volledig terugwerkende kracht. De Raad is niet gebleken dat appellant het beleid niet consistent heeft toegepast. De Raad is van oordeel dat het betrokkene redelijkerwijs duidelijk kon zijn dat hij ten onrechte een volledig AOW-pensioen ontving, nu hij geen rechtsmiddelen heeft aangewend tegen de besluiten omtrent de schuldignalatigverklaringen en hij daarnaast niet heeft ontkend deze besluiten ontvangen te hebben. Dat er sinds het nemen van deze besluiten een lange tijd is verstreken, maakt niet dat betrokkene met de gevolgen geen rekening meer hoefde te houden.

LJN BT1994 - Weigering AOW-uitkering omdat appellant niet voor de AOW verzekerd is geweest. Niet is komen vast te staan dat appellant gedurende enig tijdvak ingezetene van Nederland is geweest, dan wel ter zake van hier te lande verrichte arbeid in dienstbetrekking onderworpen is geweest aan de loonbelasting. Evenmin is gebleken van andere omstandigheden op grond waarvan appellant als verzekerd aangemerkt zou kunnen worden.

LJN BU6986 - Toekenning AOW-pensioen voor gehuwden. Het maandelijkse AOW-pensioen blijft ongewijzigd, maar de aan appellantes ex-partner toegekende toeslag vervalt omdat zijn partner de leeftijd van 65 jaar heeft bereikt. Met de rechtbank is de Raad van oordeel dat de genoemde feiten en omstandigheden, die niet worden betwist, een toereikende feitelijke grondslag bieden voor het standpunt van de SVB dat sprake is van wederzijdse zorg. Van een zuiver zakelijke verhuurder-huurderrelatie is ook naar het oordeel van de Raad geen sprake. De geschetste feiten en omstandigheden duiden op een in een zakelijke relatie ongebruikelijke verbondenheid en op een mate van verantwoordelijkheid voor elkaar die de grenzen van een zakelijke relatie overschrijden.

LJN BV0771 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Er is voldoende grondslag voor het standpunt dat aan het criterium van de wederzijdse zorg is voldaan. Niet aannemelijk is gemaakt dat sprake is van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangers- of onderhuurrelatie.

LJN BV0865 - Tussenuitspraak. Weigering eenmalige uitkering op basis van de Tijdelijke regeling eenmalige tegemoetkoming pensioenverevening (TRP) omdat appellant op 1 juli 2007 niet in Nederland woonachtig was. De TRP valt niet onder de materiële werkingssfeer van Verordening (EEG) 1408/71. Aan deze verordening kan appellant dan ook geen rechten ontlenen. De TRP is bedoeld om tegemoet te komen aan gevoelens van onrecht als gevolg van het ontbreken van een recht op een deel van het opgebouwde pensioen van de ex-partner. Om dit doel te bereiken, is het stellen van de eis van ingezetenschap op 1 juli 2007, terwijl het inkomen over het jaar 2005 gecontroleerd diende te worden, geen geschikt middel. De gewenste eenvoudige controleerbaarheid van de inkomensgegevens is geen voldoende rechtvaardiging voor het stellen van de eis van ingezetenschap op 1 juli 2007. Derhalve is sprake van een niet-gerechtvaardigde belemmering van het recht op vrij verkeer en verblijf als neergelegd in artikel 18 van het EG-verdrag. Het stellen van een woonplaatseis louter op 1 juli 2007 vormt niet een voldoende indicatief criterium voor de vaststelling van de verbondenheid met Nederland of de Nederlandse rechtssfeer. De SVB wordt opgedragen de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BV6582 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Er bestaat geen aanleiding om de aan de sociale recherche afgelegde verklaring van appellante buiten beschouwing te laten. Er is voldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de SVB dat appellante en betrokkene in de hier te beoordelen periode een gezamenlijke huishouding hebben gevoerd op het adres van appellante.

LJN BV7594 - Weigering AOW-pensioen omdat appellante niet verplicht of vrijwillig verzekerd is geweest. Volgens het geldende beleid van de SVB kan wat betreft de in geding zijnde periode alleen de eerste echtgenote aanspraak maken op huwelijkse tijdvakken, ondanks dat zij zich niet vrijwillig heeft verzekerd, en kan de tweede echtgenote alleen aanspraak maken op huwelijkse tijdvakken waarop de eerste echtgenote geen aanspraak kon maken. Niet is gebleken dat enig tijdvak bij appellante als zijnde de derde echtgenote in aanmerking zou kunnen worden genomen in het geval een zodanig tijdvak niet voor de eerste echtgenote kon gelden.

LJN BW4289 - Vaststelling ingangsdatum ontheffing verzekeringsplicht ingevolge de volksverzekeringen. De stelling van appellant dat hij als gevolg van het niet bekendmaken van het beleid er te laat achter is gekomen dat hij ontheffing diende te vragen, moet worden verworpen. Immers, de te late aanvraag is het gevolg van de omstandigheid dat appellant er niet van op de hoogte was dat hij door het eindigen van de dienstbetrekking met ESA niet langer van het Nederlandse stelsel en van de verzekeringsplicht voor de volksverzekeringen was uitgezonderd. Deze uitzondering volgt niet uit het beleid van de SVB, maar rechtstreeks uit de genoemde nationale en internationale regelgeving.

LJN BW7161 - Onterechte weigering toelating tot de vrijwillige verzekering AOW en Anw. Ter beoordeling staat of sprake is van bijzondere omstandigheden die meebrengen dat de overschrijding van de aanmeldtermijn appellant niet kan worden tegengeworpen. Appellant heeft met terugwerkende kracht tot 1991 een WAO-uitkering ontvangen en is (achteraf bezien) van 1991 tot 1 januari 2000 verplicht verzekerd voor de AOW en Anw. Er bestond voor appellant geen enkele aanleiding om bij de SVB melding te maken van de lopende procedures over zijn aanspraken ingevolge de WAO. Appellant kan dus niet worden verweten dat hij zich niet binnen één jaar na 1 januari 2000 voor de vrijwillige verzekering heeft aangemeld.

LJN BW7520 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Niet in geschil is dat appellant en betrokkene ten tijde hier van belang hoofdverblijf hadden in dezelfde woning. De onderzoeksbevindingen, in het bijzonder de verklaring die appellant tijdens zijn verhoor heeft afgelegd, bieden voldoende grondslag voor het standpunt van de SVB dat aan het criterium van wederzijdse zorg is voldaan. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat ten tijde van belang sprake was van een door zakelijke verhoudingen beheerste kostgangersrelatie. Dat de strafzaak tegen appellant is geseponeerd, kan appellant niet baten. Er is geen dringende reden op grond waarvan de SVB geheel of gedeeltelijk van terugvordering had moeten afzien.

LJN BW9498 - Herziening AOW-toeslag. De vrijval van de fiscale oudedagsreserve (FOR) moet tot de winst uit onderneming worden gerekend en mitsdien tot de inkomsten uit arbeid. Het beleid van de SVB waarin is gekozen voor een berekening van het maandinkomen door een gelijkelijke verdeling van de winst over het jaar is geen kennelijk onredelijk beleid. Het bestreden besluit is in overeenstemming met dit beleid. Het feit dat een ander fiscaal regime gold toen appellants echtgenote de FOR vormde, is onvoldoende om af te wijken van het beleid. Ook in het geval waarin de toeslag lopende het boekjaar eindigt, noopt artikel 4:84 van de Awb er niet toe dat wordt afgeweken van het beleid.

LJN BX4903 - Weigering kwijtschelding. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat dringende redenen er niet toe kunnen leiden dat van verdere terugvordering moet worden afgezien. Voorts is terecht geconcludeerd dat appellant niet voldoet aan de voorwaarden van het Besluit invordering boeten en onverschuldigd betaalde bedragen AOW, Anw en AKW. Er is geen sprake van nieuwe feiten of omstandigheden op grond waarvan de SVB gehouden was van de terugvorderingsbesluiten terug te komen.

LJN BX7950 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van 92% van het maximale pensioen. Appellante had zich, bij vertrek uit Nederland, vrijwillig kunnen verzekeren voor de AOW. Gesteld noch gebleken is dat zij hierover met de SVB contact heeft opgenomen. Dat zij in de veronderstelling verkeerde verzekerd te zijn vanwege het fiscaal partnerschap maakt dit niet anders, nu evenmin is gebleken dat zij op dit punt nadere informatie heeft gevraagd bij de SVB. Het is aan degene die de woonplaats naar het buitenland verlegt om de nodige informatie in te winnen over de mogelijke gevolgen voor onder andere het ouderdomspensioen.

LJN BX8622 - Toekenning AOW-pensioen met een korting van 90% wegens tijdvakken waarin appellant niet verzekerd was voor de AOW. Uit onderzoek door de SVB is niet gebleken dat appellant gedurende de niet-verzekerde perioden in Nederland heeft gewoond of gewerkt. Appellant heeft geen informatie ingebracht die een aanknopingspunt biedt voor de stelling dat het door de SVB voor appellant vastgestelde aantal verzekerde jaren onjuist zou zijn. In het algemeen is het betalen van premie niet bepalend voor de vraag of iemand al dan niet verplicht verzekerd is.

LJN BX9051 - Tussenuitspraak. Weigering AOW-uitkering omdat appellant niet verzekerd is geweest voor de AOW. Na het horen van de getuige ter zitting heeft de SVB verklaard de overtuiging te hebben gekregen dat appellants stellingname ten aanzien van het wonen en werken in Nederland op waarheid berust. De SVB wordt opgedragen een nader besluit op bezwaar te nemen met inachtneming van hetgeen de Raad heeft overwogen.

LJN BX9932 - Toekenning AOW-pensioen ter hoogte van het bedrag voor gehuwden. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellante en haar partner niet duurzaam gescheiden leven. Dit volgt uit hun gezamenlijke activiteiten en de daarmee samenhangende financiële verwevenheid. Daarom is appellante voor toepassing van de AOW terecht als gehuwde aangemerkt.

LJN BY0124 - Toekenning AOW-pensioen. Er is geen sprake van een bijzonder geval op grond waarvan sprake kan zijn van een langere terugwerkende kracht dan één jaar. Uit de gedingstukken blijkt dat appellant een echtgenote en een dochter heeft en dat appellants dochter hem heeft bijgestaan bij de bezoeken aan artsen. Ervan uitgaande dat appellant bij zijn belangenbehartiging inzake zijn recht op ouderdomspensioen belemmeringen ondervond, kon hij in elk geval, zo blijkt uit de gedingstukken, een beroep doen op derden. Appellant moet dus in staat worden geacht destijds tijdig een aanvraag te hebben kunnen laten indienen door een derde.

LJN BY3900 - Weigering toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW en de Anw. Appellant heeft niet binnen een redelijk te achten termijn na toekenning van de WAO-uitkering met terugwerkende kracht bij besluit van 14 november 2005 verzocht om toelating tot de vrijwillige verzekering ingevolge de AOW/Anw. Eerst in 2010 heeft hij een verzoek tot toelating gedaan. Appellant heeft dienaangaande gesteld dat hij er niet op is gewezen dat hij zich vrijwillig kon verzekeren. Anders dan appellant heeft betoogd, rust op de SVB geen plicht voorheen verplicht verzekerden erop te attenderen dat zij zich vrijwillig kunnen verzekeren. Gelet daarop kan het appellant verweten worden dat hij zich niet binnen één jaar na 1 november 1990 heeft aangemeld voor de vrijwillige verzekering en moet worden geconcludeerd dat hem terecht toelating tot de vrijwillige verzekering is geweigerd.

LJN BY6199 - Intrekking AOW-toeslag. De Raad is van oordeel dat de duurzame band van persoonlijke aard tussen appellant en Nederland na één jaar verblijf in China verloren is gegaan. Met name wordt van belang geacht dat appellant vóór zijn vertrek zijn huurwoning heeft opgezegd en dat hij in China een echtgenote en minderjarig kind heeft. Dat appellant zich om economische redenen genoodzaakt zag te vertrekken naar China, is voor de beoordeling waar iemand woont niet van belang. In de gegeven omstandigheden ziet de Raad niet in dat het vertrek van appellant naar China slechts tijdelijk van aard is. Appellant heeft weliswaar de intentie geuit om terug te keren naar Nederland, maar indien deze niet verwezenlijkt kan worden, betekent dit, gezien de specifieke omstandigheden van het geval, niet dat hij zijn woonplaats in Nederland heeft behouden. Appellant heeft niet gesteld, laat staan aannemelijk gemaakt, dat hij binnen afzienbare tijd na 1 november 2010 wel daadwerkelijk zou terugkeren naar Nederland.

LJN BY6593 - Herziening en beëindiging AOW pensioen omdat betrokkene zich heeft onttrokken aan een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Appellant is gehouden bij de toepassing van artikel 8c, tweede lid, van de AOW te beoordelen of betrokkene zich heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf of vrijheidsbenemende maatregel. Appellant is niet gehouden betrokkene voorafgaande aan de beëindiging van het pensioen met toepassing van artikel 8c, tweede lid, van de AOW (met behulp van een vooraankondiging) in de gelegenheid te stellen te reageren op de voorgenomen intrekking en de daaraan ten gronde gelegde overwegingen. Niet kan worden gezegd dat de in artikel 8b en 8c van de AOW, in algemene zin, neergelegde afweging van de publieke belangen en de belangen van betrokkenen de rechterlijke toetsing aan artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet kan doorstaan.

LJN BY7872 - Zorgregeling AOW. Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Betrokkenen hebben verzocht om toepassing van de uitzonderingsregel voor hulpbehoevendheid in de AOW. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat voor het maken van een onderscheid tussen AOW-gerechtigden die een gezamenlijke huishouding gaan voeren met een hulpbehoevende pensioengerechtigde en degenen die een gezamenlijke huishouding gaan voeren met een hulpbehoevende niet-pensioengerechtigde, geen toereikende, objectieve en redelijke rechtvaardiging meer bestaat vanaf het moment dat de jongste partner pensioengerechtigd is geworden. Artikel 17, tweede lid, van de AOW in samenhang met artikel 14 van het EVRM moet aldus worden verstaan dat eerstgenoemd artikellid, vanaf het moment waarop beide partners de pensioengerechtigde leeftijd hebben bereikt, ook van toepassing is op personen die al vóór het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de jongste partner een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren en die voldoen aan de overige voorwaarden genoemd in dit artikellid. Nu tussen partijen niet in geschil is dat betrokkenen aan die voorwaarden voldoen, bestaat er geen grond voor de herziening.

LJN BY9648 - Tussenuitspraak. Herziening en terugvordering partnertoeslag van appellants inwonende kleinzoon. De SVB heeft appellant diverse malen om inlichtingen verzocht over het inkomen van zijn kleinzoon. Appellant heeft de gevraagde inkomensgegevens niet verstrekt. De Raad is met de SVB van oordeel dat daardoor het recht op toeslag niet is vast te stellen. Uit de vorm noch uit de inhoud van zijn bezwaarschrift blijkt dat appellant zijn bezwaar heeft willen beperken tot de herziening en de beëindiging van de toeslag. De SVB heeft verzuimd een besluit te nemen over het bezwaar tegen de terugvordering en in het bijzonder over het betoog dat sprake is van een dringende reden om de terugvordering te matigen. De SVB wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BZ2156 - Toekenning AOW-pensioen naar de gehuwdennorm. Er kan niet worden gezegd dat de wetgever de hem toekomende beoordelingsvrijheid heeft overschreden door het onderhavige onderscheid tussen echtgenoten en ongehuwden te maken. Er is in dit geval geen sprake van een situatie waarin appellant en zijn echtgenote ieder afzonderlijk een eigen leven leidt. Evenmin is sprake van duurzaam gescheiden leven.

LJN BZ3667 - Vaststelling ingangsdatum AOW-pensioen. Niet als vaststaand kan worden aangenomen dat appellanten hebben voldaan aan de voorwaarden als neergelegd in artikel 22 van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika om hun aanvragen om een Amerikaanse ouderdomspensioen tevens aan te merken als aanvragen om een ouderdomspensioen op grond van de AOW. De formulieren waarmee de aanvragen destijds zijn ingediend, zijn niet meer in het bezit van appellanten en de SSA, zodat niet met zekerheid kan worden vastgesteld dat appellanten bij de indiening van hun aanvragen hebben verzocht deze tevens te beschouwen als een aanvraag om een Nederlands ouderdomspensioen. Er is geen sprake van een bijzonder geval.

LJN BZ7752 - Vaststelling ingangsdatum AOW-verzekering. Van belang is welke objectief controleerbare bindingen de betrokkene heeft met Nederland. Het moment met ingang waarvan sprake is van ingezetenschap dient te worden bepaald aan de hand van alle van belang zijnde omstandigheden. Daarbij zijn van belang zowel de momenten waarop de (achteraf geobjectiveerde) intentie is ontstaan als die waarop de objectief controleerbare bindingen tot stand zijn gekomen. Aan het enkele gegeven dat de objectief controleerbare bindingen later tot stand komen dan de (aan de hand daarvan geobjectiveerde) intentie komt als zodanig geen betekenis toe. Appellant heeft gesteld dat de zienswijze van de rechtbank ertoe zou kunnen leiden dat betrokkene achteraf bezien vanaf zijn komst naar Nederland als ingezetene zou moeten worden aangemerkt. Een zodanige situatie is echter niet aan orde.

LJN BZ9833 - Schuldignalatigstelling over de jaren 2000 tot en met 2005. Niet kan worden gezegd dat het niet betalen van de premie appellanten niet kan worden verweten. Daarbij is van belang dat - in overeenstemming met het beleid van de SVB - een faillissement in beginsel een omstandigheid is die kan wijzen op het ontbreken van verwijtbaarheid van de zijde van de betrokkene. Onder omstandigheden kan het achterwege blijven van de premiebetaling de betrokkene niettemin verwijtbaar zijn. Appellanten hebben immers de beschikbare gelden - afkomstig uit inkomsten of vermogen - aangewend voor het plegen van investeringen of voor andere doeleinden, zonder gelden te reserveren voor het voldoen van de premieschulden.

LJN CA1660 - Herziening AOW-pensioen omdat betrokkenen niet meer waren aan te merken als duurzaam gescheiden levend. Vanaf de datum in geding is de toestand van duurzaam gescheiden leven opgeheven doordat zij weer een woning zijn gaan delen. De stelling van betrokkenen dat zij zijn gescheiden van tafel en bed en er vanwege hun geloofsovertuiging niet voor hebben gekozen hun huwelijk te ontbinden, maakt dit niet anders. De onderhavige wettelijke regeling hanteert geloofsovertuiging niet als onderscheidende maatstaf en leidt er evenmin toe dat de (meeste) AOW-gerechtigden met een (bepaalde) geloofsovertuiging anders worden behandeld dan AOW-gerechtigden die een dergelijke overtuiging niet hebben. Ook vormt de onderhavige regeling geen beperking van de vrijheid die een ieder toekomt om zijn godsdienst te belijden. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat betrokkenen vanaf de datum in geding als ongehuwd aangemerkt dienen te worden. Overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

LJN CA3235 - Toekenning AOW-pensioen met terugwerkende kracht. De SVB heeft er terecht op gewezen dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak heeft miskend dat de vaststelling dat sprake is van een bijzonder geval ertoe leidt dat de SVB bevoegd is het pensioen met een verdergaande terugwerkende kracht toe te kennen en dat de rechtbank geen aandacht heeft besteed aan het door de Svb gevoerde beleid met betrekking tot de gebruikmaking van deze bevoegdheid. Nu betrokkene desgevraagd heeft aangegeven dat zij gehuwd is en niet duurzaam gescheiden leeft van haar echtgenoot en de SVB aan haar ook een gehuwdenpensioen heeft toegekend, moet geconcludeerd worden dat de SVB, bij de beoordeling van de hardheid, terecht is uitgegaan van het volledige gehuwdenpensioen als de toepasselijke minimumnorm. De SVB heeft terecht beslist dat geen sprake is geweest van hardheid vanaf de datum in geding. Dit betekent dat de SVB met inachtneming van zijn beleid heeft kunnen beslissen om het ouderdomspensioen niet met een verdergaande terugwerkende kracht dan één jaar toe te kennen.

LJN ZB7200 - Renteschade die het gevolg is van het door de SVB - volgens betrokkene ten onrechte - onder haar beheer nemen en houden van bepaalde geldbedragen die door de Belastingdienst aan de SVB zijn betaald na een daartoe namens betrokkene gedaan verzoek. Ongegrondverklaring (in plaats van niet-ontvankelijkverklaring) van het bezwaar omdat de beslissing om betrokkene geen rentevergoeding te verlenen geen publiekrechtelijke rechtshandeling in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb inhoudt en ter zake dan ook de burgerlijke rechter bevoegd is te oordelen.

LJN ZB7317 - Afwijzing van het verzoek om vrijstelling van de verplichte verzekering ingevolge de volksverzekeringen op grond van artikel 24, tweede lid, onderdeel b, van het Besluit uitbreiding kring verzekerden volksverzekeringen 1989, inhoudende dat in het geval dat de betrokkene zowel een Nederlandse als een buitenlandse socialezekerheidsuitkering ontvangt, vrijstelling wordt verleend indien het totaal van die uitkeringen ten minste 70% van het wettelijk minimumloon bedraagt en de buitenlandse uitkering ten minste gelijk is aan de Nederlandse. Is betrokkene onderworpen aan de Duitse of aan de Nederlandse wetgeving en vanaf welke datum?

LJN ZB8679 - Korting van 22% op het AOW-pensioen omdat betrokkene niet verzekerd wordt geacht voor de AOW gedurende de perioden in geding. Aan deze korting ligt onder meer ten grondslag dat betrokkene als buitenlandse zeevarende die heeft gewoond aan boord van een schip met een thuishaven in Nederland uitgesloten was van de verzekering voor de AOW en in de periode dat hij niet heeft gevaren evenmin in dienst was van een in Nederland gevestigde werkgever.

LJN ZB8843 - Toekenning ingaande de datum in geding van een gedeeltelijke toeslag op het AOW-pensioen. Is het pensioen op grond van de Landsverordening Algemene Ouderdomsverzekering van de Nederlandse Antillen terecht aangemerkt als inkomen in verband met arbeid en als zodanig volledig op de toeslag in mindering gebracht? Is er sprake van enige relatie met arbeid bij het Antilliaanse pensioen?

ECLI:NL:CRVB:2013:975 - Vaststelling premie voor de vrijwillige AOW/Anw-verzekering op het maximum. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn inkomen in de jaren in geding minder heeft bedragen dan het maximumbedrag waarover jaarlijks premie dient te worden betaald.

ECLI:NL:CRVB:2013:1275 - Vaststelling pensioenoverzicht. Appellant is terecht niet verzekerd geacht over de periode in geding. Niet is aangetoond dat appellant in deze periode in Nederland woonachtig was of ter zake van arbeid in Nederland aan de loonbelasting was onderworpen. De SVB heeft aangegeven dat de bij de SVB bekende bestanden afkomstig van werkgevers en de Belastingdienst zijn geraadpleegd en dat daarin geen gegevens van appellant voorkomen.

ECLI:NL:CRVB:2013:1296 - Herziening en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Er is voldoende grond voor gedeeltelijke schorsing van de uitbetaling van het AOW-pensioen en voor de conclusie dat geen sprake is van duurzaam gescheiden leven in de zin van artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW. Zo blijkt uit het onderzoek dat appellant en echtgenote zich naar buiten toe hebben gepresenteerd als gehuwden door voor de Belastingdienst fiscale partners te blijven, door de registratie van de echtgenote bij het pensioenfonds als echtgenote van appellant en voorts door een doorlopende reisverzekering op naam van appellant en de echtgenote alsmede een inboedelverzekering op het woonadres van de echtgenote te handhaven. Reeds uit deze feiten blijkt niet van een gewilde verbreking van de echtelijke samenleving, zodat van duurzaam gescheiden leven niet kan worden gesproken.

ECLI:NL:CRVB:2013:1389 - Tussenuitspraak. Korting op het AOW-pensioen wegens schuldige nalatigheid de verschuldigde premie AOW te betalen. Met uitzondering van het jaar 1973 hebben de schuldignalatigverklaringen formele rechtskracht verkregen en konden door de SVB dan ook met recht aan het bestreden besluit ten grondslag worden gelegd. De schuldignalatigverklaring over het jaar 1973 is, ook naar het oordeel van de SVB zelf, niet op de voorgeschreven wijze bekendgemaakt. Dat brengt mee dat de in het bestreden besluit opgenomen korting op de AOW-uitkering van appellant, voor zover die korting zijn grondslag vindt in de schuldignalatigverklaring over het jaar 1973, niet voldoende zorgvuldig is voorbereid en een deugdelijke motivering mist. Aan de SVB wordt opgedragen dit gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2013:1434 - Weigering AOW-pensioen. Appellant heeft geen authentieke stukken overgelegd waaruit blijkt dat hij in 1943 is geboren. Uit de verklaringen van enkele werkgevers en uit een registratie in het Nederlandse bevolkingsregister blijkt dat appellant vanaf zijn vestiging in Nederland steeds 1948 als zijn geboortejaar heeft opgegeven. Een medisch-deskundig oordeel over het juiste geboortejaar kan niet als genoegzaam bewijs worden aanvaard.

ECLI:NL:CRVB:2013:2023 - In het door betrokkene opgevraagde pensioenoverzicht is opgenomen dat hij gedurende een periode niet verzekerd is geweest voor de AOW. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat betrokkene gedurende zijn volledige verblijf in Israël ingezetene van Nederland is gebleven. De aangevallen uitspraak moet dan ook worden vernietigd. De Raad zal zelf in de zaak voorzien door het bestreden besluit te herroepen en te bepalen dat betrokkene niet verzekerd is geweest voor de AOW in de periode in geding.

ECLI:NL:CRVB:2013:2027 - Vaststelling AOW-partnertoeslag. Bij de vaststelling van de toeslag voor appellantes partner is het verlies uit onderneming van de partner in de jaren 2008 en 2009 op nihil gesteld. De betalingen aan de partner uit het aan de zoon toegekende PGB zijn terecht als inkomsten uit arbeid aangemerkt. Niet gezegd kan worden dat met de in het Inkomensbesluit AOW 1996 opgenomen behandeling van inkomsten uit onderneming en inkomsten uit loonarbeid de "margin of appreciation" is overschreden.

ECLI:NL:CRVB:2013:2461 - Aanvraag vrijwillige AOW-verzekering. De SVB heeft aangenomen dat het door appellant in september 2005 met een medewerker van de SVB gevoerde telefoongesprek - waarbij volgens de SVB is verzuimd appellant te informeren over de mogelijkheid tot vrijwillige verzekering voor de echtgenote - aangemerkt moet worden als een aanvraag voor de vrijwillige AOW-verzekering. Deze aanname van de SVB kan niet anders worden verstaan dan als een erkenning van een verzuim van de SVB bij de totstandkoming van een eerdere aanvraag tot toelating tot de vrijwillige verzekering die tot een eerdere herziening van de toeslag voor appellant zou hebben kunnen leiden. Dit betekent dat de SVB over de (na)betaling van de toeslag wettelijke rente is verschuldigd vanaf de eerste dag van de maand volgend op die waarin de beslistermijn voor de wijziging van de toeslag was verstreken.

ECLI:NL:CRVB:2013:2729 - Begrip ingezetene. De door de SVB in het bestreden besluit gehanteerde maatstaf van juridische, economische en sociale binding is achterhaald. Vernietiging van het bestreden besluit met instandlating van de rechtsgevolgen. Gedurende het tijdvak van 2001 tot 2008 heeft geen persoonlijke band van duurzame aard tussen appellant en Nederland bestaan.

ECLI:NL:CRVB:2013:2881 - Vaststelling ingangsdatum AOW-pensioen. De rechtbank heeft in navolging van de SVB miskend dat appellante ingevolge artikel 22, tweede lid, van het Verdrag inzake sociale zekerheid tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika haar rechten voor de AOW heeft veiliggesteld bij haar aanmelding voor "Medicare" in 1996, toen zij de pensioengerechtigde leeftijd had bereikt. De ingangsdatum van het AOW-pensioen van appellante dient dan ook te worden vastgesteld op de eerste dag van de maand waarin appellante 65 jaar is geworden, 1 december 1996. Toekenning van schadevergoeding van €2000,- wegens overschrijding van de redelijke termijn, bedoeld in artikel 6, eerste lid, van het EVRM.

ECLI:NL:CRVB:2014:268 - Vaststelling AOW-pensioen op 60% van het volledige AOW-pensioen. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat appellante op grond van artikel 24 van het Verdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Republiek Turkije inzake sociale zekerheid geen rechten kon ontlenen aan de periode waarin haar echtgenoot vrijwillig verzekerd was. De Raad voorziet zelf in de zaak en herroept het bestreden besluit voor zover appellante hierin niet verzekerd is geacht voor de AOW in de periode in geding.

ECLI:NL:CRVB:2014:344 - Herziening en terugvordering toeslag op het AOW-pensioen in verband met het pensioeninkomen van de partner en boeteoplegging wegens schending van de inlichtingenverplichting. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat de pensioeninkomsten van zijn partner van invloed konden zijn op de hoogte van de toeslag ingevolge de AOW. Er is geen sprake van dringende redenen om van terugvordering af te zien.

ECLI:NL:CRVB:2014:772 - Herzienning en terugvordering AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. Niet is gebleken dat de SVB zijn beleid niet consistent heeft toegepast. Het had appellant redelijkerwijs duidelijk kunnen zijn dat zijn samenwoning van invloed zou zijn op zijn AOW-pensioen. Nu appellant had kunnen onderkennen dat zijn AOW-pensioen tot een te hoog bedrag werd verleend, betekent de omstandigheid dat de SVB heeft nagelaten om na de eerste melding tot besluitvorming over te gaan, niet dat van herziening met volledige terugwerkende kracht had moeten worden afgezien.

ECLI:NL:CRVB:2014:938 - Uit het door appellante opgevraagde pensioenoverzicht blijkt dat zij niet verzekerd is geweest voor de AOW van haar 15de verjaardag tot en met drie jaar na haar binnenkomst in Nederland. De SVB heeft terecht een duurzame band van persoonlijke aard tussen appellante en Nederland aangenomen drie jaar na binnenkomst van appellante in Nederland. Er is geen aanleiding om reeds eerder tot ingezetenschap te concluderen.

ECLI:NL:CRVB:2014:1322 - Korting AOW-pensioen en partnertoeslag wegens niet-verzekerde jaren. Direct onderscheid naar nationaliteit ten aanzien van zeelieden die aan boord van het zeeschip woonden. De Raad heeft al eerder geoordeeld dat niet is gebleken dat dit directe onderscheid naar nationaliteit voor de jaren in geding strijdig moet worden geacht met enige internationaalrechtelijke bepaling. De doorwerking van het destijds geoorloofde onderscheid naar nationaliteit in het bestreden besluit vindt echter thans onvoldoende rechtvaardiging.

ECLI:NL:CRVB:2014:1498 - Tussenuitspraak. Intrekking en terugvordering AOW-toeslag omdat het recht op toeslag over de periode in geding bij gebrek aan gegevens niet kan worden vastgesteld. Bij de beoordeling van deze zaak moeten de bijzondere omstandigheden van het geval in aanmerking worden genomen. De SVB heeft niet kunnen volstaan met het vragen van informatie aan appellant, die naar eigen zeggen niet over deze informatie beschikt, maar dat het op de weg van de SVB lag inlichtingen bij de ex-echtgenote en/of de Canadese autoriteiten in te winnen. De SVB wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2014:1535 - Toekenning gedeeltelijk AOW-pensioen. Niet gesproken kan worden van kortere periodes van verzekerd zijn, eventueel afgewisseld met perioden van niet-verzekerd zijn. De veronderstelde tijdelijke band met de Nederlandse rechtssfeer voor niet-Nederlandse zeelieden aan boord van zeeschepen met een Nederlandse thuishaven geldt niet voor appellant. Hij heeft zich in ieder geval sinds november 1964 steeds bevonden in de Nederlandse rechtssfeer.

ECLI:NL:CRVB:2014:2276 - Wijziging ingangsdatum en hoogte AOW-pensioen. De Raad is evenals de rechtbank van oordeel dat bij het bestreden besluit artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM niet is geschonden. De wijziging van de ingangsdatum en hoogte van het pensioen zijn bij wet voorzien, nu deze direct volgen uit toepassing van de dwingendrechtelijke bepaling van artikel 16, eerste lid, van de AOW. Er is geen sprake van een situatie waarin afbreuk is gedaan aan de kern van het eigendomsrecht.

ECLI:NL:CRVB:2014:2651 - Intrekking AOW-pensioen omdat betrokkene zich onttrekt aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsbenemende maatregel of vrijheidsstraf. Betrokkene stelt dat hij zich niet heeft onttrokken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf omdat hij geen kennis had van de opgelegde vrijheidsstraf, terwijl zijn adresgegevens in Frankrijk bekend waren bij Justitie. De Raad concludeert dat in het geval van betrokkene niet gesteld kan worden dat sprake is van het zich onttrekken aan de tenuitvoerlegging van een vrijheidsstraf nu appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Nederlandse overheid met behulp van het juiste, aan Justitie en appellant bekende, adres een poging heeft gedaan om tot tenuitvoerlegging van de straf te komen.

ECLI:NL:CRVB:2014:2916 - Weigering om terug te komen van een eerder genomen besluit inhoudende korting op het AOW-pensioen wegens niet-verzekerde tijdvakken. Het verzoek is afgewezen omdat geen sprake is van nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden en het betreffende besluit niet onmiskenbaar onjuist is. De SVB mag bij het nemen van besluiten in beginsel afgaan op gegevens vermeld in de beperkte registratie. Wanneer een betrokkene echter met duidelijke en controleerbare gegevens komt waarin aanknopingspunten zijn gelegen voor de conclusie dat de beperkte registratie mogelijk niet (geheel) juist is, dan dient de SVB nader onderzoek te doen naar de vraag of de betrokkene terecht niet verzekerd is geacht.

ECLI:NL:CRVB:2014:3075 - Vaststelling ingangsdatum AOW-pensioen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om langere terugwerkende kracht dan één jaar te verlenen. Een toegekend recht op AOW-pensioen kan als eigendom in de zin van artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM worden beschouwd, maar hier is geen sprake van ontneming van een bestaand recht. Appellant kon slechts een legitieme verwachting hebben dat hij met ingang van zijn 65ste verjaardag recht zou hebben op dit AOW-pensioen, voor zover voldaan was aan de voorwaarde van het doen van een tijdige aanvraag, zoals in de wet omschreven. Voor zover aangenomen zou moeten worden dat wel sprake is van een eigendomsrecht, dan moet vastgesteld worden dat de inbreuk daarop is voorzien bij wet in artikel 16, tweede lid, van de AOW en dat die inbreuk gerechtvaardigd is te achten, gelet op de grote beleidsvrijheid die de wetgever in het algemeen wordt geboden ten aanzien van sociaaleconomische wetgeving. Niet valt in te zien dat het de wetgever niet vrij zou staan om een uitkering slechts toe te kennen met een terugwerkende kracht van één jaar voorafgaande aan de aanvraag, waarbij voor bijzondere gevallen een langere terugwerkende kracht kan worden toegepast, en dat artikel 1 van het Eerste Protocol zich daartegen zou verzetten.

ECLI:NL:CRVB:2014:3543 - Herziening en terugvordering AOW-partnertoeslag omdat aan de partner met terugwerkende kracht ZW- en WGA-uitkering is toegekend. ZW- en WGA-uitkering zijn loondervingsuitkeringen, die op grond van artikel 10 van de AOW op de toeslag in mindering dienen te worden gebracht. De terugwerkende kracht staat aan deze herziening niet in de weg nu het appellant duidelijk had kunnen zijn dat zijn partner meer inkomen ontving dan waarmee bij de vaststelling van de hoogte van de toeslag rekening was gehouden. Dat de toekenning ZW- en WGA-uitkering weer is ingetrokken, doet hieraan niet af, aangezien deze betalingen niet worden teruggevorderd.

ECLI:NL:CRVB:2014:3548 - Verlaging AOW-alleenstaandenpensioen naar 50% van het nettominimumloon omdat de voorlopige toepassing van het verdrag met Costa Rica per 1 januari 2012 is beëindigd. De Raad acht dit toegestaan. Niet kan worden gezegd dat op betrokkene een "individual and excessive burden" wordt gelegd. Dat betrokkene (vrijwillig) premie heeft betaald voor de AOW kan daar niet aan afdoen. Het (vrijwillig) betalen van premie leidt tot verzekerde jaren maar niet tot een recht op ouderdomspensioen naar één van de in artikel 9 van de AOW genoemde mogelijke normen. Ook personen die in Nederland wonen, worden - onafhankelijk van het aantal jaren dat premie is betaald en de hoogte daarvan - pas als zij pensioengerechtigd zijn op grond van hun persoonlijke omstandigheden (gehuwd of niet) in aanmerking gebracht voor één van de mogelijke normen. Voorts wordt ook recht op ouderdomspensioen opgebouwd als geen premie wordt betaald: naast in dienstbetrekking verrichte arbeid leidt ook louter ingezetenschap, zonder premiebetaling, tot verzekerde tijdvakken.

ECLI:NL:CRVB:2014:3647 - Toekenning AOW-pensioen en partnertoeslag. De SVB heeft terecht een partnertoeslag met korting van 76% wegens 38 niet-verzekerde jaren toegekend. Op grond van het advies van de deskundige wordt geoordeeld dat vooralsnog niet met zekerheid kan worden vastgesteld met ingang van welke datum is voldaan aan de materiële en formele vereisten voor het bestaan van een naar Marokkaans recht rechtsgeldig huwelijk.

ECLI:NL:CRVB:2014:4146 - Tussenuitspraak. Herziening en terugvordering AOW-partnertoeslag omdat de partner een afkoopsom van een ouderdomspensioen heeft ontvangen. De Raad oordeelt dat de SVB de afkoopsom van het ouderdomspensioen niet mag toerekenen aan een maand die is gelegen vóór de pensioengerechtigde leeftijd van de partner. Deze toerekening gaat ten koste van de AOW-partnertoeslag en leidt tot een kennelijk onredelijk resultaat als bedoeld in artikel 4:1, negende lid, van het Algemeen inkomensbesluit socialezekerheidswetten. De afkoopsom van het ouderdomspensioen is namelijk bedoeld voor de periode ná het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd van de partner. De SVB moet nieuwe berekeningen maken, die in een einduitspraak van de Raad zullen worden beoordeeld.

ECLI:NL:CRVB:2015:227 - Weigering AOW-uitkering op de aan artikel 8b van de AOW ontleende grond dat appellant in detentie verblijft. Er is geen sprake van een schending van artikel 1 van het EP en artikel 14 van het EVRM. De toepassing van artikel 8b van de AOW voldoet aan de in artikel 1 van het Eerste Protocol bij het EVRM besloten liggende voorwaarden voor de rechtvaardiging van een aantasting van het eigendomsrecht. Bij de beoordeling van het beroep dat appellant doet op artikel 14 van het EVRM kan worden volstaan met de overweging dat zo al kan worden aangenomen dat er sprake is van een ongelijke behandeling van vergelijkbare gevallen, er een redelijke en objectieve rechtvaardiging bestaat voor het gemaakte onderscheid. Artikel 14 van het EVRM verplicht niet tot een subsidiairiteitstoetsing door de rechter. Het gaat de rechtsvormende taak van de Nederlandse rechter te buiten om bij een toetsing als hier aan de orde een strengere maatstaf aan te leggen dan nodig is om de door het EVRM gegarandeerde minimumbescherming te realiseren. Een dergelijke toetsing zou namelijk leiden tot een niet te legitimeren inbreuk op de voor de Nederlandse rechtsorde cruciale scheiding der machten.

ECLI:NL:CRVB:2015:229 - Schuldignalatigheid betaling AOW-premie over 2005, waarbij is overwogen dat uit inlichtingen van de Belastingdienst is gebleken dat de aanslag over 2005 ambtshalve is opgelegd, zodat geen rekening kan worden gehouden met het eventueel aanwezig zijn van omstandigheden op grond waarvan het niet betalen van de AOW-premie niet aan appellant kan worden toegerekend. Appellant is er niet in geslaagd aannemelijk te maken dat hij de aanslag over 2005 door niet aan hem te verwijten omstandigheden niet heeft ontvangen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1048 - Tussenuitspraak. 100% schuldignalatigverklaring betaling AOW-premie over 2005. Het bezwaar is ten onrechte niet-ontvankelijk verklaard. De vernietiging van de niet-ontvankelijkverklaring van het bezwaar brengt mee dat de SVB een onderzoek zal moeten instellen naar de door appellant voorgedragen grond dat hij, gezien zijn geringe inkomen, verschoonbaar nalatig is gebleven de verschuldigde belasting en/of premie sociale verzekeringen te betalen. De Raad draagt de SVB op om de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2015:1362 - Toekenning AOW-pensioen voor een persoon die gehuwd is of samenwoont. Van de situatie duurzaam gescheiden levend als bedoeld in artikel 1, derde lid, aanhef en onder b, van de AOW is in dit geval geen sprake. Er is een geregistreerd partnerschap aangegaan met als doel zich naar de Belastingdienst toe te kunnen presenteren als - niet duurzaam gescheiden levende - partners teneinde zo de fiscale heffingen na de splitsing van de gezamenlijke woning te matigen. Nadat dit resultaat was bereikt, is gekozen voor een zakelijke regeling, waaruit blijkt van het zorgdragen voor elkaars - huidige en toekomstige - financiële situatie. Verder kan, gelet op hun contacten, niet gezegd worden dat betrokkenen ieder afzonderlijk een eigen leven leiden als waren zij niet gehuwd en deze toestand als bestendig is bedoeld.

ECLI:NL:CRVB:2015:1590 - Weigering AOW-pensioen omdat appellant daarvoor in Nederland niet verzekerd is geweest. Analoog aan de rechtspraak over de duuraanspraak dient de SVB bij een in rechte vaststaand pensioenoverzicht bij de AOW-aanvraag de gehele potentieel verzekerde periode opnieuw te beoordelen. Een pensioenoverzicht is een appellabel besluit in de zin van artikel 1:3, eerste lid, van de Awb. Echter, niet gezegd kan worden dat, ook voor de toekomst, het voorheen via een pensioenoverzicht vastgestelde aantal verzekerde jaren definitief vaststaat. Op het moment van het intreden van het feitelijk rechtsgevolg dient de SVB opnieuw te onderzoeken in welke jaren iemand verzekerd was. Partijen verschillen van mening over de vraag of Besluit 3/80 dan wel het EVSZ in de situatie van appellant van toepassing is. Op grond van artikel 14, onderdeel d, van het EVSZ was op appellant, die werkzaam was in dienst van de Turkse overheid, reeds op die grond de Turkse wetgeving van toepassing. Uit het dossier blijkt dat appellant in de jaren in geding in Turkije verzekerd was voor een Turks ouderdomspensioen. Hij kan dus niet tegelijkertijd verzekerd zijn geweest in Nederland.

ECLI:NL:CRVB:2015:1799 - Herziening AOW-pensioenen wegens gezamenlijke huishouding. De Raad oordeelt de huisbezoeken onrechtmatig, zodat hetgeen appellanten tijdens de huisbezoeken hebben verklaard buiten beschouwing dient te blijven bij de beantwoording van de vraag of zij een gezamenlijke huishouding voerden. Andere onderzoeksgegevens zijn niet voorhanden. Er is dan ook onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt van de SVB dat appellanten in juni 2011 een gezamenlijke huishouding zijn gaan voeren. Dat ten gevolge van de invoering van artikel 50 van de AOW niet meer voldaan zou hoeven worden aan het vereiste van het verlenen van toestemming op basis van "informed consent" of dat daaraan minder verstrekkende eisen moeten worden gesteld, vindt geen grondslag in de tekst van dat artikel of in de wetsgeschiedenis.

ECLI:NL:CRVB:2015:1877 - Weigering AOW-pensioen over niet-verzekerde jaren. Op grond van artikel 14bis, tweede lid, van Verordening (EEG) nr. 1408/71 is op de situatie van appellant vanaf 17 december 1994 (omdat hij in België woonde) Belgisch recht van toepassing geweest en vanaf die tijd is hij dan ook niet verzekerd geweest voor de AOW. Het feit dat ten onrechte premies volksverzekeringen door de Belastingdienst zijn ingehouden, kan niet leiden tot verplichte verzekering ingevolge de AOW.

ECLI:NL:CRVB:2015:2119 - Herziening AOW-pensioen wegens gezamenlijke huishouding. De SVB heeft een onjuiste toetsingsmaatstaf aangelegd bij de beoordeling van het gezamenlijk hoofdverblijf. Op grond van de verklaring van appellante bestaat geen reden om aan te nemen dat appellante geen hoofdverblijf had in haar eigen woning. Het onderzoek van de SVB bevat onvoldoende feitelijke grondslag voor het standpunt dat M ten tijde hier van belang zijn hoofdverblijf had in de woning van appellante. De conclusie is dat de SVB niet aannemelijk heeft gemaakt dat appellante en M ten tijde hier van belang gezamenlijk hoofdverblijf hadden in de woning van appellante of in de woning van M. De vraag of aan het criterium van wederzijdse zorg was voldaan, behoeft daarom geen bespreking.