Vrouwe Justitia

 

 

 

 

Gegevens uitspraak
LJN: LJN AY6073
ECLI: ECLI:NL:CRVB:2006:AY6073
Instantie: Centrale Raad van Beroep
Soort procedure: verzet
Zaaknummer: 06/552 WWB
Datum uitspraak: 01-08-2006
Wetsartikelen: artt. 8:41 en 8:55 Awb
Essentie: Ongegrondverklaring verzet omdat appellante het griffierecht voor het hoger beroep niet-verschoonbaar niet tijdig heeft betaald. Appellante is erop gewezen dat bij betaling per bank de datum van bijschrijving op de bankrekening van de Raad beslissend is en dat volgens vaste rechtspraak het risico van niet-tijdige verwerking van een eerst op de laatste dag van de termijn gegeven betalingsopdracht aan de bank voor haar rekening komt.

 

 

Uitspraak enkelvoudige kamer 06/552 WWB




U I T S P R A A K




als bedoeld in artikel 8:55, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet in verband met het hoger beroep van:

[appellante], wonende te [woonplaats] (hierna: appellante),

tegen de uitspraak van de rechtbank Almelo van 12 december 2005, 04/1201 (hierna: aangevallen uitspraak),

in het geding tussen:

appellante

en

het College van burgemeester en wethouders van de gemeente Enschede, (hierna: College).

Datum uitspraak: 1 augustus 2006.




I. PROCESVERLOOP


Bij uitspraak als bedoeld in artikel 8:54 van de Algemene wet bestuursrecht en artikel 21 van de Beroepswet van 2 mei 2006 heeft de Raad het door appellante ingestelde hoger beroep tegen de aangevallen uitspraak niet-ontvankelijk verklaard.

Tegen de uitspraak van de Raad van 2 mei 2006 heeft appellante verzet gedaan.

Het verzet is ter behandeling aan de orde gesteld ter zitting van 25 juli 2006, waar partijen niet zijn verschenen.




II. OVERWEGINGEN


De uitspraak van de Raad van 2 mei 2006 berust hierop, dat het voor het instellen van het hoger beroep verschuldigde griffierecht van € 103,-- niet binnen de daarvoor - laatstelijk - bij aangetekend verzonden brief van 22 februari 2006 gestelde termijn van vier weken is voldaan en dat op grond van de beschikbare gegevens redelijkerwijs niet kan worden geoordeeld dat appellante niet in verzuim is geweest.

In verzet heeft appellante aangevoerd dat zij het verschuldigde griffierecht van € 103,-- via telebankieren op 21 maart 2006 om 23.16 uur aan de Raad heeft betaald.

In aansluiting op hetgeen in bovengenoemde uitspraak is overwogen, stelt de Raad eerst vast dat het griffierecht niet tijdig is betaald omdat uit de gedingstukken blijkt dat het verschuldigde bedrag op 23 maart 2006 op de rekening van de Raad is bijgeschreven.

Voorts merkt de Raad op dat hij ook in het verzetschrift geen aanknopingspunten heeft gevonden welke kunnen leiden tot de conclusie dat appellante het verzuim niet kan worden tegengeworpen. De Raad merkt daarbij op dat appellante bij brief van 22 februari 2006 er op is gewezen dat bij betaling per bank de datum van bijschrijving op de bankrekening van de Raad beslissend is en dat volgens vaste rechtspraak het risico van niet-tijdige verwerking van een eerst op de laatste dag van de termijn gegeven betalingsopdracht aan de bank voor haar rekening komt.

Gelet op het voorgaande dient het verzet ongegrond te worden verklaard.

Voor een proceskostenveroordeling ziet de Raad geen aanleiding.




III. BESLISSING


De Centrale Raad van Beroep;

Recht doende:

Verklaart het verzet ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door G.A.J. van den Hurk. De beslissing is, in tegenwoordigheid van P.E. Broekman als griffier, uitgesproken in het openbaar op 1 augustus 2006.

(get.) G.A.J. van den Hurk.

(get.) P.E. Broekman.