Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2016:3497
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummer: 15/5791 WARZO
Datum uitspraak: 21-09-2016
Wetsartikelen: artt. 1:1, 3:1 en 3:16 Wazo / 3, 20, 30a, 33 en 49 ZW
Essentie: Herziening en terugvordering Wazo- en ZW-uitkering wegens gefingeerde dienstverbanden. De Raad oordeelt dat het UWV appellante terecht niet verzekerd heeft geacht voor de ZW omdat appellante niet tot de BV in een privaatrechtelijke dienstbetrekking heeft gestaan. Het UWV is terecht tot herziening en terugvordering van de Wazo- en ZW-uitkeringen overgegaan.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 15/5791 WARZO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep tegen de uitspraak van de rechtbank Midden-Nederland van 23 juli 2015, 14/6850 (aangevallen uitspraak).

Partijen:

[appellante], wonende te [woonplaats] (appellante),

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (Uwv).




PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A.B.B. Beelaard, advocaat, hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 27 juli 2016. Appellante is verschenen, bijgestaan door mr. Beelaard. Het Uwv heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. M.J. van Steenwijk.




OVERWEGINGEN


1.1. Appellante heeft na het afronden van haar opleiding HBO Communicatie een aantal jaren gewerkt bij verschillende werkgevers. Na beëindiging van haar laatste dienstverband heeft appellante van 1 oktober 2008 tot en met 31 oktober 2009 een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ontvangen. Op 7 december 2009 heeft [naam echtgenoot], echtgenoot van appellante en via de holding [naam B.V. 1] B.V. ( [naam B.V. 1] ) directeur-bestuurder en enig aandeelhouder van [naam B.V. 2] B.V. ( [naam B.V. 2] ), een aanvraag voor een uitkering op grond van de Wet Arbeid en Zorg (WAZO) voor appellante ingediend. In de aanvraag is vermeld dat het verlof ingaat op 15 januari 2010. Bij de aanvraag is een zwangerschapsverklaring gevoegd met een vermoedelijke bevallingsdatum van 26 februari 2010. Op 14 december 2009 hebben appellante en [naam echtgenoot], namens [naam B.V. 2], een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd getekend, waarbij is opgenomen dat appellante per 15 december 2009 als marketing manager voor 40 uur per week in dienst treedt van [naam B.V. 2] tegen een salaris van € 3.250,- per maand. Het Uwv heeft appellante bij besluit van 20 januari 2010 een WAZO-uitkering toegekend met ingang van 16 januari 2010. Appellante is op [bevallingsdatum] 2010 bevallen en heeft tot en met [datum] 2010 WAZO-uitkering ontvangen.

1.2. Op 14 februari 2011 heeft appellante met de [naam B.V. 1] B.V. h.o.d.v [handelsnaam] ( [handelsnaam] ) een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd afgesloten. In de schriftelijke, door appellante en [naam echtgenoot], namens [handelsnaam], getekende, overeenkomst is opgenomen dat appellante met ingang van 1 maart 2011 in dienst treedt als marketing & communicatie manager voor 40 uur per week tegen een salaris van € 4.500,- per maand. De werkzaamheden moeten worden verricht bij [naam B.V. 2]. Op 3 maart 2011 heeft [naam echtgenoot] een WAZO-uitkering voor appellante aangevraagd. In die aanvraag is vermeld dat de vermoedelijke bevallingsdatum 9 mei 2011 is en dat het verlof 28 maart 2011 ingaat. Het Uwv heeft aanvankelijk een WAZO-uitkering geweigerd, maar na wijziging van [naam B.V. 2] als verlonende werkgever alsnog bij besluit van 14 juni 2011 een WAZO-uitkering toegekend over de periode van 12 april 2011 tot 2 augustus 2011. Daarbij is rekening gehouden met de e-mail van [naam echtgenoot] van 1 juni 2011, waarin [naam echtgenoot] heeft gemeld dat de start van de WAZO-uitkering moet worden aangepast naar [datum] 2011, omdat de werkelijke bevallingsdatum [bevallingsdatum 2] 2011 was. Op 22 juli 2011 heeft [naam echtgenoot] aan het Uwv gemeld dat appellante ziek is. Appellante heeft na afloop van de WAZO-uitkering tot en met 1 oktober 2011 ziekengeld op grond van de Ziektewet (ZW) ontvangen, omdat haar ziekte het gevolg was van de bevalling.

1.3. De omstandigheden dat appellante tweemaal kort voor aanvang van de WAZO-uitkering in dienst is getreden van [naam B.V. 2], in beide gevallen na de uitkeringsperiode niet meer bij [naam B.V. 2] is gaan werken en dat de directeur van [naam B.V. 2] de echtgenoot van appellante is, heeft bij het Uwv geleid tot het vermoeden dat sprake is van gefingeerde dienstverbanden. Het ingestelde fraude-onderzoek heeft geleid tot een rapport van 19 mei 2014, waarin de conclusie is verwoord dat het aannemelijk is dat appellante niet in loondienst van [naam B.V. 2] werkzaam is geweest, niet verzekerd was voor de ZW en dus geen recht had op WAZO-uitkering en ziekengeld.

1.4. Het Uwv heeft bij besluit van 5 juni 2014 vastgesteld dat appellante over de periode van 3 augustus 2011 tot en met 2 oktober 2011 geen recht heeft op ziekengeld en over de perioden van 18 januari 2010 tot en met 9 mei 2010 en 11 april 2011 tot en met 1 augustus 2011 geen recht op een WAZO-uitkering, omdat zij niet verzekerd was voor de ZW. Het ziekengeld en de WAZO-uitkeringen zijn met terugwerkende kracht herzien en de ten onrechte betaalde uitkeringen van in totaal € 35.524,95 zijn van appellante teruggevorderd. Het bezwaar van appellante tegen dit besluit heeft het Uwv bij besluit van 7 november 2014 (bestreden besluit) ongegrond verklaard.

2. De rechtbank heeft het beroep van appellante ongegrond verklaard op grond van de overwegingen dat het Uwv een voldoende zorgvuldig onderzoek heeft verricht en dat het frauderapport voldoende basis biedt voor de conclusie van het Uwv dat sprake is van gefingeerde dienstverbanden. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat appellante en [naam echtgenoot] daadwerkelijk uitvoering hebben gegeven aan de op papier over en weer bestaande rechtsverplichtingen en bieden de in het fraudeonderzoek afgelegde getuigenverklaringen steun voor de conclusie dat feitelijk geen sprake was van een reëel dienstverband. Wat appellante in beroep heeft aangevoerd biedt geen objectieve en verifieerbare gegevens om tot een andersluidend oordeel te komen. De rechtbank heeft geoordeeld dat het Uwv terecht tot herziening van de WAZO-uitkeringen en het ziekengeld is overgegaan en terecht de onverschuldigd betaalde uitkeringen heeft teruggevorderd.

3.1. In hoger beroep heeft appellante haar in bezwaar en beroep ingenomen standpunt herhaald dat het Uwv ten onrechte de verstrekte uitkeringen heeft herzien en teruggevorderd. Volgens appellante biedt het frauderapport onvoldoende basis voor de conclusie dat sprake is van gefingeerde dienstverbanden. Alle door het Uwv genoemde feiten en omstandigheden op grond waarvan is geconcludeerd dat sprake is van gefingeerde dienstverbanden, doen - de juistheid van die feiten en omstandigheden daargelaten - niet af aan het feit dat appellante daadwerkelijk concrete en aantoonbare arbeid heeft verricht en daarvoor loon heeft ontvangen. Appellante en [naam echtgenoot] hebben verklaard over de concrete invulling van de overeengekomen werkzaamheden door appellante en er zijn meerdere getuigen die hebben verklaard dat zij hebben gehoord dat appellante personeel heeft gezocht via internet en door appellante zijn gebeld. De rechtbank heeft ten onrechte een gezagsverhouding tussen appellante en de vennootschappen van [naam echtgenoot] niet aannemelijk geacht.

3.2. Het Uwv heeft bevestiging van de aangevallen uitspraak bepleit. Het Uwv blijft van mening dat de dienstverbanden zijn gefingeerd met het doel een WAZO-uitkering te kunnen verkrijgen, waarbij niet aan alle drie de vereisten voor een privaatrechtelijke dienstbetrekking is voldaan.

4. De Raad komt tot de volgende beoordeling.

4.1. Ter beantwoording ligt de vraag voor of de rechtbank op goede gronden heeft geoordeeld dat het Uwv appellante terecht niet verzekerd heeft geacht voor de ZW, omdat appellante tot [naam B.V. 2] niet in een privaatrechtelijke dienstbetrekking stond.

4.2. Naar vaste rechtspraak moet voor het aannemen van een privaatrechtelijke dienstbetrekkig sprake zijn van een verplichting tot het persoonlijk verrichten van arbeid, een gezagsverhouding, en een verplichting tot het betalen van loon (bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2011:BQ1785). Daarbij moet acht worden geslagen op alle omstandigheden van het geval, in onderling verband bezien en dienen niet alleen de rechten en verplichtingen in aanmerking te worden genomen die partijen bij het aangaan van de rechtsverhouding voor ogen stonden, maar moet ook acht worden geslagen op de wijze waarop partijen uitvoering hebben gegeven aan hun rechtsverhouding en aldus daaraan inhoud hebben gegeven. Daarbij is niet één enkel element beslissend, maar moeten de verschillende rechtsgevolgen die partijen aan hun verhouding hebben verbonden in hun onderling verband worden bezien (zie onder meer ECLI:NL:HR:2011:BP3887 en ECLI:NL:HR:2012:BU8926).

4.3. Bij besluiten als hier aan de orde gaat het om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt in dit geval mee dat het Uwv de feiten moet aandragen aan de hand waarvan aannemelijk is dat er geen sprake is geweest van dienstbetrekkingen tussen appellante en [naam B.V. 2]. Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat appellante ten tijde van belang geen dienstbetrekking in de zin van de sociale verzekeringswetten heeft vervuld, dan ligt het op de weg van appellante de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken (zie bijvoorbeeld ECLI:NL:CRVB:2015:4827).

4.4. De Raad heeft zijn vaste rechtspraak verlaten dat het bestaan van een privaatrechtelijke dienstbetrekking tussen (ex-)echtgenoten in de regel niet aannemelijk is wegens het gewoonlijk ontbreken van de vereiste gezagsverhouding (ECLI:NL:CRVB:2016:1759). In zijn algemeenheid kan niet worden verondersteld dat van een gezagsverhouding in een arbeidsrelatie tussen (ex-)echtgenoten geen sprake is. In een concreet geval dient met inachtneming van alle voor het wel of niet aannemen van gezag relevante omstandigheden te worden beoordeeld of van een gezagsverhouding sprake is. Ook bij een arbeidsverhouding tussen (ex-)echtgenoten geldt als maatstaf voor de vraag of sprake is van een gezagsverhouding, of gezegd kan worden dat degene die arbeid verricht aan een zeker gezag van de wederpartij is onderworpen en dat laatstgenoemde bevoegd is opdrachten en instructies te geven en om controle uit te oefenen op de voortgang en resultaten van het werk. De familierelatie is wel een element dat mede betrokken dient te worden in de beoordeling zoals die hiervoor onder 4.2 is weergegeven.

4.5. Onder toepassing van de criteria zoals verwoord in 4.2 tot en met 4.4 wordt met de rechtbank geoordeeld dat het Uwv voldoende aannemelijk heeft gemaakt dat van arbeidsovereenkomsten tussen appellante en [naam B.V. 2] geen sprake is geweest. Het Uwv acht het meer dan aannemelijk dat de contracten met maar één doel zijn afgesloten, namelijk het verkrijgen van een WAZO-uitkering en heeft zich daarbij gebaseerd op de volgende, in het frauderapport beschreven, omstandigheden. Tot twee keer toe is in het zicht van een periode van bevallingsverlof een arbeidsovereenkomst gesloten. De eerste arbeidsovereenkomst is zelfs ingegaan nadat de WAZO-uitkering was aangevraagd. Bij het eerste dienstverband is een behoorlijk hoog salaris overeengekomen en bij het tweede dienstverband een zeer hoog salaris. De beide dienstverbanden zijn voor onbepaalde tijd afgesloten, maar tijdens het ontvangen van de uitkering beëindigd. Voor appellante is tijdens haar verlof geen vervanging geregeld en evenmin na de beëindigingen van haar dienstverbanden. Tijdens het eerste dienstverband is appellante na een halve maand niet meer betaald en bij het tweede dienstverband is zij onregelmatig betaald. Appellante heeft deze omissies niet aangevochten. Uit de getuigenverklaringen die in het kader van het fraude-onderzoek zijn afgelegd kan niet worden afgeleid dat appellante in de betreffende perioden persoonlijk arbeid heeft verricht. Op één getuige na heeft niemand appellante zien werken, zakelijk contact met haar gehad of er weet van gehad of zij daadwerkelijk werkte of niet. Appellante heeft zelf geen getuigen opgevoerd en de enige verklaring die zij aanvoert, de verklaring van [Getuige L.], blijkt te zijn bewerkt. De enige getuige waarop appellante zich zou kunnen beroepen is [Getuige L.]. [Getuige L.] zou de eerste keer door appellante zijn gebeld. Gelet op het tijdstip waarop [Getuige L.] is gestart bij [naam B.V. 2], 15 maanden voor het eerste contract van appellante, is het onaannemelijk dat dat telefoongesprek heeft plaatsgevonden tijdens de looptijd van het eerste contract. Volgens [Getuige L.] werkte appellante ook in het bedrijf en deelde ze een kantoor met haar man in hun woning, maar heeft hij haar op het nieuwe kantoor aan [kantoor adres D.] niet gezien. Het Uwv heeft terecht het standpunt ingenomen dat met deze verklaring niet kan worden aangetoond dat appellante daadwerkelijk heeft gewerkt in dienst van [naam B.V. 2].

4.6. De rechtbank wordt ook gevolgd in haar overweging dat wat appellante in beroep heeft aangevoerd en verklaard geen objectieve en verifieerbare gegevens bieden om tot een andersluidend oordeel te komen. In hoger beroep heeft appellante evenmin dergelijke gegevens geproduceerd. Appellante heeft in de verschillende stadia van de procedure wel argumenten aangevoerd om te verklaren dat de verschillende getuigen haar niet hebben zien werken, maar deze argumenten overtuigen niet. In het hoger beroepschrift is aangevoerd dat [naam F.] overdag niet in het kantoor aanwezig is geweest en dat het weinig verrassend is dat hij appellante nooit op kantoor aan het werk heeft gezien. Ter zitting heeft appellante verklaard dat [naam F.] nooit op kantoor kwam, maar wel in de garage van [kantoor adres D.]. Los van de vraag of [naam F.] wel of niet naar kantoor kwam, is het moeilijk voorstelbaar dat [naam F.], als commercieel manager in dienst van [naam B.V. 2], niet op de hoogte zou zijn van de indiensttreding van een marketing & communicatie manager. Overigens heeft [naam F.], naast de melding dat hij appellante nooit heeft zien werken, verklaard dat op kantoor een secretaresse en een stagiair werkzaam waren, dat hij appellante wel kent en dat ze weleens langs kwam.

4.7. Appellante is op verschillende momenten gevraagd concreet te beschrijven wat voor werkzaamheden zij heeft verricht. Die beschrijving is op die momenten, en ook ter zitting van de Raad, vaag gebleven. Zeker in het licht van de stelling van appellante dat zij in het tweede dienstverband een zeer hoog salaris heeft kunnen bedingen omdat haar echtgenoot haar zeer nodig had, valt niet te begrijpen dat appellante geen helder beeld kan schetsen van de invulling van de dagen waarop zij werkzaam was. Haar verklaring dat zij zich bezig hield met werving en selectie en ook met de communicatiekanten ervan is vaag. Het contact zoeken met kandidaten, onderhouden van contacten met mogelijke klanten, telefoontjes aannemen en e-mailen zijn handelingen die op zich concreet zijn, maar gegeven het feit dat het gaat om werkzaamheden ten behoeve van een detacheringsbedrijf met een tiental gedetacheerden en ten behoeve van een kantoorverhuurorganisatie van 20 kantoorunits is niet voorstelbaar dat appellante zich met dergelijke bezigheden acht uur per dag gedurende vijf dagen per week heeft bezig gehouden. Des te minder is dat voor te stellen als bedacht wordt dat het zou gaan om zeer dringende werkzaamheden die appellante in het tijdvak tussen 15 december 2009 en 12 april 2011 gedurende in totaal ongeveer twee maanden zou hebben verricht, terwijl in de periodes dat appellante in dat tijdvak en na 12 april 2011 niet werkte niet is voorzien in vervanging.

5. De overwegingen in 4.2 tot en met 4.7 leiden tot de slotsom dat de rechtbank op juiste gronden heeft overwogen dat het Uwv terecht tot herziening van de WAZO-uitkeringen en het ziekengeld is overgegaan en terecht de onverschuldigd betaalde uitkeringen heeft teruggevorderd. In hoger beroep is net zo min als bij de rechtbank een dringende reden gesteld of gebleken om van terugvordering af te zien. Het hoger beroep slaagt niet en de aangevallen uitspraak wordt bevestigd.

6. Voor een veroordeling in de proceskosten bestaat geen aanleiding.




BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door M.C. Bruning als voorzitter en E.W. Akkerman en E. Dijt als leden, in tegenwoordigheid van N. Veenstra als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 21 september 2016.

(getekend) M.C. Bruning

(getekend) N. Veenstra