Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BM0076
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2009:BM0076
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 08/2350 WARZO, 08/2351 WARZO en 08/2511 WARZO
Datum uitspraak: 25-03-2009
Wetsartikelen: artt. 1:1, 3:16 en 7:13 Wazo / 7:3 en 8:72 Awb
Essentie: Herziening en terugvordering Wazo-uitkering wegens gefingeerd dienstverband. Appellante heeft wegens het ontbreken van verzekering ingevolge de Wazo geen recht op een uitkering ingevolge die wet. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank dat appellante voorafgaande aan het moment dat haar de Wazo-uitkering is toegekend, dan wel ten hoogste tien weken vóór de vermoedelijke bevallingsdatum, terecht niet als werknemer in de zin van artikel 1:1 van de Wazo is aangemerkt.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 08/2350 WARZO, 08/2351 WARZO en 08/2511 WARZO




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraken van de rechtbank Amsterdam van 25 maart 2008, 07/2608, (hierna: aangevallen uitspraak 1) en 7 april 2008, 07/1610 en 07/1611, (hierna: aangevallen uitspraak 2),

in de gedingen tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 25 maart 2009.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante heeft mr. A. el Kadi, werkzaam bij Juridisch Adviesbureau Labrans te Amsterdam, tegen de aangevallen uitspraken hoger beroep ingesteld.

Het Uwv heeft verweerschriften ingediend en vragen van de Raad beantwoord.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 11 februari 2009. Appellante, ambtshalve opgeroepen, is verschenen met bijstand van mr. El Kadi. Het Uwv, eveneens ambtshalve opgeroepen, heeft zich laten vertegenwoordigen door drs. J.P.A. Loogman.




II. OVERWEGINGEN


1. De Raad stelt allereerst vast dat appellante het hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak 1 ter zitting van de Raad heeft ingetrokken, zodat de Raad zich onthoudt van een oordeel in het geding met nr. 08/2511 WARZO.

2. Bij zijn oordeelsvorming in de resterende gedingen gaat de Raad uit van de volgende feiten en omstandigheden.

2.1. In het kader van het project "Schijn bedriegt" heeft het Uwv onderzoek gedaan naar fraude met uitkeringen krachtens werknemersverzekeringen in relatie tot gefingeerde dienstverbanden. Op basis van dit onderzoek en het daarop gebaseerde rapport werknemersfraude van 13 maart 2007 heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante in de periode van 6 november 2002 t/m 7 november 2003 niet (zelf) bij [V.D.] Schoonmaak en Bedrijfsdiensten (hierna: [V.D.]) werk als schoonmaker heeft verricht en dat appellante derhalve niet verzekerd was voor de Wet arbeid en zorg (Wazo) en ten onrechte een zwangerschaps- en bevallingsuitkering ingevolge deze wet heeft ontvangen.

2.2. Bij besluit van 26 maart 2007 heeft het Uwv appellante bericht dat zij met ingang van 11 juli 2003 wegens het ontbreken van verzekering ingevolge de Wazo geen recht heeft op een uitkering ingevolge deze wet. Bij besluit van 14 mei 2007 heeft het Uwv de als gevolg hiervan over de periode van 11 juli 2003 - de aanduiding 11 maart 2003 is een kennelijke misslag - tot en met 31 oktober 2003 onverschuldigd verstrekte uitkering ingevolge de Wazo ad € 3.192,80 van appellante teruggevorderd. Bij besluiten van 4 juni 2007 (hierna: bestreden besluit 1 en 2) is het bezwaar van appellante tegen de besluiten van 26 maart 2007 en 14 mei 2007 ongegrond verklaard.

3.1. Bij de aangevallen uitspraak 2 heeft de rechtbank het beroep tegen de bestreden besluiten ongegrond verklaard.

3.2. Ten aanzien van het bestreden besluit 1 heeft de rechtbank de vraag of het Uwv appellante voorafgaande aan het moment dat haar de uitkering ingevolge de Wazo is toegekend, dan wel ten hoogste 10 weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum, terecht niet als werknemer in de zin van artikel 1:1 van de Wazo heeft aangemerkt, bevestigend beantwoord. Het Uwv heeft naar het oordeel van de rechtbank voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante voorafgaande aan haar verlof niet zelf werkzaamheden heeft verricht bij [V.D.]. De rechtbank heeft daartoe overwogen dat het Uwv op goede gronden aan de verklaring van [A.K.], rayonleider bij de werkgever, meer betekenis heeft toegekend dan aan de verklaring van de voormalige rayonleider en ten tijde van het opsporingsonderzoek commercieel-operationeel manager [H.]. Voorts is naar het oordeel van de rechtbank terecht betekenis toegekend aan een intern memo van 25 augustus 2003 van [J.], administratief medewerkster bij [V.D.]. Ook heeft de rechtbank de omstandigheid dat op naam van appellante drie verschillende handtekeningen zijn gebruikt laten meewegen. Appellante heeft het vermoeden, dat zij voorafgaande aan haar verlof niet zelf arbeid heeft verricht bij [V.D.] in de visie van de rechtbank onvoldoende ontzenuwd, ook niet door de ter zitting overgelegde bankafschriften.

3.3. Ten aanzien van de beroepsgrond dat het Uwv het bezwaar van appellante ongegrond heeft verklaard zonder haar eerst te horen, heeft de rechtbank overwogen, dat het Uwv, zo blijkt uit een brief van het Uwv van 25 april 2007, haar in de gelegenheid heeft gesteld te worden gehoord. De enkele stelling van haar gemachtigde dat hij deze brief niet heeft ontvangen is onvoldoende om te veronderstellen dat de uitnodiging voor de hoorzitting de gemachtigde van appellante niet tijdig heeft bereikt.

3.4. Met betrekking tot het bestreden besluit 2 heeft de rechtbank geoordeeld dat van schending van enig rechtsbeginsel of de algemene beginselen van behoorlijk bestuur of van dringende redenen om van intrekking of terugvordering van de Wazo-uitkering af te zien niet is gebleken.

4.1. Ter zitting van de Raad heeft de gemachtigde van het Uwv verzocht om aanhouding van de behandeling van de - resterende - gedingen om appellante alsnog in de gelegenheid te stellen te worden gehoord. Het Uwv heeft de Raad in een eerder stadium bij brief van 16 januari 2009 laten weten een fout te hebben gemaakt toen het Uwv vanwege het uitblijven van een reactie van (de gemachtigde van) appellante op de voornoemde brief van 25 april 2007 concludeerde, dat appellante afstand had gedaan van haar recht te worden gehoord. De gemachtigde van appellante heeft dit verzoek om aanhouding ondersteund.

5. De Raad oordeelt als volgt.

5.1. De Raad heeft besloten het verzoek om aanhouding niet in te willigen. De Raad acht daartoe doorslaggevend dat (de gemachtigde van) appellante zowel in beroep als in hoger beroep ruimschoots in de gelegenheid is geweest getuigen ter zitting mee te brengen of schriftelijke verklaringen van getuigen in te sturen om haar standpunt nader te ondersteunen maar hiervan geen gebruik heeft gemaakt. Voorts laat de Raad meewegen dat een hoorzitting naar verwachting geen nieuwe feiten of inzichten zal opleveren ter beantwoording van de vraag of appellante daadwerkelijk bij [V.D.] heeft gewerkt. Immers zowel appellante als haar gemachtigde heeft ter zitting van de Raad desgevraagd aangegeven geen namen te kunnen noemen van de collega’s met wie appellante destijds zou hebben gewerkt. Wel heeft appellante ter zitting meermalen gesproken van een “meneer Herman” van de zijde van [V.D.] maar ook deze aanduiding is onvoldoende concreet. De Raad laat daarbij nog meewegen dat het inmiddels forse tijdsverloop ook meebrengt dat eventuele verklaringen van getuigen met de nodige terughoudendheid dienen te worden gehanteerd.

5.2. Ten aanzien van de grief van appellante, dat het Uwv haar ten onrechte niet in de gelegenheid heeft gesteld in bezwaar te worden gehoord, is de Raad van oordeel, gelijk het Uwv in de brief van 16 januari 2009 heeft aangegeven, dat in de Wazo ten tijde van belang geen bepaling was opgenomen, volgens welke in afwijking van artikel 7:3 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) van het horen van een belanghebbende kan worden afgezien als hij niet binnen een gestelde termijn reageert op de vraag of hij wil worden gehoord. Derhalve is naar het oordeel van de Raad niet voldaan aan het bepaalde in artikel 7:3, aanhef en onder c, van de Awb.

5.3. Uit het vorenstaande volgt dat de aangevallen uitspraak 2, evenals de bestreden besluiten die bij die uitspraak ten onrechte in stand zijn gelaten, voor vernietiging in aanmerking komen.

5.4. Mede gezien het ter zitting verhandelde ziet de Raad aanleiding met betrekking tot de inhoudelijke kanten van de gedingen het volgende te overwegen.



08/2350 WARZO

5.5. De Raad deelt het oordeel van de rechtbank, dat appellante voorafgaande aan het moment dat haar de uitkering ingevolge de Wazo is toegekend, dan wel ten hoogste 10 weken voor de vermoedelijke bevallingsdatum, terecht niet als werknemer in de zin van artikel 1:1 van de Wazo is aangemerkt. Hetgeen daartegen in hoger beroep is aangevoerd bevat, in vergelijking tot hetgeen in beroep is aangevoerd, geen nieuwe argumenten of gegevens, zodat de Raad zich in zoverre kan verenigen met hetgeen de rechtbank in de aangevallen uitspraak 2 hieromtrent heeft overwogen. De Raad merkt daarbij in het bijzonder op dat wat appellante en haar gemachtigde ter zitting van de Raad hebben verklaard over het gebruik van verschillende handtekeningen door appellante, met name over het gebruik van een handtekening met de Arabische letters A en D, welke letters, naar appellante ter zitting heeft erkend, niet in verband zijn te brengen met haar naam, ook de Raad niet tot het oordeel brengt dat het aannemelijk is dat die handtekeningen door appellante zijn gezet.



08/2351 WARZO

5.6. De Raad stelt zich ook in dit geding achter hetgeen in de aangevallen uitspraak 2 omtrent het bestreden besluit 2 is overwogen, zij het dat de rechtbank ten onrechte het bepaalde in artikel 33 van de Ziektewet in plaats van het bepaalde in artikel 7:13 (in verbinding met artikel 3:16, tweede lid) van de Wazo als grondslag van de terugvordering heeft aangemerkt.

6. Het vorenstaande levert naar het oordeel van de Raad voldoende grond op om te bepalen dat de rechtsgevolgen van de te vernietigen bestreden besluiten 1 en 2 geheel in stand blijven.

7. De Raad acht termen aanwezig om op grond van artikel 8:75 van de Awb het Uwv te veroordelen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep. Deze kosten worden begroot op € 966,- voor verleende rechtsbijstand in beroep en op € 644,- voor verleende rechtsbijstand in hoger beroep, in totaal € 1.610,-.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Vernietigt de aangevallen uitspraak;
Verklaart het beroep tegen de bestreden besluiten 1 en 2 gegrond en vernietigt die besluiten;
Bepaalt dat de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten geheel in stand blijven;
Veroordeelt de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen in de proceskosten van appellante in beroep en in hoger beroep tot een bedrag groot € 1.610,-, te betalen door het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen;
Bepaalt dat het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen aan appellante het betaalde griffierecht van € 185,- vergoedt.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en M.C.M. van Laar als leden. De beslissing is, in tegenwoordigheid van E.M. de Bree als griffier, uitgesproken in het openbaar op 25 maart 2009.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) E.M. de Bree.