Vrouwe Justitia

 

 

 

(Zie ook Wvg)


TIP: zoeken binnen deze pagina kan met Ctrl+F

 

LJN BG6612 - De rechter dient de keuze(n) die de gemeenteraad en het college hebben gemaakt bij de wijze waarop invulling wordt gegeven aan de compensatieplicht in beginsel te respecteren. Er zijn geen aanknopingspunten voor een terughoudende beoordeling van een ter uitvoering van artikel 4 van de Wmo genomen besluit. Tot de specifieke - in het kader van artikel 4 van de Wmo in aanmerking te nemen - behoefte van appellante behoort dat de douchestoel geschikt moet zijn om haar, indien zij daarin gezeten is, door derden te kunnen laten wassen. Daarbij zijn haar persoonskenmerken van belang. Naar de bedoeling van de wetgever zal niet licht van "overwegende bezwaren" als bedoeld in artikel 6 van de Wmo van algemene aard sprake kunnen zijn. De door het college genoemde bezwaren zijn onvoldoende specifiek en niet concreet en verifieerbaar onderbouwd. Artikel 1.3 van het Besluit maatschappelijke ondersteuning gemeente Gorinchem 2007 is onverbindend wegens strijd met artikel 6 van de Wmo en dient daarom buiten toepassing te worden gelaten. De Raad treft een voorlopige voorziening.

LJN BI5274 - Toekenning financiële tegemoetkoming voor de meerkosten van rolstoeltaxivervoer ten opzichte van gewoon taxivervoer ten bedrage van €45,- per maand, met oplegging van een declaratieverplichting. Er is sprake van strijd met de waarborg van artikel 40, eerste lid, aanhef en onder c, van de Wmo door aan appellante een declaratieverplichting op te leggen die onder de Wvg niet was opgelegd. Vernietiging van het bestreden besluit wegens strijd met de wet. Het college dient binnen zes weken na dagtekening van de uitspraak een nieuw besluit op bezwaar te nemen.

LJN BI6832 - Terechte weigering tegemoetkoming in de verhuis- en herinrichtingskosten omdat bij appellant geen sprake is van ergonomische beperkingen op het gebied van wonen. De Raad leidt uit de wetsgeschiedenis af dat de wetgever de doelgroep van de maatschappelijke ondersteuning, als bedoeld in de Wmo, uitdrukkelijk ruimer heeft omschreven dan het begrip gehandicapte in de zin van de Wvg.

LJN BK1558 - Weigering robotarm ten behoeve van de door appellant aangeschafte auto. Zoals de Raad reeds eerder met betrekking tot de uitvoering van de Wvg heeft overwogen, mag een gemeentebestuur, in het geval dat een gehandicapte slechts onder begeleiding gebruik kan maken van een bepaalde vorm van vervoer, er in beginsel van uitgaan dat de gehandicapte zelf voor de nodige begeleiding zorg draagt. Slechts in uitzonderingsgevallen, met name als van de kant van de betrokkene aannemelijk wordt gemaakt dat zijnerzijds niet dan wel slechts tegen substantiële meerkosten voor begeleiding voor verplaatsingen in de directe omgeving kan worden gezorgd, dient het gemeentebestuur zijn besluitvorming over een aangevraagde vervoersvoorziening af te stemmen op het feitelijk blijkende tekort aan begeleiding. De Raad is van oordeel dat appellant niet aannemelijk heeft gemaakt dat in zijn geval sprake is van zo’n uitzonderingssituatie.

LJN BK2502 - Weigering vervoersvoorziening in de vorm van een gesloten buitenwagen omdat deze voorziening niet de goedkoopste adequate oplossing betreft. Het college heeft niet nagegaan hoe de vervoersmogelijkheden van het collectief aanvullend vervoer zich verhouden tot de wensen van de aanvrager, zijn beperkingen en zijn vervoersbehoeften. Het college heeft ten onrechte geen betekenis toegekend aan het gegeven dat appellant voor het vervoer op de korte afstand aangewezen wordt geacht op een scootmobiel en zijn wens om daarvan geen gebruik te maken. Het college heeft aan appellant niet de keuzemogelijkheid voorgehouden te opteren voor een PGB in plaats van een scootmobiel en deelname aan het collectief vervoer.

LJN BK2504 - Weigering vervoersvoorziening in de vorm van een taxikostenvergoeding omdat het collectief vervoer een doelmatige voorziening is. Het college heeft terecht geconcludeerd dat niet gebleken is van medische redenen op grond waarvan appellant bij het zich lokaal verplaatsen geen gebruik zou kunnen maken van het collectief vervoer. Het college heeft echter bij de beoordeling van de vraag of het collectief vervoer de beperkingen van appellant die hij ondervindt in zijn zelfredzaamheid en zijn maatschappelijke participatie bij het zich lokaal verplaatsen compenseert, niet in kaart gebracht wat de lokale vervoersbehoefte van appellant is.

LJN BK4567 - Weigering PGB voor hulp bij het huishouden. Het instellen van hoger beroep tegen een besluit genomen op grond van de Wmo heeft geen schorsende werking. De voorzieningenrechter stelt vast dat het college - ten onrechte uitgaande van schorsende werking van het ingestelde hoger beroep - nog niet heeft voldaan aan de opdracht van de voorzieningenrechter van de rechtbank. Nu de termijn van de door de voorzieningenrechter van de rechtbank getroffen voorlopige voorziening aanstonds afloopt, is de voorzieningenrechter van oordeel dat verzoekster voldoende spoedeisend belang heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening. Dit belang is gelegen in de gevolgen die stopzetting van de hulp bij het huishouden kan hebben op de gezondheidssituatie van verzoekster en die van haar kinderen. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter is het, gelet op de verbreding van de doelgroep van de Wmo, in beginsel niet van belang of lichamelijke klachten al dan niet medisch geobjectiveerd kunnen worden, maar of de beperkingen geobjectiveerd kunnen worden.

LJN BK5008 - Uurtarief huishoudelijke verzorging. De Raad is van oordeel dat het college op het gecontracteerde uurtarief voor naturazorg ten onrechte een korting van 25% heeft toegepast wegens overheadkosten. Dat zo’n korting ook onder de AWBZ is toegepast bij de vaststelling van de hoogte van het PGB voor huishoudelijke verzorging, kan geen rechtvaardiging vormen om dat ook bij de uitvoering van de Wmo te doen, reeds omdat de financieringstructuur van huishoudelijke verzorging onder de AWBZ een geheel andere was dan onder de Wmo.

LJN BK6964 - Weigering financiële tegemoetkoming voor de plaatsing van een traplift en aanpassing/verplaatsing van de natte cel. Het college heeft een onjuiste maatstaf aangelegd door de toepassing van het verhuisprimaat niet te baseren op een afweging van alle relevante feiten en omstandigheden, maar te volstaan met een beoordeling van de vraag of sociale en psychische gronden aan de toepassing ervan in de weg staan. Het college heeft appellante ten tijde van de behandeling van haar aanvraag geen concrete passende woningen aangewezen waarnaar zij met haar gezin binnen een termijn van zes maanden na het indienen van de aanvraag zou kunnen verhuizen.

LJN BK6971 - Weigering diverse woningaanpassingen. De Raad stelt vast dat het onderzoek van het college onvoldoende gericht is geweest op de vraag welke woonvoorziening in het geval van appellant kan worden aangemerkt als compensatie in de zin van artikel 4, eerste lid, van de Wmo. Met name is niet beoordeeld met welke voorzieningen en hulpmiddelen de huidige woning van appellant, in weerwil van zijn krappe maatvoering, aangepast zou kunnen worden aan, dan wel geschikt gemaakt zou kunnen worden voor, de beperkingen van appellant.

LJN BL9930 - Weigering financiële vergoeding voor hulp bij het huishouden omdat betrokkenes echtgenoot in staat is tot het verrichten van huishoudelijk werk. Van de gezonde partner - die tot dezelfde leefeenheid behoort - wordt verwacht dat hij huishoudelijke taken van de partner met beperkingen overneemt. Eén van de redenen om in de individuele situatie af te wijken, kan zijn dat degene van wie wordt verwacht dat hij taken overneemt, overbelast dreigt te raken. Het college kon zich in redelijkheid niet op het standpunt stellen dat de echtgenoot van betrokkene zijn betaalde AWBZ-werkzaamheden geheel of gedeeltelijk zou moeten beëindigen. De Raad voorziet zelf in de zaak en beslist dat het college betrokkene een financiële vergoeding voor hulp bij het huishouden verstrekt.

LJN BM1718 - Afwijzing verzoek van het college om een voorlopige voorziening. Een mogelijk financieel risico in de toekomst levert onvoldoende grond op om te oordelen dat er aan de kant van het college sprake is van een spoedeisend belang bij het treffen van de gevraagde voorziening. Het instellen van hoger beroep tegen een besluit genomen op grond van de Wmo heeft geen schorsende werking. Er is geen sprake van een zo zwaarwegend belang dat behandeling van de bodemprocedure niet zou kunnen worden afgewacht.

LJN BM6292 - Toekenning vervoersvoorziening in de vorm van een PGB voor vervoer in de directe woon- en leefomgeving. Weigering gesloten buitenwagen (brommobiel). Niet is komen vast te staan dat appellante is aangewezen op gesloten buitenvervoer, zodat zij niet met het hoger beroep kan bereiken dat het college haar een brommobiel zal verstrekken.

LJN BM7493 - Niet-ontvankelijkverklaring hoger beroep college. Volgens vaste jurisprudentie van de Raad is de bestuursrechter alleen dan tot het beantwoorden van rechtsvragen geroepen indien er sprake is van een geschil over een besluit van een bestuursorgaan. Het los daarvan verkrijgen van een principiële uitspraak over een rechtsvraag die de Raad in vaste rechtspraak reeds heeft beantwoord en waarvan de verzochte beantwoording uitsluitend van belang is voor de toekomstige uitvoeringspraktijk van een bestuursorgaan, kan naar vaste rechtspraak van de Raad niet als een voldoende procesbelang worden aangemerkt. Dit betekent dat het hoger beroep van het college wegens ontbrekend procesbelang niet-ontvankelijk dient te worden verklaard.

LJN BN0775 - Verlaging financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten. De Raad is van oordeel dat de financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten en de rolstoelvoorzieningen appellante in staat stellen in haar lokale vervoersbehoefte te voorzien. Daarnaast kan zij voor daarvoor in aanmerking komende bestemmingen (onbeperkt) gebruikmaken van de regiotaxi. Het feit dat appellante stelt door de korting op haar financiële tegemoetkoming in de vervoerskosten niet meer in staat te zijn haar auto te financieren, kan aan het voorgaande niet afdoen. De toepasselijke regelgeving verplicht het college niet te voorzien in de financiering van appellantes eigen auto.

LJN BN3251 - Toekenning forfaitair bedrag voor een vervoersvoorziening in de vorm van een verplaatsingsmiddel voor sportbeoefening, anders dan een sportrolstoel. De Raad stelt vast dat het college gelet op de toekenning van een financiële tegemoetkoming voor een sportvoorziening verstrekking van de gevraagde voorziening wel noodzakelijk acht voor appellant, maar op grond van een - gezien het voorgaande onjuiste - opvatting over de strekking van die aanvraag en over de toepasselijke wet- en regelgeving en beleidsregels die tegemoetkoming heeft beperkt tot een forfaitair bedrag van €2500,-. Op grond van de op de aanvraag van toepassing zijnde regelgeving en beleidsregels is het college in beginsel gehouden om aan appellant een financiële tegemoetkoming te verstrekken in de werkelijke kosten van het door hem aangevraagde verplaatsingsmiddel, rekening houdend met een eigen aandeel dat afhankelijk is van het inkomen van appellant.

LJN BO0336 - Weigering verhuiskostenvergoeding en woningaanpassing. Het college heeft bij de beoordeling van de aanvraag van appellant uitdrukkelijk niet de situatie betrokken dat het treffen van een woonvoorziening het gevolg is van een verhuizing waartoe op grond van een chronisch psychisch probleem of een psychosociaal probleem aanleiding bestaat. Het college heeft bij de beoordeling van de aanvraag een te beperkt - en in zoverre in strijd met de Wmo zijnd - toetsingskader gehanteerd.

LJN BO1032 - Toekenning woonvoorziening in de vorm van een PGB tot een maximum van €22.886,82 voor een inpandige woningaanpassing. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een inpandige woningaanpassing een adequate voorziening is. Indien tijdens het uitvoeren van de inpandige woningaanpassing blijkt dat er kosten gemaakt moeten worden om aan het programma van eisen te voldoen waarin het bestek niet voorziet, kan een aanvraag om vergoeding van die meerkosten worden ingediend. Dat voor vergoeding van onvoorziene meerkosten een afzonderlijke aanvraag moet worden ingediend, acht de Raad niet onjuist.

LJN BO2747 - Weigering scootmobiel. Niet gebleken is dat een fiets (waaronder de Raad ook een fiets met hulpmotor of brommer begrijpt) voor het korteafstandsvervoer in aanvulling op de regiotaxi geen geschikt vervoermiddel is. Het door appellante gestelde jarenlange kluizenaarsbestaan is geen omstandigheid op grond waarvan het college een scootmobiel zou moeten verstrekken.

LJN BO5995 - Omvang huishoudelijke hulp. Afbouwregeling. Uit de informatie van de longarts kan niet worden vastgesteld dat de echtgenoot van appellante in staat kan worden geacht om de gebruikelijke zorg te verlenen. De rechtbank heeft ten onrechte zelf in de zaak voorzien. De Raad wijst erop dat voorkomen moet worden dat appellante door het instellen van hoger beroep in een slechtere positie komt te verkeren dan waarin zij zonder het instellen van hoger beroep verkeerde. De Raad draagt het college daarom op om aan appellante - ongeacht de uitkomst van het te verrichten medisch onderzoek - ten minste huishoudelijke hulp toe te kennen voor drie uur per week voor de periode van 30 november 2007 tot en met 2 april 2008.

LJN BO5997 - Tussenuitspraak. Weigering verhuiskostenvergoeding, taxikostenvergoeding en huishoudelijke hulp. Er is een onjuiste toetsingsmaastaf gehanteerd in de GGD-rapportage. Het college dient nog te beoordelen of appellante psychosociale problemen heeft, te meer nu zij heeft gesteld klachten in deze zin te hebben. Het bestreden besluit is onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd. Het college wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BO8856 - Weigering verhuiskostenvergoeding. De keuze van het college om voor personen als appellante de stap om te verhuizen als algemeen gebruikelijk te kwalificeren in verband met de overgang naar een volgende levensfase berust op een niet in de wet genoemde uitsluitingsgrond en leidt tot een niet door de wetgever beoogde generieke uitsluiting van personen als appellante van de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo. De commissie heeft de aangevraagde financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten in strijd met de wet geweigerd.

LJN BP0007 - Beëindiging individuele vervoersvoorziening omdat appellant in staat is onder begeleiding gebruik te maken van het collectief vraagafhankelijk vervoer. Het college heeft ten onrechte geen toepassing gegeven aan de hardheidsclausule aangezien er is sprake van bijzondere omstandigheden. Naast appellant is ook zijn zuster gehandicapt en de aangepaste bus waarin appellant en zijn zuster kunnen worden vervoerd, is reeds aanwezig. Bovendien kan appellant in de voornoemde bus verschoond worden, zodat geen opsplitsing van het gezin behoeft plaats te vinden bij gezinsactiviteiten waarbij vervoer nodig is. Verder is de vervoersbehoefte van appellant gering. Onder deze omstandigheden had het college niet mogen vasthouden aan het primaat van het collectief vervoer.

LJN BP3505 - Weigering traplift. De voorzieningenrechter stelt vast dat betrokkene te kennen heeft gegeven zich niet te zullen verzetten tegen toewijzing van de voorlopige voorziening nu er recent een nieuwe situatie is ontstaan en hij niet meer verblijft in de woning waarvoor een traplift is gevraagd. Gelet hierop zal de voorzieningenrechter de gevorderde voorlopige voorzieningen toewijzen en bepalen dat de aangevallen uitspraak wordt geschorst totdat in de hoofdzaak uitspraak zal zijn gedaan.

LJN BQ0386 - Tussenuitspraak. Het college heeft erkend dat met het aan appellanten toegekende PGB geen huishoudelijke verzorging niveau 1 (HV1) bij een instantie kan worden ingekocht. Vervolgens is gesteld dat met het toegekende PGB gebruik kan worden gemaakt van een ZZP-er of een alfahulp voor HV1, zodat geen administratiekosten behoeven te worden gemaakt. Deze zienswijze van het college, waarbij eventuele administratiekosten voor rekening van appellanten blijven, deelt de Raad niet omdat deze inbreuk maakt op de in artikel 6 van de Wmo neergelegde keuzevrijheid tussen een voorziening in natura en een PGB. Bovendien is niet aannemelijk gemaakt dat met het toegekende uurtarief voor het PGB wordt voldaan aan de verplichting van het college om appellanten een zodanige voorziening aan te bieden dat hun beperkingen om daarin zelf te voorzien in het concrete individuele geval worden gecompenseerd. Het college wordt opgedragen het gebrek in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BQ4115 - Weigering woonvoorziening in de vorm van een aanpassing van het ventilatiesysteem in de woning. Op grond van objectieve gegevens kan worden vastgesteld dat de woning van betrokkene vanaf het moment van de oplevering op het punt van de aangevraagde voorziening onmiskenbaar niet voldoet aan de voor een dergelijke woning geldende vereisten. Indien de woning wel aan die vereisten zou voldoen, zou de aangevraagde voorziening ook niet nodig zijn, zodat de aangevraagde voorziening in beginsel moet worden aangemerkt als algemeen gebruikelijk in de zin van de gemeentelijke Wmo-verordening.

LJN BQ6625 - Weigering huishoudelijke hulp omdat van appellantes echtgenoot en zoon gebruikelijke zorg als bedoeld in de gemeentelijke Wmo-verordening kan worden gevergd. Er is geen sprake van een bijzonder geval.

LJN BQ8290 - Weigering woonvoorziening in de vorm van een extra deur in de buitenberging. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat het, gelet op de in haar woning aanwezige ruimten, onmogelijk is om door herinrichting of verplaatsing van een aantal aanwezige zaken naar de buitenberging een plek voor haar (inklapbare) rolstoel te creëren. Van appellante mag worden verlangd dat zij haar buitenberging gebruikt voor de opslag van voorwerpen die zij slechts incidenteel nodig heeft en dat zij hierdoor ruimte creëert voor de stalling van haar rolstoel in de (binnenberging in haar) woning.

LJN BQ9023 - Weigering vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel. Het college mocht zijn besluitvorming op het advies van de GG&GD baseren. Niet is gebleken dat dit advies wat de wijze van totstandkoming betreft of naar inhoud niet deugdelijk zou zijn. Niet aannemelijk is geworden dat appellant ten tijde in geding niet meer dan 800 meter kon lopen.

LJN BQ9391 - Weigering elektrische rolstoel en een pas voor algemeen openbaar vervoer omdat appellant niet rechtmatig in Nederland verblijft in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000. Het beroep op de artikelen 3, 8 en 14 van het EVRM, alsmede op artikel 1 van het Twaalfde Protocol bij het EVRM, slaagt niet.

LJN BR1061 - Weigering toegang tot de maatschappelijke opvang omdat appellant de Surinaamse nationaliteit heeft en niet beschikt over de juiste verblijfsstatus. Naar het oordeel van de Raad is niet gebleken dat de weigering van toelating tot de maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een "fair balance" tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden.

LJN BR3280 - Toekenning PGB om een elektrische rolstoel aan te schaffen. De Raad vermag niet in te zien dat in het geval van appellante het PGB niet zou mogen worden aangewend voor de door haar aangevraagde meerkosten van de aanschaf en de aanpassing van een rolstoelbus. Het beroep van appellante is gegrond.

LJN BR4456 - Tussenuitspraak. Weigering PGB ter voorziening in de kosten van individuele begeleiding in verband met het volgen van onderwijs en in verband met het ontmoeten van medemensen en het aangaan van sociale contacten in de omgeving. Appellant lijdt aan het autismespectrumstoornis. Begeleiding in verband met het volgen van onderwijs valt niet onder één van de vier taakvelden als bedoeld in artikel 4 van de Wmo. Begeleiding ten behoeve van het ontmoeten van mensen en het aangaan van sociale verbanden valt wél onder de compensatieplicht. Er is onvoldoende onderzocht of mantelzorg beschikbaar is, er is onvoldoende onderzoek gedaan naar voorliggende voorzieningen en er is geen onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van geschikte hulp bij door de gemeente gesubsidieerde instellingen. De Raad draagt het college op de gebreken in het bestreden besluit te herstellen.

LJN BR7013 - Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening. Weigering vervoersvoorziening in de vorm van een PGB voor het inhuren van begeleiding bij het zich verplaatsen. Het college heeft onvoldoende onderkend dat begeleiding ten behoeve van het ontmoeten van mensen en het aangaan van sociale verbanden onder de in artikel 4, eerste lid, aanhef en onder d, van de Wmo bedoelde compensatieplicht valt. De Raad wijst het verzoek om een voorlopige voorziening toe en draagt het college op om binnen veertien dagen na dagtekening van deze uitspraak voor verzoekster begeleiding te bemiddelen bij een binnen de gemeente werkzame vrijwilligersorganisatie.

LJN BT7584 - Hoogte uurtarief huishoudelijke hulp. Het door het college toegepaste uurtarief van €12,20 berust op een ondeugdelijke motivering. De Raad voorziet zelf in de zaak en stelt voor de berekening van het PGB van appellant ter zake van hulp bij het huishouden het te hanteren uurtarief vast op €14,25.

LJN BT7629 - Weigering bruikleenauto. De Raad is van oordeel dat het college het bestreden besluit terecht heeft doen steunen op het advies van het CIZ. Niet is gebleken dat dit advies wat de wijze van totstandkoming betreft of naar inhoud niet deugdelijk zou zijn. Dit blijkt ook niet uit de door appellant (in beroep en hoger beroep) overgelegde medische stukken. Uit die stukken blijkt niet dat appellant ten tijde in geding geen 50 meter kon lopen om de afstand naar het collectief vervoer te kunnen overbruggen. De Raad verwijst voorts nog naar het beroepschrift van appellant, waarin is aangegeven dat appellant deze afstand met hulp van anderen kan afleggen.

LJN BU5096 - Toekenning hulp bij het huishouden klasse 3 (4 tot en met 6,9 uur per week). De extra schoonmaakwerkzaamheden in verband met de komst van een hulphond samen met de andere opgegeven werkzaamheden resulteren erin dat de huishoudelijke taken feitelijk 6 uur en 30 minuten per week dan wel 6 uur en 45 minuten per week in beslag nemen. Zelfs indien niet wordt uitgegaan van de normtijden voor hulp bij het huishouden, maar van de daadwerkelijke tijdsbesteding, is appellante terecht geïndiceerd voor klasse 3.

LJN BU6446 - Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening. Intrekking toekenning en inname gesloten buitenwagen. De gesloten buitenwagen was toegekend om verzoekster vanwege gedragsproblemen van haar zoon in staat te stellen samen met hem te reizen. Er is sprake van spoedeisend belang nu voldoende aannemelijk is gemaakt dat door de inname van de gesloten buitenwagen een serieus vervoersprobleem is ontstaan. De enkele omstandigheid dat de zoon de leeftijd van 12 jaar heeft bereikt, is onvoldoende om aan te nemen dat de noodzaak niet langer aanwezig is. Bij de advisering zijn ten onrechte geen inlichtingen ingewonnen bij onder meer het Bureau Jeugdzorg en is ten onrechte niet gemotiveerd waarom verzoekster zonder een gesloten buitenwagen voldoende in staat zou zijn om haar zorgtaken als moeder te kunnen vervullen. Het verzoek om voorlopige voorziening wordt toegewezen in die zin dat aan verzoekster binnen twee weken na dagtekening van deze uitspraak een gesloten buitenwagen wordt verstrekt.

LJN BV0088 - Herziening en terugvordering PGB. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat in hetgeen appellant heeft aangevoerd onvoldoende is gebleken van onbillijkheden van overwegende aard als bedoeld in de gemeentelijke Wmo-verordening. De Raad onderschrijft het oordeel van de rechtbank dat de door appellant aangevoerde omstandigheden dat hij een laag opleidingsniveau heeft, de Nederlandse taal niet machtig is en schulden heeft, niet zodanig bijzonder zijn dat dit aanleiding diende te geven tot toepassing van de hier aan de orde zijnde hardheidsclausule. De Raad is van oordeel dat ook het samenstel van deze omstandigheden geen aanleiding hoefde te geven tot toepassing van de hardheidsclausule.

LJN BV7463 - Toekenning (halve) financiële tegemoetkoming voor het gebruik van de eigen auto. Er bestaat geen aanleiding de onder de Wvg tot stand gekomen jurisprudentie met betrekking tot een vervoersvoorziening niet van toepassing te achten voor de Wmo. De rechtbank heeft terecht overwogen dat het college rekening kon houden met het feit dat appellante voor de korte afstanden is gecompenseerd door de aangepaste scootmobiel en dat voor het bovenregionale vervoer op het college geen compensatieplicht op grond van de Wmo rust. Het college heeft mogen besluiten dat appellante met de financiële tegemoetkoming van €494,- per jaar voldoende gecompenseerd was.

LJN BV8848 - Weigering gesloten buitenwagen, maar wél toekenning van een scootmobiel in combinatie met een vervoerspas voor aanvullend openbaar vervoer, type deur tot deur samenreizend. Nog daargelaten de vraag of het voor appellant met de scootmobiel al dan niet mogelijk is om zijn kinderen naar school te brengen en weer op te halen, is niet gebleken dat appellant voor het doorbreken van het sociaal isolement uitsluitend op deze activiteit is aangewezen. Van de overige door appellant genoemde lokale activiteiten, zoals boodschappen doen, de sportschool/fysiotherapeut bezoeken en uitstapjes met de kinderen ondernemen, kan worden aangenomen dat deze al in voldoende mate bijdragen aan de maatschappelijke participatie van appellant.

LJN BW2492 - Herziening en terugvordering PGB. De gemeentelijke Wmo-verordening biedt de ruimte om ten aanzien van het gehele PGB te verlangen dat het wordt besteed aan het doel waarvoor het is verstrekt en dat in het verlengde daarvan appellant het PGB kan verlagen met het verschil tussen het bestede bedrag en het betaalde bedrag en dat dit verschil vervolgens kan worden teruggevorderd. Nu betrokkene het in 2008 betaalde PGB slechts gedeeltelijk heeft verantwoord, heeft zij niet aangetoond dat het resterende bedrag is besteed aan huishoudelijke hulp. Gelet hierop was appellant in beginsel bevoegd tot herziening en gedeeltelijke terugvordering van de toegekende voorziening over te gaan. De rechtbank heeft terecht vastgesteld dat uit het bestreden besluit geen belangenafweging blijkt en dat dit des te meer klemt gelet op de door betrokkene aangevoerde omstandigheden. In hoger beroep heeft appellant geen onderbouwing gegeven waaruit blijkt dat wel acht is geslagen op de door betrokkene aangevoerde omstandigheden.

LJN BW3254 - Tussenuitspraak. Toekenning PGB voor hulp bij het huishouden. Het college heeft in alle bij dit geding betrokken besluiten onvoldoende onderzoek verricht naar de omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden. Het college dient onderzoek te verrichten naar de omvang van de toe te kennen hulp bij het huishouden en dient daarbij alle omstandigheden van het geval te betrekken. Indien appellanten, zoals het college stelt, niet toestaan dat bij hen thuis een huisbezoek wordt afgelegd, dan dient het college te bezien of er andere onderzoeksmethoden zijn om de omvang van de hulp bij het huishouden vast te stellen.

LJN BW6548 - Weigering tegemoetkoming in de verhuiskosten. Appellante verhuist met haar twee zoontjes, waarvan één met een stoornis binnen het autistisch spectrum en een ontwikkelingsachterstand, van een tweekamerwoning naar een vierkamerwoning. De keuze van het college om voor personen als appellante de stap om te verhuizen als algemeen gebruikelijk te kwalificeren in verband met de gezins- en woonsituatie, berust op een niet in de wet genoemde uitsluitingsgrond en leidt tot een niet door de wetgever beoogde generieke uitsluiting van personen als appellante van de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo. De aangevraagde financiële tegemoetkoming voor verhuis- en herinrichtingskosten is in strijd met de wet geweigerd, zodat het bestreden besluit en de aangevallen uitspraak dienen te worden vernietigd. De Raad voorziet zelf in de zaak door het bestreden besluit te herroepen en door te bepalen dat appellante in aanmerking komt voor een verhuiskostenvergoeding zoals in de periode in geding gebruikelijk.

LJN BW7019 - Weigering toegang tot de maatschappelijke opvang. Appellant kon ingevolge de Vreemdelingenwet 2000 geen aanspraak maken op toelating tot de maatschappelijke opvang in de zin van de Wmo. Met inachtneming van de door appellant overgelegde verklaringen en het advies van de GGD is niet gebleken dat de weigering van het college tot toelating van maatschappelijke opvang in de gegeven omstandigheden geen blijk geeft van een "fair balance" tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van de toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden.

LJN BW7705 - Toekenning vervoersvoorziening in de vorm van een forfaitaire vergoeding voor het gebruik van de eigen auto van €1075,- per jaar en een op declaratiebasis uit te keren bedrag voor de kosten van een (individuele) taxi van €2525,- per jaar. De Raad kan zich vinden in de overwegingen van de rechtbank dat de aan appellante toegekende tegemoetkoming in de vervoerskosten - met de tweedeling die daarin is aangebracht - moet worden aangemerkt als een adequate voorziening. Ook voor de Raad weegt daarbij zwaar dat appellante met het toegekende budget zeer wel in staat moet worden geacht de uit de rechtspraak volgende afstand van 1500 tot 2000 (lokale) kilometers af te leggen.

LJN BW8959 - Toekenning PGB onder de voorwaarde dat appellante het PGB alleen mag besteden aan een rolstoelfiets. Tussen partijen is niet in geschil dat de aangepaste Filibakfiets voor appellante een adequate vervoersvoorziening biedt. Er zijn - ook uit medisch oogpunt - geen bezwaren tegen het gebruik van de Filibakfiets. Gelet hierop, en in het licht van de wetsgeschiedenis, is niet in te zien dat in het geval van appellante het PGB niet zou mogen worden aangewend voor de door haar gewenste aangepaste Filibakfiets. Of deze als algemeen gebruikelijk moet worden gezien, doet niet ter zake.

LJN BX1259 - Weigering verhuiskostenvergoeding. Er is geen medische noodzaak om af te zien van traplopen en er zijn bovendien behandelmogelijkheden die de mobiliteit van appellante zullen doen verbeteren. Verhuizing naar een gelijkvloerse woning is in het geval van appellante dan ook niet aangewezen. De Raad is verder met de rechtbank van oordeel dat er geen grond is om het standpunt van het college dat er geen medische redenen zijn om een woonvoorziening te treffen onjuist te achten.

LJN BX1262 - Weigering toelating tot de maatschappelijk opvang omdat appellant illegaal in Nederland verblijft. De fysieke en psychische gezondheid van appellant wordt niet substantieel bedreigd indien hij verstoken blijft van verdergaande opvang dan nu door het college wordt geboden. Er is geen sprake van een vernederende of onmenselijke behandeling.

LJN BX7649 - Weigering vervoerskostenvoorziening omdat appellante in staat wordt geacht gebruik te maken van het openbaar vervoer. Het bestuur hanteert als uitgangspunt dat indien een persoon zelfstandig, al dan niet met hulpmiddelen en in een redelijk tempo, 800 meter kan lopen, deze persoon in beginsel in staat wordt geacht het openbaar vervoer te kunnen bereiken. Het bestuur heeft zijn besluitvorming mogen baseren op het advies van de GGD. In dit rapport wordt geconcludeerd dat appellante in staat moet zijn 20 minuten te lopen, hetgeen voldoende is om uit te gaan van een loopafstand van 800 meter.

LJN BX8754 - Weigering voortzetting van de hulp bij het huishouden. De oudste twee inwonende zoons van appellante kunnen ondanks hun medische klachten in staat worden geacht de huishoudelijke taken te verrichten waartoe appellante niet in staat is.

LJN BX8897 - Hoogte PGB. Het college is niet gehouden om appellante een zodanig PGB toe te kennen dat zij de keuze heeft uit verschillende aanbieders. Uitgaande van de actuele cataloguswaarde van de goedkoopst adequate scootmobiel is de hoogte van het PGB nader vastgesteld. Het staat appellante weliswaar volledig vrij om het aan haar toegekende PGB voor de aanschaf, het onderhoud en de verzekering van de geïndiceerde scootmobiel - of een andere adequate scootmobiel - te besteden bij een aanbieder of leverancier naar haar keuze, maar appellante dient de extra kosten die haar keuze voor een andere, duurdere aanbieder of leverancier dan Welzorg met zich meebrengt uit eigen middelen te betalen voor zover het PGB ontoereikend is.

LJN BX9586 - Weigering huishoudelijke verzorging. De bevindingen van de revalidatiearts leiden tot de conclusie van de Raad dat het college ten onrechte appellante niet beperkt heeft geacht in het verrichten van zwaar huishoudelijk werk. De Raad voorziet zelf in de zaak en bepaalt dat appellante in aanmerking komt voor huishoudelijke verzorging in een omvang van drie uren per week. Omdat appellante op de zitting heeft toegelicht dat zij in de afgelopen periode geen hulp heeft ingekocht, zal deze uitspraak feitelijk geen werking hebben voor het verleden.

LJN BY0438 - Aanvullende financiële tegemoetkoming voor individueel rolstoeltaxivervoer. Betrokkene maakte geen gebruik van de rolstoeltaxi en liet zich uitsluitend door haar dochter met de eigen, aangepaste auto vervoeren. Het normbedrag voor het PGB bij gebruik van de eigen auto, uitgaande van de door het college aangehouden bandbreedte voor de vervoersbehoefte van 1500 tot 3000 km, bedraagt €910,- per jaar. De hantering van dit normbedrag leidt bij een vervoersbehoefte van 3000 km tot een vergoeding van €0,30 per km. Uitgaande van de bij het bestreden besluit toegekende vergoeding van €2225,- bedraagt de vergoeding per kilometer €0,42. Betrokkene is niet te kort gedaan door de vaststelling van de financiële vergoeding op €2225,- per jaar. Dat bij de vaststelling van de vergoeding een eigen bijdrage in mindering is gebracht, leidt niet tot een met de gemeentelijke Wmo-verordening strijdig besluit nu betrokkene in aanmerking is gebracht voor een vergoeding die uitgaat boven eerdergenoemd normbedrag.

LJN BY0440 - Weigering bruikleenrolstoelauto. Betrokkene was gelet op haar beperkingen medisch gezien in staat gebruik te maken van het individueel rolstoeltaxivervoer. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het medisch onderzoek en aan de juistheid van de daarop gebaseerde conclusie.

LJN BY1369 - Toewijzing verzoek om voorlopige voorziening. Nu verzoeker uit de jeugdopvang is gezet, is een nieuwe situatie ontstaan waarin hij verstoken is van enige vorm van opvang. De voorzieningenrechter acht onvoldoende aannemelijk gemaakt dat, zoals door het college is aangevoerd, daarin kan worden voorzien door een maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 aan te vragen. De voorzieningenrechter moet het er onder de aangevoerde omstandigheden voor houden dat verzoeker een kwetsbare persoon is die onder toepassing van artikel 8 van het EVRM in aanmerking komt voor maatschappelijke opvang op grond van de Wmo.

LJN BY4597 - Weigering woonvoorzieningen in de vorm van een verhoogd toilet en een elektrische deuropener. Er is geen aanleiding om te twijfelen aan de zorgvuldigheid van het door het CIZ verrichte onderzoek naar de beperkingen van appellant en de benodigde voorzieningen. Er is geen grond om het standpunt van het college dat er geen medische redenen zijn om de gevraagde woonvoorzieningen te treffen onjuist te achten.

LJN BY5215 - Weigering financiële tegemoetkoming in de aanpassing van de woning. Onder de aanwezig zijnde omstandigheden mocht het college zich op het standpunt stellen dat van appellant verlangd had mogen worden dat hij zijn inspanningen had gericht op het verkrijgen van een gelijkvloerse woning en dat hij zich in een zo vroeg mogelijk stadium met de gemeente in verbinding had gesteld opdat in gezamenlijk overleg bezien had kunnen worden welke voorziening in zijn geval de goedkoopst adequate was.

LJN BY9293 - Factuur eigen bijdrage is geen (appellabel) besluit. De Raad stelt voorop dat uit de aan betrokkene toegezonden facturen niet kan worden afgeleid dat deze berusten op een definitieve vaststelling van de eigen bijdrage. Voorts is gebleken dat betrokkene langer bekend was met de jaarlijkse gang van zaken met betrekking tot de vaststelling en de inning van de eigen bijdrage. Al uit dien hoofde diende het betrokkene redelijkerwijs duidelijk te zijn dat de vaststelling van de hoogte van de eigen bijdrage door middel van een besluit geschiedt en niet door middel van facturen. De rechtbank is ten onrechte tot het oordeel gekomen dat appellant het bestreden besluit in strijd met de rechtszekerheid heeft genomen.

LJN BZ1732 - Weigering toegang tot de maatschappelijke opvang omdat appellant, gelet op zijn verblijfsstatus, naar nationaal recht geen toegang heeft tot een voorziening op grond van de Wmo. Appellant, die HIV-positief is, beschikte ten tijde hier van belang over opvang in de vorm van een bedrag van €375,- per maand uit het Aidsfonds. Dat bedrag kan in de gegeven omstandigheden als voorziening voor tijdelijke opvang toereikend worden geacht. Reeds daarom is niet gebleken dat de weigering van het college om appellant toe te laten tot de maatschappelijke opvang geen blijk geeft van een "fair balance" tussen de publieke belangen die betrokken zijn bij de weigering van die toegang en de particuliere belangen van appellant om wel toegelaten te worden.

LJN BZ1741 - Weigering woonvoorziening. De door appellante aangevraagde aan de muur bevestigbare strijkplank die in hoogte verstelbaar is, dient een therapeutisch doel en valt niet binnen de reikwijdte van de op grond van de Wmo op het college rustende compensatieplicht. Met de toegekende hulp bij het huishouden wordt appellante voldoende gecompenseerd voor de beperkingen die zij ondervindt bij het voeren van het huishouden.

LJN BZ2595 - Voorliggende voorziening voor hulp bij de huishouding. In de op grond van de AWBZ afgegeven indicatie voor betrokkenen is onder meer hulp bij het huishouden opgenomen, zodat hierop volgens het college geen recht bestaat op grond van de Wmo. Betrokkenen hadden vanuit de AWBZ volledige aanspraak op de uit ZZP 5 voortvloeiende zorg, dat wil zeggen inclusief huishoudelijke verzorging en exclusief de component wonen. Er is sprake van een wettelijke aan de Wmo voorliggende voorziening.

LJN BZ3219 - Weigering huishoudelijke verzorging krachtens de Wmo omdat sprake is van intramurale zorg ingevolge de AWBZ en die zorg voorliggend is op een voorziening op grond van de Wmo. Appellante komt daarom niet in aanmerking voor een voorziening op grond van de Wmo.

LJN BZ5695 - Weigering woonvoorziening bestaande uit een traplift en een badlift. Het college is op goede gronden tot de conclusie gekomen dat met de goedkoopst adequate voorziening - het aanpassen van de natte cel op de benedenverdieping - de door het college onderschreven medische beperkingen van appellante in voldoende mate worden gecompenseerd. Uit de door appellante in hoger beroep overgelegde medische verklaringen kan niet worden opgemaakt dat zij vanwege het binnenhuisklimaat op de benedenverdieping om medische redenen gebruik moet maken van de bovenverdieping van haar woning.

LJN BZ7735 - Weigering tegemoetkoming in de verhuis- en inrichtingskosten. De rechtbank heeft uitbreiding gegeven aan de gronden waarop het bestreden besluit berust en is zodoende buiten de grenzen van het geschil getreden. Appellante heeft de voor haar passende woning moeten ontruimen om uitvoering te geven aan een rechterlijk ontruimingsvonnis. Dit is geen dringende noodzaak als bedoeld in de gemeentelijke Wmo-verordening nu deze ontruiming gerelateerd is aan de toen bestaande alcoholproblematiek van appellante, welke geacht moet worden in haar eigen risicosfeer te liggen.

LJN CA0183 - Weigering woonvoorziening in de vorm van een uitbreiding van de in appellantes woning aanwezige traplift naar de tweede verdieping. Niet gebleken is dat het voor appellante niet mogelijk is de hometrainer, welke zij stelt nodig te hebben voor revalidatie, in de kleine extra ruimte op de eerste verdieping te gebruiken.

LJN CA1401 - Weigering woningaanpassing voor een traplift en aanpassing van de natte cel omdat appellant is verhuisd van een adequate naar een niet-adequate woning en dat appellant daarvoor niet vooraf toestemming heeft gevraagd. De Raad oordeelt dat appellant geen in redelijkheid van hem te vergen mogelijkheden had om zelf voor een passende oplossing te zorgen. De woning is immers eigendom van zijn huidige vriendin. Niet valt in te zien dat van het gezin gevergd kon worden om tot verkoop van het huis over te gaan en te verhuizen. Daarbij weegt de Raad mee de onweersproken stelling van appellant dat gelet op de taxatiewaarde van de woning bij verkoop een restschuld van beduidende omvang zou ontstaan.

LJN CA1427 - Weigering financiële tegemoetkoming in de kosten van een zeskanaals gehoortoestel voor beide oren omdat de Zvw voorziet in (gedeeltelijke) vergoeding van de kosten van hoorapparaten. Het college heeft de aanvraag gelet op artikel 2 van de Wmo terecht afgewezen. De vraag of het college heeft voldaan aan zijn compensatieplicht als bedoeld in artikel 4 van de Wmo is dan ook niet aan de orde.

LJN CA2976 - Weigering vervoersvoorziening in de vorm van een vergoeding voor het gebruik van de eigen auto omdat in de vervoersbehoefte kan worden voorzien door de duwrolstoel in combinatie met het aanvullend openbaar vervoer, deur tot deur plus, rechtstreeks vervoer en alleen reizen (AOV). Deze combinatie is de goedkoopst adequate oplossing. De rechtbank heeft, anders dan appellante stelt, de beroepsgrond dat het advies van het CIZ onzorgvuldig tot stand is gekomen en innerlijk tegenstrijdig is, besproken en gemotiveerd verworpen. Van de zijde van appellante zijn ook in hoger beroep geen medische gegevens overgelegd die haar standpunt ondersteunen dat zij niet kan reizen met het AOV.

ECLI:NL:CRVB:2013:772 - Weigering PGB voor begeleiding omdat voldoende instellingen en organisaties in de gemeente voorhanden zijn die ondersteuning en hulp kunnen bieden. De door appellante gevraagde voorziening valt niet onder de reikwijdte van de prestatievelden van artikel 4 van de Wmo. Begeleiding in verband met het schrijven van brieven en het onderhouden van contacten met instanties als het algemeen maatschappelijk werk, de huisarts en Bureau Jeugdzorg valt niet onder één van deze vier genoemde prestatievelden. Ook het bieden van hulp bij het vinden van een woning valt niet onder één van de prestatievelden.

ECLI:NL:CRVB:2013:776 - Weigering vergoeding van de kosten van de lift. Het had op appellant zijn weg gelegen om de kosten die gemoeid zijn met het aanpassen van zijn woning in het letselschadebedrag te verdisconteren. Dat dit, zoals appellant heeft gesteld, bij de onderhandelingen met Delta Lloyd geen onderwerp van gesprek is geweest omdat appellant een aanvraag voor deze woningaanpassing bij het college had ingediend, maakt dit gezien de eigen verantwoordelijkheid van appellant voor het naar vermogen zelf regelen van een oplossing voor de noodzakelijke woningaanpassing niet anders.

ECLI:NL:CRVB:2013:924 - Weigering financiële tegemoetkoming voor in de loop van de jaren aan de traplift gerelateerde kosten van installatie, reparatie en onderhoud omdat de nota’s niet binnen zeven maanden nadat de kosten zijn gemaakt, zijn ingediend. Het college heeft terecht geen aanleiding gezien voor toepassing van de in de gemeentelijke Wmo-verordening opgenomen hardheidsclausule.

ECLI:NL:CRVB:2013:990 - Intrekking en terugvordering PGB omdat appellant in strijd met de op hem rustende inlichtingenverplichting niet heeft gemeld bij het college dat hij een gezamenlijke huishouding voert met betrokkene die in staat wordt geacht de huishoudelijke taken uit te voeren, waardoor voor appellant geen recht op PGB voor huishoudelijke hulp bestond.

ECLI:NL:CRVB:2013:1469 - Weigering woningaanpassingen en verhuiskostenvergoeding. De Raad stelt allereerst vast dat de in geding zijnde aanvraag is aan te merken als een aanvraag gericht op het verlenen van een individuele voorziening, zodat artikel 8, eerste lid, van de Wmo van toepassing is. Niet is gebleken dat appellant rechtmatig verblijf houdt in Nederland in de zin van artikel 8, onderdeel a tot en met e en l, van de Vreemdelingenwet 2000, zodat artikel 8, eerste lid, van de Wmo aan toekenning van de gevraagde individuele voorzieningen in de weg staat. Het beroep op artikel 8 van het EVRM slaagt niet.

ECLI:NL:CRVB:2013:1474 - Weigering vervoersvoorziening in de vorm van een scootmobiel. De rechtbank is terecht tot de conclusie gekomen dat de besluitvorming is gebaseerd op een op zorgvuldige en inzichtelijke wijze tot stand gekomen adviesrapportage van het CIZ, waarbij de medische informatie van de behandelend arts van appellant is betrokken. Appellant wordt in zijn beperkingen voldoende gecompenseerd door het aangepast openbaar vervoer, al dan niet in combinatie met zijn brommer.

ECLI:NL:CRVB:2013:1583 - Eigen bijdrage scootmobiel. In het besluit is vermeld dat de berekening van de hoogte van de eigen bijdrage en het innen van deze bijdrage is uitbesteed aan het CAK en dat appellante hierover op een later moment bericht krijgt van het CAK. Het CAK heeft in het bestreden besluit terecht overwogen dat zijn bevoegdheid, voor zover hier van belang, niet verder gaat dan de vaststelling dat de eigen bijdrage die is opgelegd de kostprijs van de scootmobiel niet te boven gaat en de vaststelling dat de eigen bijdrage niet hoger is dan de door hem vastgestelde maximale eigen bijdrage. Evenals de rechtbank is de Raad van oordeel dat het CAK binnen de termijn van twee jaar als bedoeld in artikel 4.4, aanhef en onder a, van het Besluit maatschappelijke ondersteuning is overgegaan tot heffing en inning van de eigen bijdrage.

ECLI:NL:CRVB:2013:1737 - Weigering het aantal uren voor huishoudelijke hulp uit te breiden. Het college is op basis van het verrichte onderzoek naar aanleiding van de aanvraag terecht tot de conclusie is gekomen dat de HH2, klasse 2, voor appellante toereikend is en er geen noodzaak bestaat voor uitbreiding van het aantal uren huishoudelijke hulp. De Raad is niet gebleken dat het advies niet op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen.

ECLI:NL:CRVB:2013:1912 - Tussenuitspraak. Weigering woonvoorzieningen in de vorm van aanpassingen van de natte cel, de keuken en het toilet omdat appellant is verhuisd naar een voor hem niet-adequate woning en dat appellant daarvoor niet vooraf toestemming heeft gevraagd of overleg heeft gevoerd. Het college heeft niet op juiste wijze voldaan aan de opdracht van de rechtbank om een nieuwe beslissing op bezwaar te nemen. Het college krijgt zes weken de tijd om het gebrek te herstellen.

ECLI:NL:CRVB:2013:2205 - Weigering hulp voor het doen van boodschappen. Appellant heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een boodschappenservice een voor betrokkene algemeen gebruikelijke voorliggende voorziening is, waardoor geen noodzaak bestaat om hulp voor het doen van boodschappen te indiceren. Betrokkene heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij een boodschappenservice financieel niet kan dragen.

ECLI:NL:CRVB:2013:2390 - Weigering hulp bij het huishouden omdat betrokkene over voldoende financiële middelen kan beschikken om zelf hulp in te kopen, zodat artikel 4 van de Wmo aan verlenging van de hulp bij het huishouden in de weg staat. Gemeenten mogen een voorziening op grond van de Wmo niet weigeren op grond van het inkomen of het vermogen van de aanvrager.

ECLI:NL:CRVB:2013:2814 - Weigering beugels voor het toilet, een douchezitje, drempelhulpen en een traplift, maar wél toekenning van een verhuiskostenvergoeding en een urgentieverklaring. Door het toepassen van het primaat van de verhuizing en het aanbieden van een andere woning is voldaan aan de in artikel 4 van de Wmo vermelde compensatieplicht.

ECLI:NL:CRVB:2013:2820 - Weigering aanpassing aan de elektrische buitenrolstoel zodanig dat in plaats van één beensteun voor beide benen daaraan twee, apart elektrisch te bedienen beensteunen zouden worden bevestigd. Er is geen medische informatie die de medische noodzakelijkheid van aparte beensteunen aantoont. Er is geen sprake van een ondubbelzinnige, ongeclausuleerde toezegging van de kant van het tot beslissen bevoegde orgaan.

ECLI:NL:CRVB:2013:2977 - Weigering tegemoetkoming in de kosten van het gebruik van de eigen auto. Uit het zorgvuldig tot stand gekomen CIZ-advies en het onderzoek naar de vervoersbehoefte van appellant blijkt dat appellant in staat is gebruik te maken van het aanvullend openbaar vervoer en dat hij niet op medische gronden is aangewezen op de eigen auto.

ECLI:NL:CRVB:2014:82 - Vaststelling huishoudelijke verzorging per week. Het college heeft zich met juistheid op het standpunt kunnen stellen dat voor het doen van boodschappen en het bereiden van maaltijden gebruik kan worden gemaakt van een boodschappendienst en een maaltijdservice, waardoor er geen noodzaak is om tijd toe te kennen voor het bereiden van maaltijden en het doen van boodschappen.

ECLI:NL:CRVB:2014:141 - Weigering toelating tot de maatschappelijke opvang omdat geen bijzondere (medische) omstandigheden zijn gebleken op grond waarvan de gevraagde voorziening zou moeten worden toegewezen. Voorts heeft het college overwogen dat het voor appellante, een uitgeprocedeerde asielzoekster, mogelijk is om gebruik te maken van de voorzieningen die in een vrijheidsbeperkende locatie (VBL) ter beschikking staan. De Raad oordeelt dat van appellante kan worden verlangd zich te melden bij de Dienst Terugkeer & Vertrek om gebruik te maken van de voorzieningen die in een VBL ter beschikking staan.

ECLI:NL:CRVB:2014:213 - Weigering toelating tot de maatschappelijke opvang. Er is geen reden van het college te verlangen appellanten maatschappelijke opvang te bieden. Hierbij is van belang dat appellanten dienden te verblijven in de vrijheidsbeperkende locatie (VBL). Dat appellante zich niet heeft gemeld in de VBL doet daar niet aan af nu niet is gebleken van een geobjectiveerde noodzaak om niet in de VBL te verblijven. Dit betekent dat het college ook op grond van artikel 8 van het EVRM niet verplicht was appellanten toe te laten tot de opvang.

ECLI:NL:CRVB:2014:398 - Weigering verhuiskostenvergoeding omdat de medisch adviseur heeft vastgesteld dat appellants dochter geen medische beperkingen ondervindt in het normale gebruik van de woning, zodat verhuizing medisch niet noodzakelijk is. Het bestreden besluit berust op zorgvuldig medisch advies. Appellant heeft een eigen verantwoordelijkheid om maatregelen te treffen met het oog op de gevaren van het kanaal. Appellant heeft niet aannemelijk gemaakt dat een causaal verband bestaat tussen de slaapproblemen van zijn gehandicapte dochter en geluidsoverlast die drugsgebruikers in de omgeving van de woning zouden veroorzaken. Er is geen sprake van bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen tot toepassing van de in de gemeentelijke Wmo-verordening neergelegde hardheidsclausule.

ECLI:NL:CRVB:2014:414 - Toekenning PGB voor hulp bij het huishouden. Het college heeft bij het vaststellen van de indicatie voor appellant terecht de woning gekwalificeerd als een kleine beganegrondwoning met twee kamers en op grond daarvan 1,5 uur per week gerekend voor zwaar huishoudelijk werk.

ECLI:NL:CRVB:2014:680 - Intrekking en terugvordering PGB omdat niet is voldaan aan de verplichting tot deugdelijke verantwoording. Niet aannemelijk is gemaakt dat het PGB daadwerkelijk is aangewend voor huishoudelijke hulp en daarnaast is niet gebleken van bijzondere feiten of omstandigheden die aanleiding vormen voor toepassing van de hardheidsclausule als neergelegd in de gemeentelijke Wmo-verordening om af te zien van intrekking en terugvordering van het PGB.

ECLI:NL:CRVB:2014:1053 - Weigering toelating tot de maatschappelijke opvang. Niet is komen vast te staan dat de begeleiding van appellant alleen in zijn eigen woonomgeving kon worden geboden en niet anderszins mogelijk was, bijvoorbeeld in een aan de maatschappelijk werkster ter beschikking staande werkruimte buiten de eigen woonomgeving. Uit de verklaring van de huisarts komt slechts naar voren dat appellant als gevolg van moeheid en pijn dan wel bijwerking van een slaapopwekkend medicijn soms wil gaan rusten. Hieruit kan niet worden afgeleid dat een eigen kamer daartoe noodzakelijk was.

ECLI:NL:CRVB:2014:1054 - Weigering verhuiskostenvergoeding. De verhuizing kan niet worden aangemerkt als een verhuizing die zijn oorzaak vindt in aantoonbare beperkingen bij het normale gebruik van de woning als gevolg van ziekte of gebrek als bedoeld in de gemeentelijke Wmo-verordening. Ten aanzien van de door appellante gevorderde schadevergoeding heeft de rechtbank met juistheid geoordeeld dat niet aan de vereisten voor het aannemen van causaal verband is voldaan.

ECLI:NL:CRVB:2014:1440 - Weigering PGB voor huishoudelijke verzorging. Appellantes hoge schuldenlast brengt het risico van beslaglegging op het PGB met zich mee. Het PGB kan dan niet gebruikt worden voor de voorziening waarvoor het is toegekend. Het college heeft terecht het bestaan van bezwaren van overwegende aard aangenomen.

ECLI:NL:CRVB:2014:1490 - Weigering woonvoorziening in de vorm van een tegemoetkoming in de verbouwingskosten ten behoeve van het realiseren van een kamer voor de slaapwacht. Appellant is ernstig lichamelijk en geestelijk gehandicapt. De gevraagde voorziening strekt niet tot het compenseren van de beperkingen van appellant. De gewenste extra kamer is immers bedoeld om de voor het verlenen van AWBZ-zorg benodigde slaapwacht te huisvesten. De daartoe gevraagde voorziening valt niet onder de reikwijdte van één van de in artikel 4, eerste lid, van de Wmo genoemde prestatievelden.

ECLI:NL:CRVB:2014:1605 - Eigen bijdrage scootmobiel. De door het college verleende aanspraak op een scootmobiel moet worden onderscheiden van de daadwerkelijke realisering van die aanspraak. Het door het college opleggen van een eigen bijdrage bouwt voort op het verkrijgen van die aanspraak en vindt een eigen grondslag in de Wmo en de gemeentelijke Wmo-verordening. De eigen bijdrage kan dan ook niet worden aangemerkt als een vergoeding voor de bruikleen, op grond waarvan het feitelijk gebruik van de scootmobiel plaatsvindt. De bepaling uit het BW die van toepassing is op de gecontracteerde leverancier staat daarom niet in de weg aan het opleggen van een eigen bijdrage voor de kosten die de gemeente moet maken voor de aan appellant verstrekte scootmobiel. De omstandigheid dat het college aan deze leverancier huurbedragen is verschuldigd, maakt dit niet anders.

ECLI:NL:CRVB:2014:1628 - Weigering LEVO Combi rolstoel, met kleine draaicirkel en sta-opfunctie, die destijds €35.240,- kostte. De door betrokkene gevraagde sta-opfunctie valt in haar situatie niet onder de compensatieplicht van artikel 4 van de Wmo. Nu de door betrokkene gevraagde voorziening buiten de reikwijdte van de op grond van de Wmo op het college rustende compensatieplicht valt, slaagt het hoger beroep, zodat de aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd.

ECLI:NL:CRVB:2014:1688 - Intrekking en terugvordering tegemoetkoming in de kosten van de aanschaf van een fiets met hulpmotor ten bedrage van €2100,-. Appellante heeft niet voldaan aan de verplichting om binnen de termijn van zes maanden een factuur en betalingsbewijs toe te sturen. Appellante heeft niet aannemelijk gemaakt dat de toezegging is gedaan dat zij de tegemoetkoming ook aan isolatie van haar woning mocht besteden.

ECLI:NL:CRVB:2014:1864 - Weigering tegemoetkoming in de verhuiskosten. De aanvraag is terecht afgewezen nu de verhuizing van appellant niet het gevolg was van de belemmeringen die hij in zijn ouderlijke woning ondervond ten gevolge van zijn beperkingen, maar van de wens van appellant om zelfstandig te gaan wonen. Appellant heeft zijn betoog dat hij gedwongen was om te verhuizen omdat het gemeenschappelijk orgaan niet bereid was om voorzieningen in de ouderlijke woning te treffen, niet met feiten onderbouwd.

ECLI:NL:CRVB:2014:2101 - Weigering vervangende bruikleenauto en beëindiging autokostenvergoeding omdat appellante gebruik kan maken van het collectief aanvullende vervoer (taxibus) en dat in bezwaar niet is gebleken van een contra-indicatie voor het gebruik van de taxibus. Het primaat ligt bij het collectief aanvullende vervoer. Appellante, gezeten in een rolstoel, moet met begeleiding worden vervoerd, waarvoor een taxibus medisch gezien adequaat en voldoende is. Er bestaat op grond van het medisch advies geen medische noodzaak voor vervoer samen met appellantes kinderen.

ECLI:NL:CRVB:2014:2326 - Intrekking hulp bij het huishouden. Het rapport van Argonaut is niet voldoende inzichtelijk gemotiveerd. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het advies van SCIO het standpunt van betrokkene ondersteunt dat zij niet in staat kon worden geacht de huishoudelijke taken zelfstandig uit te voeren. Zonder nadere onderbouwing van een arts, al dan niet aangevuld met het oordeel van een ergotherapeut, kan niet worden geconcludeerd dat betrokkene niettemin in staat is tot het verspreid over de week met hulpmiddelen doen van het huishoudelijk werk of dat zij in staat is tot het zelfstandig doen van een deel van het lichte huishoudelijke werk.

ECLI:NL:CRVB:2014:2913 - Toekenning hulp bij het huishouden. Het college heeft met inachtneming van de adviezen op juiste gronden besloten om bij de vaststelling van de omvang van de toegekende hulp bij het huishouden de gestelde huisstofmijtallergie niet in aanmerking te nemen. Het advies van de medisch adviseur is zorgvuldig tot stand gekomen en is inzichtelijk en begrijpelijk gemotiveerd. Appellant heeft geen nieuwe medische informatie overgelegd die doet twijfelen aan de bevindingen van de medisch adviseur.

ECLI:NL:CRVB:2014:3508 - Toekenning huishoudelijke hulp in een omvang van vijf uren per week in plaats van de zeven uren per week die betrokkene voorheen ontving. De toekenning is conform de gemeentelijke Richtlijn indicatieadvisering Hulp bij het Huishouden van januari 2011. Er is niet gebleken van omstandigheden die noodzaken tot toekenning van meer uren.

ECLI:NL:CRVB:2014:3557 - Weigering verhuiskostenvergoeding omdat appellante is verhuisd voordat de aanvraag werd ingediend, appellante geen beperkingen in het normale gebruik van de woning heeft en de door CIZ geïndiceerde thuisbegeleiding niet afhankelijk is van de woning waarin appellante woont. Het college heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de fysieke beperkingen geen grond vormden voor toewijzing van de gevraagde voorziening. Er zijn geen bijzondere omstandigheden die aanleiding vormen tot toepassing van de hardheidsclausule.

ECLI:NL:CRVB:2014:3598 - Weigering maatschappelijke opvang omdat appellant, een illegaal in Nederland verblijvende Somaliër, niet behoort tot de categorie van kwetsbare personen als bedoeld in de rechtspraak over artikel 8 van het EVRM. Bij appellant is niet gebleken van een substantiële bedreiging van de fysieke en psychische gezondheid wanneer hij verstoken blijft van opvang. Ook overigens zijn geen aanknopingspunten voor de conclusie dat appellant op grond van een combinatie van andere factoren behoort tot de categorie van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht hebben op bescherming van hun privéleven. De rechterlijke beoordeling is beperkt tot de vraag of het college zijn beleid ter zake van de opvang in de Vluchthaven juist heeft toegepast. Deze vraag beantwoordt de Raad, nu tegen de juistheid van die toepassing geen gronden zijn aangevoerd, bevestigend.

ECLI:NL:CRVB:2014:3712 - Beëindiging vervoersvoorziening in de vorm van Vervoer op Maat (VOM) omdat appellante gedurende de periode juli tot en met december 2012 geen enkel, en in de periode daarvoor slechts zeer incidenteel, gebruik heeft gemaakt van deze aan haar verstrekte individuele voorziening. Dit rechtvaardigt de conclusie dat vanaf 10 januari 2013 de noodzaak ontbreekt om de beperkingen van appellante te compenseren door middel van een individuele vervoersvoorziening in de vorm van VOM. Appellante is zelfredzaam gebleken door in haar vervoersbehoefte te voorzien door middel van het gebruik van haar eigen auto.

ECLI:NL:CRVB:2014:4178 - Weigering maatschappelijke opvang voor drie illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen. De voorzieningenrechter treft een ordemaatregel voor uitgeprocedeerde asielzoekers uit Amsterdam die Nederland moeten verlaten. De gemeente Amsterdam moet met ingang van 17 december 2014 nachtopvang, een douche, ontbijt en een avondmaaltijd bieden. De voorzieningenrechter heeft dit besloten omdat hij niet uitsluit dat de twee beslissingen van het Europees Comité voor Sociale Rechten (ECSR) van 1 juli 2014 van invloed kunnen zijn op de inhoud van het Nederlandse opvangrecht. De ordemaatregel dat de gemeente sobere opvang moet bieden, geldt tijdelijk en loopt door tot twee maanden nadat het Comité van Ministers van de Raad van Europa zijn standpunt heeft ingenomen over de beslissingen van het ECSR.

ECLI:NL:CRVB:2015:191 - Toekenning vergoeding voor woningaanpassing van maximaal €30.311,19,- voor het realiseren van een uitbouw met slaapkamer en natte cel in de eigen woning van de moeder van appellant. De gemeente heeft bij de vaststelling van de hoogte van de vergoeding ten onrechte de verwachte waardevermeerdering van de woning op de aanneemsom van de uitbouw in mindering gebracht.

ECLI:NL:CRVB:2015:895 - Weigering huishoudelijke hulp omdat niet is gebleken van psychische problemen die toekenning van huishoudelijke hulp kunnen rechtvaardigen. De door appellante ervaren beperkingen kunnen niet medisch worden geobjectiveerd. Zij wordt in staat geacht zelfstandig, gefaseerd en in een rustig tempo de huishoudelijke werkzaamheden uit te voeren.

ECLI:NL:CRVB:2015:986 - Intrekking en terugvordering PGB omdat appellante het aan haar over 2010 en 2011 toegekende PGB niet dan wel op een niet juiste, verifieerbare wijze heeft verantwoord. Appellante, die haar zorgverleners contant betaalde, heeft geen deugdelijke administratie gevoerd en heeft geen betaalbewijzen, nota’s dan wel zorgcontracten overgelegd. De wel door appellante ingediende stukken, onder meer het door haarzelf opgestelde jaaroverzicht over 2011, zijn hiervoor onvoldoende. Niet kan worden gesteld dat het college niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten tot intrekking en terugvordering. Een beroep op de hardheidsclausule slaagt niet.

ECLI:NL:CRVB:2015:1503 - Verlaging omvang huishoudelijke hulp. Het college heeft bij het hanteren van de nieuwe (lagere) normtijden niet onderzocht of daarmee in de situatie van appellant een resultaat is bereikt dat als compensatie voor zijn beperkingen bij het voeren van een huishouden mag gelden. Niet gebleken is dat het voor appellant niet mogelijk is zijn huishouden zo te organiseren dat ook de was binnen de toegekende tijd kan worden verzorgd. Vervanging van zijn wasmachine en aanvulling van zijn linnengoed zijn algemeen gebruikelijke voorzieningen. Er zijn geen bijzondere omstandigheden om van de beleidsregels af te wijken.

ECLI:NL:CRVB:2015:2536 - Weigering verhuiskostenvergoeding omdat appellant niet is verhuisd naar een passende woning. Het college is van mening dat de nieuwe woning niet passend is voor appellant omdat deze alleen bereikbaar is via een trap van vijf treden. Daarbij is door het college in aanmerking genomen dat appellant in het jaar 2010 een verhuiskostenvergoeding heeft ontvangen om van een woning die slechts kon worden bereikt via een trap van zeven treden, op medische gronden te verhuizen naar een woning met een lift. De Raad acht van belang dat in de aan appellant verleende voorrangsverklaring expliciet staat vermeld dat appellant alleen mocht reageren op woningen die voldeden aan de eisen van het GGD-advies, waarin staat vermeld dat de bereikbaarheid van de woning traploos moet zijn.