Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AU3496
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2005:AU3496
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 04/5555 AOW en 04/5556 AOW
Datum uitspraak: 16-09-2005
Wetsartikelen: artt. 1 en 17 AOW / 7:12 en 8:72 Awb
Essentie: Herziening AOW-pensioenen naar de norm voor een ongehuwde op verzoek van appellanten omdat zij met ingang van de datum in geding als duurzaam gescheiden levend willen worden aangemerkt nu appellant voor onbepaalde duur is opgenomen in een AWBZ-instelling. Vanwege de forse verhoging van de AWBZ-bijdrage hebben appellanten vervolgens verzocht de pensioenen weer om te zetten in pensioenen naar de norm voor een gehuwde. De SVB zal alsnog een nader standpunt innemen voor de gevallen als de onderhavige waarin de beschikking nog niet rechtens onaantastbaar is. De Raad vernietigt de bestreden besluiten en bepaalt dat de SVB op de bezwaarschriften opnieuw beslist met inachtneming van deze uitspraak.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 04/5555 AOW en 04/5556 AOW




U I T S P R A A K




in de gedingen tussen

[appellant], appellant, en [appellante], appellante, beiden wonende te [woonplaats], tezamen hierna ook te noemen: appellanten,

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, gedaagde.




I. ONTSTAAN EN LOOP VAN HET GEDING


Bij een tweetal besluiten van 31 oktober 2003, hierna: de bestreden besluiten, heeft gedaagde de bezwaarschriften van appellanten tegen gedaagdes besluiten van 27 mei 2003 ongegrond verklaard. Bij laatstgenoemde besluiten is het pensioen van appellanten ingevolge de Algemene Ouderdomswet (AOW) herzien, omdat zij met ingang van 1 januari 2002 als duurzaam gescheiden levend worden aangemerkt.

Bij uitspraak van de rechtbank Alkmaar van 17 augustus 2004, nr. AOW 03/1425 en AOW 03/1426, waarnaar hierbij wordt verwezen, zijn de beroepen van appellanten tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

Namens appellanten is mr. R. Kiewitt, advocaat te Alkmaar, op bij aanvullend beroepschrift aangegeven gronden, van die uitspraak in hoger beroep gekomen.

Gedaagde heeft een verweerschrift ingediend.

Bij brief van 16 juni 2005 heeft gedaagde aan de Raad laten weten de bestreden besluiten niet langer te handhaven.

Het geding is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van de Raad op 24 juni 2005, waar partijen, met voorafgaand bericht, niet zijn verschenen.




II. MOTIVERING


Bij de in rubriek I genoemde besluiten van 27 mei 2003 heeft gedaagde op verzoek van appellanten de AOW-aanspraken van appellanten herzien, omdat zij duurzaam gescheiden van elkaar leefden. Appellant was opgenomen in een instelling ingevolge de Algemene Wet Bijzondere Ziektekosten (AWBZ), terwijl redelijkerwijs niet meer viel te verwachten dat de echtelijke samenleving binnen afzienbare tijd kon worden hersteld. In bezwaar is namens appellanten onder meer naar voren gebracht dat als gevolg van de wijziging naar een ongehuwdenpensioen de eigen bijdrage van appellant voor de AWBZ is verhoogd van € 445,- naar € 1.516,-. Verzocht wordt om de AOW-pensioenen weer om te zetten in pensioenen voor gehuwden. Bij de bestreden besluiten is het bezwaar ongegrond verklaard. De rechtbank heeft het beroep ongegrond verklaard.

Bij de in rubriek I genoemde brief van 16 juni 2005 heeft gedaagde te kennen gegeven de bestreden besluiten niet te handhaven. Ter motivering hiervan wordt opgemerkt dat in een aantal soortgelijke zaken - waarin de beschikking nog niet rechtens onaantastbaar was - door gedaagde tegemoet is gekomen aan de bezwaren van betrokkenen. Naar aanleiding van deze constatering zal door gedaagde een nader standpunt worden ingenomen over de vraag hoe moet worden omgegaan met de onderhavige problematiek in situaties waarin de beschikking nog niet rechtens onaantastbaar is. Daarop vooruitlopend zal in geval van appellanten worden beslist overeenkomstig de wijze waarop in andere zaken is beslist.

De Raad stelt vast dat de bestreden besluiten, en de uitspraak van de rechtbank waarbij die besluiten in stand zijn gelaten, rechtens geen stand kunnen houden en derhalve voor vernietiging in aanmerking komen.

De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Algemene wet bestuursrecht gedaagde te veroordelen in de proceskosten van appellanten in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 322,- voor verleende rechtsbijstand in eerste aanleg en € 322,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak:
Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten gegrond en vernietigt deze besluiten;
Bepaalt dat gedaagde op de bezwaarschriften opnieuw beslist met inachtneming van deze uitspraak;
Veroordeelt gedaagde in de proceskosten van appellanten in beroep en hoger beroep tot een bedrag groot € 644,-, te betalen door de Sociale verzekeringsbank;
Bepaalt dat de Sociale verzekeringsbank aan appellanten het betaalde griffierecht van € 164,- vergoedt.

Aldus gegeven door mr. H. van Leeuwen als voorzitter en mr. T.L de Vries en mr. H.J. Simon als leden in tegenwoordigheid van M. Gunter als griffier en uitgesproken in het openbaar op 16 september 2005.

(get.) H. van Leeuwen.

(get.) M. Gunter.