Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN BO6138
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2010:BO6138
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: hoger beroep
Zaaknummers: 10/746 WARZO en 10/747 ZW
Datum uitspraak: 01-12-2010
Wetsartikelen: artt. 1:1 en 3:16 Wazo / 3, 19, 30a, 33 en 49 ZW
Essentie: Intrekking en terugvordering ZW- en Wazo-uitkering wegens gefingeerd dienstverband. Met het frauderapport is voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante in de periode in geding niet in dienst van het uitzendbureau werkzaamheden heeft verricht. Het rapport is op zorgvuldige wijze tot stand gekomen. Door appellante zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die de Raad reden geven om te twijfelen aan de juistheid van de door de diverse inleners afgelegde verklaringen.

 

 

Uitspraak meervoudige kamer 10/746 WARZO en 10/747 ZW




U I T S P R A A K




op het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank ’s-Gravenhage van 23 december 2009, 08/4152 en 08/5726 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut werknemersverzekeringen (hierna: Uwv).

Datum uitspraak: 1 december 2010.




I. PROCESVERLOOP


Namens appellante is hoger beroep ingesteld door mr. drs. A.J.F. Gonesh, advocaat te
’s-Gravenhage.

Het Uwv heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 20 oktober 2010. Appellante is verschenen bij gemachtigde, mr. Gonesh. Het Uwv was vertegenwoordigd door mr. M.J.F. Bär.




II. OVERWEGINGEN


1.1. In het kader van het project "Schijn bedriegt" heeft het Uwv onderzoek gedaan naar fraude met uitkeringen krachtens werknemersverzekeringen in relatie tot gefingeerde dienstverbanden. Op basis van dit onderzoek en het daarop gebaseerde rapport werknemersfraude van 18 oktober 2007 heeft het Uwv geconcludeerd dat appellante in de periode van 2 januari 2006 tot en met 26 februari 2006 niet zelf werkzaamheden heeft verricht als werkneemster van uitzendbureau [naam uitzendbureau] en dat appellante derhalve niet verzekerd was voor de Wet arbeid en zorg (WAZO) en voor de Ziektewet (ZW). Bij besluiten van 13 november 2007 heeft het Uwv de eerder aan appellante toegekende uitkering in gevolge de WAZO met ingang van 27 februari 2006 beëindigd en de uitkering ingevolge de ZW met ingang van 19 juni 2006 beëindigd. Bij besluiten van 28 november 2007 heeft het Uwv de WAZO-uitkering van appellante over de periode van 27 februari 2006 tot en met 18 juni 2006 en de ZW-uitkering over de periode van 19 juni 2006 tot en met 8 juli 2007 teruggevorderd. Bij besluit van 31 januari 2008 heeft het Uwv beslist dat het gehele teruggevorderde bedrag van € 30.099,73 voor 1 maart 2008 dient te zijn terugbetaald.

1.2. Bij besluit van 25 april 2008 heeft het Uwv de bezwaren van appellante tegen de besluiten van 13 november 2007 en 28 november 2007 ongegrond verklaard. Bij besluit van 11 juli 2008 heeft het Uwv het bezwaar van appellante tegen het besluit van 31 januari 2008 ongegrond verklaard.

2. Bij de aangevallen uitspraak heeft de rechtbank het namens appellante ingestelde beroep tegen de besluiten van 25 april 2008 en 11 juli 2008 ongegrond verklaard. Daartoe heeft de rechtbank overwogen dat op grond van verklaringen van een aantal inleners van uitzendbureau [naam uitzendbureau] niet in voldoende mate aannemelijk is geworden dat appellante in de periode van 2 januari tot en met 26 februari 2006 daadwerkelijk arbeid in dienst van uitzendbureau [naam uitzendbureau] heeft verricht. De rechtbank acht het verder van belang dat appellante nauwelijks of geen details kon geven van het werk dat zij deed en bij welke inlener zij werkzaam was. Geen van de inleners kon bevestigen dat appellante bij hen heeft gewerkt en appellante kwam niet op de urenlijsten van de inleners voor. De ter zitting van de rechtbank afgelegde verklaring van de eigenaar van uitzendbureau [naam uitzendbureau], [naam eigenaar], acht de rechtbank onvoldoende om tot een ander oordeel te komen. Aangezien appellante het formulier "inkomen en vermogensonderzoek" niet heeft ingevuld en geretourneerd valt naar het oordeel van de rechtbank niet in te zien waarom het Uwv zou moeten afzien van invordering van het gehele bedrag in één keer.

3. In hoger beroep heeft appellante het oordeel van de rechtbank bestreden. Zij heeft daartoe onder meer aangevoerd dat de in het frauderapport genoemde bevindingen en de daaruit getrokken conclusies berusten op een onzorgvuldige wijze van vaststelling en waardering van de feiten. Appellante heeft de Raad verzocht een deskundige te benoemen die de betrouwbaarheid van de verklaringen van inleners en de zorgvuldigheid van de rapportage zou moeten onderzoeken.
Appellante heeft zich voorts op het standpunt gesteld dat zij in haar verklaringen afdoende aannemelijk heeft gemaakt dat zij in de betreffende periode in dienst van uitzendbureau [naam uitzendbureau] heeft gewerkt. Zij beroept zich ter verdere ondersteuning van haar standpunt op haar arbeidsovereenkomst en salarisspecificaties en voorts op hetgeen de getuige [naam eigenaar] ter zitting van de rechtbank heeft verklaard.

4. De Raad overweegt het volgende.

4.1. De Raad stelt voorop dat het bij besluiten tot intrekking en terugvordering van sociale zekerheidsuitkeringen als hier aan de orde gaat om belastende besluiten waarbij het aan het bestuursorgaan is om de nodige kennis omtrent de relevante feiten en omstandigheden te vergaren. Die last om informatie te vergaren brengt mee dat het in een geval als het onderhavige aan het Uwv is om de feiten aan te dragen aan de hand waarvan het aannemelijk is dat er in de relevante periode geen sprake was van een dienstbetrekking met uitzendbureau [naam uitzendbureau].

4.2. Bij de vaststelling van de feiten die van belang zijn voor de beantwoording van de vraag of sprake is geweest van een dienstbetrekking, komt in beginsel een groot gewicht toe aan processen-verbaal waarin bevindingen van opsporingsambtenaren zijn opgenomen over in de administraties van dat uitzendbureau en van de inlener aangetroffen bescheiden en (transcripties van) telefoontaps. Hetzelfde geldt op grond van vaste rechtspraak van de Raad ook voor in processen-verbaal opgenomen verklaring(en) die tegenover bevoegde opsporingsambtenaren zijn afgelegd en ondertekend. Aan dergelijke verklaringen worden de betrokkenen in beginsel gehouden.
Indien op grond van de door het Uwv gepresenteerde feiten aannemelijk is dat de betrokkene ten tijde van belang geen dienstbetrekking als hier bedoeld vervulde, dan ligt het op de weg van betrokkene de onjuistheid daarvan met tegenbewijs, berustend op objectieve en verifieerbare gegevens, aannemelijk te maken.

4.3. Het frauderapport laat er geen twijfel over bestaan dat er bij uitzendbureau [naam uitzendbureau] sprake is geweest van gefingeerde dienstverbanden.

4.4. Met betrekking tot de situatie van appellante heeft de Raad het volgende vastgesteld. Blijkens de in het frauderapport opgenomen verklaringen van appellante heeft zij geen gedetailleerde beschrijving gegeven van haar werkzaamheden en kon zij niet vertellen bij welke inlener zij heeft gewerkt. Aan de hand van een aan haar getoonde lijst heeft zij aangegeven bij wie ze eventueel gewerkt kon hebben. De verklaring van [naam eigenaar] met betrekking tot de beschrijving van de werkzaamheden en met betrekking tot de genoemde inleners is niet consistent met die van appellante. De urenstaat waar getuige Polat naar verwijst heeft betrekking op de weken 21 tot en met 24 van het jaar 2006; in deze weken ontving appellante echter een WAZO-uitkering. Mitsdien komt naar het oordeel van de Raad weinig gewicht toe aan de achteraf afgelegde verklaring van de leidinggevende van het betrokken uitzendbureau.

4.5. Naar het oordeel van de Raad is met het frauderapport voldoende aannemelijk gemaakt dat appellante in de periode van 2 januari tot en met 26 februari 2006 niet in dienst van uitzendbureau [naam uitzendbureau] werkzaamheden heeft verricht. De Raad is niet gebleken dat het rapport op een onzorgvuldige wijze tot stand is gekomen. Door appellante zijn geen concrete feiten of omstandigheden aangevoerd die de Raad reden geven om te twijfelen aan de juistheid van de door de diverse inleners afgelegde verklaringen. De Raad ziet geen gronden voor het benoemen van een deskundige zoals verzocht door appellante.

4.6. Tegen de aangevallen uitspraak voor zover betrekking hebbend op het besluit van 11 juli 2008 tot invordering van het volledige bedrag van € 30.099,73 zijn door appellante geen gronden aangevoerd zodat inhoudelijke behandeling daarvan door de Raad achterwege kan blijven.

5.1. Uit het vorenstaande volgt dat appellante ten tijde hier van belang ten onrechte als werknemer voor de sociale verzekeringswetten is aangemerkt en daarom geen recht had op de ZW- en WAZO-uitkeringen. Dit leidt ertoe dat de Raad het oordeel van de rechtbank onderschrijft dat het Uwv terecht de eerder aan appellante toegekende ZW- en WAZO-uitkering heeft ingetrokken en terecht de onverschuldigd betaalde bedragen heeft teruggevorderd.

5.2. Het hoger beroep slaagt niet. De aangevallen uitspraak moet worden bevestigd.

6. Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Bevestigt de aangevallen uitspraak.

Deze uitspraak is gedaan door Ch. van Voorst als voorzitter en C.P.J. Goorden en J.J.T. van den Corput als leden, in tegenwoordigheid van T.J. van der Torn als griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar op 1 december 2010.

(get.) Ch. van Voorst.

(get.) T.J. van der Torn.